Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Archief van H. Halberstadt. Henri (Harry) Halberstadt, geboren Amsterdam 10 februari 1911 – overleden Overveen 1 juli 1943. Pseudoniem Fred van Hall. Verzetsdeelnemer. Gehuwd met H.E. (Riek, Riekel) Halberstadt-Spruit (na hertrouwen Verbaan-Spruit), Rotterdam 21 februari 1920 - Varsseveld 3 juni 2006. Geen kinderen. Harry Halberstadt gold als half-Jood, omdat zijn vader Joods was. Het gezin waar hij uit voortkwam, was als volgt samengesteld: Salomon Halberstadt (1881-1927, vader), Johanna Antonetta Kruijt (1882-1963, moeder), kinderen: Eugenie Margaretha (1907-1997), Henri (1911-1943), Felix (1913-1997) en Dirk (1917-1967). Harry Halberstadt was een aankomend dichter en tekstschrijver. Onder het pseudoniem Fred van Hall schreef hij vanaf 1932 gedichten en later ook hoorspelen. Bij het uitbreken van de oorlog woonde hij in de Amsterdamse Okeghemstraat. Hij was nog ongehuwd en werkte als magazijnbediende en ‘incassadeur’ in een tandtechnisch bedrijf. Hij was lid van de Luchtbeschermingsdienst. Al bij de Duitse inval besloot hij tot verzet over te gaan. Hij begon zijn verzetswerk in 1940 met het verspreiden van illegale geschriften, waaronder tegen de bezetter gerichte gedichten (zoals ‘Ballade van het neergeschoten vliegtuig’ en ‘Slavernij’) en novellen (zoals ‘Jan Jacob zoekt den zin van het leven’, zijn laatste werk). Samen met Karl Gröger plakte hij de gedichtjes in Amsterdam op muren en in trams. In 1941 nam hij deel aan de Februaristaking. Hij probeerde de productie van Duitse ondernemingen te stoppen. Op 23 april 1941 trouwde hij met Riekel Halbertsma-Spruit, een niet-Joodse Rotterdamse. Wellicht speelde daarbij een rol, dat per 23 maart 1942 ‘gemengd’ huwelijken’ verboden werden en dit huwelijk hem als half-Jood enige bescherming tegen vervolging bood. Vanaf 3 augustus 1942 werd onder zijn leiding het anti-Duitse blad ‘Rattenkruid’ uitgegeven – eerst wekelijks als stencil, later twee-maandelijks gedrukt in een oplage van tweehonderd exemplaren – waarin werd opgeroepen tot verzet, maar ook praktische aanwijzingen werden gegeven. In totaal verschenen zeventien nummers. Samen met de ‘Rattenkruidjongens’ Rudolf (Rudi) Bloemgarten en Karl Gröger nam hij op 15 maart 1943 deel aan een aanslag op de spoorlijn bij Amsterdam-Sloterdijk, waarbij springstof werd gebruikt. Halberstadt verschafte daarnaast onderdak en voedsel aan illegale werkers en al dan niet Joodse onderduikers. In maart 1943 was hij betrokken bij de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister. Als lid van de groep Arondéus hielp hij om het plan voor de aanslag te smeden, maar hij behoorde op 27 maart 1943 niet tot de overvallers. De onvoorzichtige voorbereiding leidde op 12 april 1943 tot de arrestatie van de meesten van hen en ook van Halberstadt. In eerste instantie wordt ook R. Halberstadt-Spruit gearresteerd, mogelijk als ‘echtgenote van’. Zij werd binnen korte tijd vrijgelaten. Halberstadt verscheen voor het SS- und Polizeigericht, in het Koloniaal Instituut (tegenwoordig Tropeninstituut) in Amsterdam. Tijdens de rechtszaak bleek hij door de wekenlange, uitputtende verhoren “totaal uitgeput”, aldus W. Arondéus: hij maakte een ‘absolute Haftpsychose’ door. Arondéus: ‘Hij kan niet staan, lopen, zitten, beeft, heeft overal pijn, kijkt met grote angstige ogen rond, praat verward en op verkeerde momenten, is doodsbang om gefusilleerd te worden, zoekt aldoor hulp en steun bij de Moffen en praat voortdurend en tegen iedereen Duits.’ Halberstadt-Spruit bracht de SS onder de aandacht, dat hij als gevolg van verwaarlozing in zijn jeugd psychische problemen had - tevergeefs. Vanwege het vervaardigen van ‘Rattenkruid’ en zijn aandeel in de spoorwegaanslag werd hij op 18 juni 1943 ter dood veroordeeld. Met andere veroordeelden uit de groep Arondéus werd hij in een dubbele cel van het Huis van bewaring aan de Amsterdamse Weteringschans vastgezet. Negen dagen later werd hun gratieverzoek afgewezen. De laatste nacht werd wakend doorgebracht, in aanwezigheid van een predikant. In een laatste bericht schreef Halberstadt: ‘Ik weet, dat ik den eeuwigen vrede tegemoet ga. Ik vertrouw op God.’ Op 1 juli 1943 werden deze leden van de groep Arondéus, waaronder Harry Halberstadt, in de duinen bij Overveen geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf begraven. Op 18 juli 1945 werd het graf gevonden (grafkuil VI). In de loop van augustus werden de overblijfselen geïdentificeerd door de nabestaanden, waaronder Halberstadt-Spruit. In het najaar van 1945 zijn de stoffelijke resten herbegraven op de Erebegraafplaats Overveen in Bloemendaal (graf 18). De tekst op Halberstadts grafsteen is van Stefan Zweig: ‘Nur der sich ganz verliert ist sich gegeben.’ In 1953 kreeg het voormalige Bevolkingsregister in Amsterdam een gedenksteen, waarmee ook Harry Halberstadt gememoreerd wordt. In het archief bevindt zich uitgebreide correspondentie, waaronder zijn afscheidsbrief. Voorts de Bijbel en de bundel Chinese gedichten, die hij in zijn laatste uren bij zich in zijn cel had. Voorts een jeugdalbum en enige losse portretten van zijn echtgenote en van hemzelf. Voorts een afschrift van de aanklacht.

Archief van H. Halberstadt. Henri (Harry) Halberstadt, geboren Amsterdam 10 februari 1911 – overleden Overveen 1 juli 1943. Pseudoniem Fred van Hall. Verzetsdeelnemer. Gehuwd met H.E. (Riek, Riekel) Halberstadt-Spruit (na hertrouwen Verbaan-Spruit), Rotterdam 21 februari 1920 - Varsseveld 3 juni 2006. Geen kinderen. Harry Halberstadt gold als half-Jood, omdat zijn vader Joods was. Het gezin waar hij uit voortkwam, was als volgt samengesteld: Salomon Halberstadt (1881-1927, vader), Johanna Antonetta Kruijt (1882-1963, moeder), kinderen: Eugenie Margaretha (1907-1997), Henri (1911-1943), Felix (1913-1997) en Dirk (1917-1967). Harry Halberstadt was een aankomend dichter en tekstschrijver. Onder het pseudoniem Fred van Hall schreef hij vanaf 1932 gedichten en later ook hoorspelen. Bij het uitbreken van de oorlog woonde hij in de Amsterdamse Okeghemstraat. Hij was nog ongehuwd en werkte als magazijnbediende en ‘incassadeur’ in een tandtechnisch bedrijf. Hij was lid van de Luchtbeschermingsdienst. Al bij de Duitse inval besloot hij tot verzet over te gaan. Hij begon zijn verzetswerk in 1940 met het verspreiden van illegale geschriften, waaronder tegen de bezetter gerichte gedichten (zoals ‘Ballade van het neergeschoten vliegtuig’ en ‘Slavernij’) en novellen (zoals ‘Jan Jacob zoekt den zin van het leven’, zijn laatste werk). Samen met Karl Gröger plakte hij de gedichtjes in Amsterdam op muren en in trams. In 1941 nam hij deel aan de Februaristaking. Hij probeerde de productie van Duitse ondernemingen te stoppen. Op 23 april 1941 trouwde hij met Riekel Halbertsma-Spruit, een niet-Joodse Rotterdamse. Wellicht speelde daarbij een rol, dat per 23 maart 1942 ‘gemengd’ huwelijken’ verboden werden en dit huwelijk hem als half-Jood enige bescherming tegen vervolging bood. Vanaf 3 augustus 1942 werd onder zijn leiding het anti-Duitse blad ‘Rattenkruid’ uitgegeven – eerst wekelijks als stencil, later twee-maandelijks gedrukt in een oplage van tweehonderd exemplaren – waarin werd opgeroepen tot verzet, maar ook praktische aanwijzingen werden gegeven. In totaal verschenen zeventien nummers. Samen met de ‘Rattenkruidjongens’ Rudolf (Rudi) Bloemgarten en Karl Gröger nam hij op 15 maart 1943 deel aan een aanslag op de spoorlijn bij Amsterdam-Sloterdijk, waarbij springstof werd gebruikt. Halberstadt verschafte daarnaast onderdak en voedsel aan illegale werkers en al dan niet Joodse onderduikers. In maart 1943 was hij betrokken bij de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister. Als lid van de groep Arondéus hielp hij om het plan voor de aanslag te smeden, maar hij behoorde op 27 maart 1943 niet tot de overvallers. De onvoorzichtige voorbereiding leidde op 12 april 1943 tot de arrestatie van de meesten van hen en ook van Halberstadt. In eerste instantie wordt ook R. Halberstadt-Spruit gearresteerd, mogelijk als ‘echtgenote van’. Zij werd binnen korte tijd vrijgelaten. Halberstadt verscheen voor het SS- und Polizeigericht, in het Koloniaal Instituut (tegenwoordig Tropeninstituut) in Amsterdam. Tijdens de rechtszaak bleek hij door de wekenlange, uitputtende verhoren “totaal uitgeput”, aldus W. Arondéus: hij maakte een ‘absolute Haftpsychose’ door. Arondéus: ‘Hij kan niet staan, lopen, zitten, beeft, heeft overal pijn, kijkt met grote angstige ogen rond, praat verward en op verkeerde momenten, is doodsbang om gefusilleerd te worden, zoekt aldoor hulp en steun bij de Moffen en praat voortdurend en tegen iedereen Duits.’ Halberstadt-Spruit bracht de SS onder de aandacht, dat hij als gevolg van verwaarlozing in zijn jeugd psychische problemen had - tevergeefs. Vanwege het vervaardigen van ‘Rattenkruid’ en zijn aandeel in de spoorwegaanslag werd hij op 18 juni 1943 ter dood veroordeeld. Met andere veroordeelden uit de groep Arondéus werd hij in een dubbele cel van het Huis van bewaring aan de Amsterdamse Weteringschans vastgezet. Negen dagen later werd hun gratieverzoek afgewezen. De laatste nacht werd wakend doorgebracht, in aanwezigheid van een predikant. In een laatste bericht schreef Halberstadt: ‘Ik weet, dat ik den eeuwigen vrede tegemoet ga. Ik vertrouw op God.’ Op 1 juli 1943 werden deze leden van de groep Arondéus, waaronder Harry Halberstadt, in de duinen bij Overveen geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf begraven. Op 18 juli 1945 werd het graf gevonden (grafkuil VI). In de loop van augustus werden de overblijfselen geïdentificeerd door de nabestaanden, waaronder Halberstadt-Spruit. In het najaar van 1945 zijn de stoffelijke resten herbegraven op de Erebegraafplaats Overveen in Bloemendaal (graf 18). De tekst op Halberstadts grafsteen is van Stefan Zweig: ‘Nur der sich ganz verliert ist sich gegeben.’ In 1953 kreeg het voormalige Bevolkingsregister in Amsterdam een gedenksteen, waarmee ook Harry Halberstadt gememoreerd wordt. In het archief bevindt zich uitgebreide correspondentie, waaronder zijn afscheidsbrief. Voorts de Bijbel en de bundel Chinese gedichten, die hij in zijn laatste uren bij zich in zijn cel had. Voorts een jeugdalbum en enige losse portretten van zijn echtgenote en van hemzelf. Voorts een afschrift van de aanklacht.
Type
  • Object
Blijf tweewekelijks op de hoogte
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media