Back to top

Online zoeken naar historische foto’s, teksten en archiefstukken: steeds meer erfgoedorganisaties, archieven, bibliotheken, musea en andere instellingen digitaliseren hun archieven en collecties. Digitalisering maakt materiaal beter toegankelijk en makkelijker doorzoekbaar. Maar hoe vindbaar zijn deze digitale collecties? En hoe bruikbaar zijn ze? In deze interviewserie drie bronnengebruikers uit drie verschillende werkvelden aan het woord over hun ervaringen met het gebruik van digitale bronnen. Dit keer: geschiedenisdocent Margit Pothoven.

Door: Caitlin Laws 

Geschiedenisdocent Margit Pothoven werkt op een laptopschool. Dit betekent dat alle leerlingen een laptop hebben, daar op school veel mee werken en dat er voor sommige vakken geen boeken zijn. De leerlingen en docenten op deze middelbare school werken hierdoor veel met digitaal lesmateriaal én met digital bronnen. Deze manier van werken brengt voordelen, maar ook uitdagingen met zich mee.

Scholengemeenschap Unic heeft vooruitstrevende ideeën over het gebruik van digitale middelen. De nog jonge school – Unic bestaat sinds 2004 – vermeldt op haar website dat ‘elektronisch leren centraal staat’ en dat leerlingen die Unic verlaten ‘hun weg weten te vinden in de multimediamaatschappij’. Eén van de leerkrachten voor wie deze taak is weggelegd is Margit Pothoven, die een aantal jaar geleden na haar studie geschiedenis en opleiding tot docent op Unic terecht kwam.

Visueel ingesteld

Bij elektronisch leren horen elektronische bronnen. Pothoven maakt in haar geschiedenislessen dan ook veel gebruik van digitaal bronmateriaal. Digitale bronnen zijn voor Pothoven op veel verschillende manieren handig. De geschiedenisdocent gebruikt het liefst primaire bronnen, zoals historisch beeldmateriaal: "Ik vind spotprenten en foto’s heel interessant". Daarnaast gebruikt ze regelmatig korte filmpjes. Volgens Pothoven kan dit soort beeldmateriaal leerlingen een goede indruk geven van de tijdsperiode: "Als het bijvoorbeeld over de wereldoorlogen gaat, of over modernere geschiedenis, dan vind ik dat belangrijk". Goede beeldbronnen maken het voor leerlingen makkelijker om zich in het verleden te kunnen inleven, vertelt Pothoven.

Bovendien kan het gebruik van historisch beeldmateriaal soms voor een beetje variatie zorgen. En: digitale bronnen zoals afbeeldingen of filmpjes zijn erg geschikt voor de visueel ingestelde scholier van tegenwoordig. Pothoven: "Filmpjes tussendoor werken heel goed om hun aandacht er beter bij te kunnen houden". Bij het bronmateriaal bedenkt Pothoven verschillende opdrachten: "Als het bijvoorbeeld gaat om spotprenten, dan krijgen de leerlingen een lijstje met spotprenten die ze moeten analyseren of waar ze vragen over moeten beantwoorden". Of leerlingen moeten zelf vragen bij de afbeeldingen bedenken, vertelt Pothoven.

Spotprent 'Kangoeroe-politiek: hooge sprongen met een leege buidel' (Bron: NIOD Beeldbank WO2)

Praktische bezwaren

Welk bronmateriaal geschikt is hangt van veel factoren af. Ten eerste gebruikt Pothoven niet bij elke klas dezelfde type bronnen. Voor een vwo-klas zijn ingewikkelde bronnen bijvoorbeeld geschikter dan voor een havo-klas. Daarnaast moet de bron een goede aansluiting zijn op het onderwerp dat Pothoven in de les behandelt: "Het moet echt een goede weerspiegeling [van het onderwerp, red.] zijn, een goede ondersteuning van het verhaal dat ik heb. Of van iets dat ze moeten leren". Een bron moet dus duidelijk in functie van de les staan. En hoewel Pothoven soms bronnen vertaalt, zijn ook Engelstalige bronnen lastig. Het begrijpen van het Engels is voor de leerlingen immers niet iets dat ze tijdens de geschiedenisles hoeven te leren. Tot slot moeten bronnen natuurlijk makkelijk te gebruiken zijn. Digitale bronnen moeten bijvoorbeeld makkelijk te kopiëren zijn en, als het om een filmpje gaat, makkelijk af te spelen zijn, vertelt Pothoven.

Waar vindt Pothoven bronnen die aan de bovenstaande criteria voldoen? "Het is soms wel moeilijk hoor, om goede bronnen te vinden. Bronnen zijn vaak niet echt centraal te vinden. Je blijft dan maar zoeken op verschillende sites." Het zou volgens haar makkelijker zijn als geschikte bronnen beter gebundeld staan, gecategoriseerd op periode en onderwerp: "Dat maakt je werk gewoon een stuk makkelijker". Pothoven is niet de enige docent die moeite heeft met het vinden van goede bronnen. Ook collega’s vinden dit moeilijk, vertelt ze. Het zoekproces kost veel tijd. En tijd is nu eenmaal niet iets waar een docent op een middelbare school veel van heeft.

Unic

Multimediawijs

Het vinden van goede en bruikbare digitale bronnen is dus niet altijd makkelijk. Zelfs niet voor een docent. En de leerlingen zelf? Hoe leren zij met digitaal bronmateriaal om te gaan? Om je weg te kunnen vinden in een multimediamaatschappij moet je immers eerst vaardigheden aanleren die je multimediawijs maken. In een schoolboek is een tekst of een foto al kritisch bekeken door de auteur of de uitgever – op het internet moet je dit zelf doen. Daarom vraagt Pothoven de leerlingen weleens om op het internet zelf historische bronnen te zoeken, bijvoorbeeld één primaire bron en één secundaire bron. Richtlijnen over websites of beeldbanken krijgen ze niet, ze moeten gewoon zelf gaan zoeken. Vervolgens moeten de leerlingen de gevonden bronnen beoordelen aan de hand van een aantal elementen. Pothoven: "Locatie, maker, tijd en doel van de bron". Op die manier leren leerlingen kritisch naar hun zelfgezochte digitale bronnen te kijken, op hun eigen laptop.

En komen de leerlingen weleens vanachter hun laptop vandaan om bronnen in een museum of archief te bekijken? "Ja", zegt Pothoven. Als het bijvoorbeeld over de Gouden Eeuw gaat, wordt er een bezoek aan het Rijksmuseum gepland. En de docent zelf? Die pakt zelf ook nog af en toe een papieren boek. Om door te lezen, en ook wel eens om mooi bronmateriaal voor in de les te zoeken, foto’s bijvoorbeeld. Pothoven: "Maar het is handiger natuurlijk als dat lekker digitaal is".