Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Rooms-katholieke parochie van Sint Willibrordus te Utrecht

Rooms-katholieke parochie van Sint Willibrordus te Utrecht
Lijst van primarii/pastoors van de statie St. Servaas Onder de Linden na het vertrek van de dominicanen in 1659 C. Velthuijzen L. Stoock J.B. Verhoef W. Bouwmeester M.L. Morsland N. Hollander I. Peijsselman D.F. Koetsruiter B.J. Schemming J.F. Groothuis H.W. Jansen S.H. Meuleman
Algemeen De katholieke kerk in de Nederlanden in de zestiende eeuw Algemeen De hervormingsbeweging won in de Nederlanden in de eerste helft van de zestiende eeuw snel terrein. De voortdurende godsdienstige en sociale onrust die hieruit voortkwam, verschafte aan Karel V en Philips II in het kader van hun politiek van centralisatie en ondersteuning van de Contra-Reformatie extra argumenten voor een herziening van de kerkelijke indeling. Bestrijding van ketterij en afschaffing van misbruiken binnen de katholieke kerk vereisten naar hun mening een betere interne organisatie en een nauwere relatie tussen wereldlijk en kerkelijk gezag. Het concordaat van 1559 met paus Paulus IV gaf Philips II zijn zin. Via de pauselijke bul 'Super Universas', gedateerd 12 mei 1559, werden de Nederlanden kerkelijk ingedeeld in de drie aartsbisdommen Utrecht, Mechelen en Kamerijk. De grenzen hiervan vielen grotendeels samen met die van de zeventien Nederlandse gewesten, wat paste in de bedoeling van Philips om zijn onderdanen in de Nederlanden te plaatsen onder inheemse (aarts)bisschoppen. De kerkprovincie werd verder onderverdeeld in achttien bisdommen. Utrecht kreeg als suffraganen Haarlem, Middelburg, Deventer, Groningen en Leeuwarden, en omvatte dus ruwweg de Noordelijke Nederlanden. De grenzen der bisdommen werden nauwkeurig omschreven in circumscriptiebullen (bullae limitum) van 11 maart 1561 en 7 augustus 1561. De bisschoppen werden benoemd door de landsheer. Om hun inkomsten te waarborgen werden alle bisschoppen tot abt van een abdij benoemd, waarvan ze de inkomsten als bisschoppelijk tafelgoed kregen toegewezen. Met deze maatregelen werd de macht van zowel de adel als de lokale geestelijkheid op het kerkelijk bestuur beknot. Tot aartsbisschop van Utrecht werd benoemd Frederik baron Schenck van Toutenburg, aartsdiaken van het kapittel van St. Pieter De Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 112, 114-116; Leeuwenberg, Kerkelijke instellingen, 27; Nolet-Boeren, Kerkelijke instellingen, 80-83. . Deze hervorming leidde haast vanzelfsprekend tot verzet van de verschillende belangengroepen (abdijen, kapittels, adel). Het optreden van Alva, bedoeld als steun, maakte het er voor de bisschoppen niet beter op. Behalve tegen deze bestuurlijke hervorming bestond bij de geestelijkheid ook grote weerstand tegen de pogingen om hen te onderwerpen aan disciplinaire maatregelen in de sfeer van het concilie van Trente (1545-1563). Het uiteindelijke gevolg was dat de reorganisatie dermate werd vertraagd, dat in de Utrechtse kerkprovincie de nieuwbenoemde bisschoppen alleen te Haarlem en Utrecht hun zetel konden innemen Leeuwenberg, Kerkelijke instellingen, 28. . Nog voordat de nieuwe organisatie haar beslag kon krijgen, frustreerden de gebeurtenissen tijdens de Opstand in de Noordelijke Nederlanden verder elk katholiek streven om door interne hervormingen de bestaande positie te behouden en zo mogelijk te versterken. Vanaf 1572 stortte de katholieke kerkstructuur hier vrijwel volledig ineen. De nieuwe calvinistische bewindhebbers maakten de calvinistische kerk tot publieke kerk. De katholieke eredienst werd geleidelijk overal verboden; het eerst in Holland in 1573, Utrecht volgde in 1580. Toen Schenck van Toutenburg in augustus 1580 overleed, betekende dit dat er voor lange tijd een einde was gekomen aan het vrij en ongehinderd functioneren van een katholieke kerkelijke hiërarchie in dit gebied. Het bestuur over het aartsbisdom ging volgens de bepalingen van het kerkelijk recht over op het domkapittel, dat haar deken Johannes van Bruhezen aanwees als kapittelvicaris sede vacante. Deze benoeming was echter weinig relevant. De Spaansgezinde en fanatieke Bruhezen, die principieel weigerde tussen ketters te wonen, was al in 1579 naar Keulen uitgeweken en had geen ambitie om terug te keren. Zijn belangrijkste bestuursdaad was het overdragen van zijn bevoegdheden aan Sasbout Vosmeer door deze in 1583 te benoemen tot vicaris-generaal De Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 160. . De katholieke kerkorganisatie bevond zich ondertussen in staat van ontbinding, welk proces nog was versterkt door het 'verraad' van Rennenberg. Deze had als stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe in 1579 de Unie van Utrecht ondertekend maar koos in maart 1580 de Spaanse zijde. Dit betekende feitelijk het einde van alle pogingen om tot compromissen als 'religievredes' en 'satisfacties' tussen protestanten en katholieken te komen. De katholieken zaten nu zonder ordelijke leiding, hun bezit werd genaast door de wereldlijke overheden, katholieke godsdienstoefeningen werden verboden (het katholieke geloof evenwel niet; in artikel xiii van de Unie van Utrecht werd de gewetensvrijheid vastgelegd) en geestelijken vluchtten, stopten met hun werk of werden predikant. Vosmeer kon aanvankelijk weinig meer doen dan vanuit zijn woonplaats Delft contact zoeken met priesters en parochianen in zijn omgeving De Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 160. . Vanuit Rome werden geleidelijk wel pogingen ondernomen om de katholieken binnen de opstandige gewesten weer onder geordende éénhoofdige leiding te brengen, aanvankelijk nog met de hoop op een snel herstel van de hiërarchie. Met dat doel werd in 1584 te Keulen (vanaf 1596 te Brussel) een nuntius geplaatst, een pauselijk gezant met grote volmachten die de zorg kreeg voor de rooms-katholieke kerk in de Noordelijke Nederlanden. De nuntius Bonomi (1585) delegeerde reeds een deel van zijn bevoegdheden aan Vosmeer. Deze bestonden uit: 1e het toezicht en de uitoefening van een zo uitgebreid mogelijk gezag over de geestelijken, ook in kloosters, 2e het dispenseren in de meeste huwelijksbeletselen, 3e het woord Gods privatim door leken doen onderwijzen en 4e het gebruik van een draagaltaar. Zijn opvolger Frangipani kreeg in 1592 uitgebreide bevoegdheden met het verlof deze in subdelegatie aan Vosmeer over te dragen. Pogingen om Vosmeer tot aartsbisschop van Utrecht benoemd te krijgen mislukten echter. Wel werd hij in 1602 gewijd tot aartsbisschop van Philippi in partibus infidelium Een bisschop i.p.i. was titulair bisschop van een al of niet tijdelijk verloren gegaan bisdom, vanouds een vast gebruik om niet-residerende bisschoppen een titel te geven. Hij is theoretisch ordinarius in een diocees, dat de jure nog bestaat, maar de facto niet meer kan worden bestuurd. De bisschop i.p.i. had dus wel wijdingsmacht. . Voornaamste reden was dat Rome zowel Philips II (die in 1592 Bruhezen tot aartsbisschop benoemde, wat door Rome echter nooit werd bekrachtigd) als de overheid van de Republiek niet te zeer voor het hoofd wilde stoten. Bovendien vond Rome de in de zestiende eeuw als onmisbaar en onverbrekelijk beschouwde eenheid tussen godsdienstig en wereldlijk bestuur te zwaar geschonden en achtte men herstel daarvan op korte termijn onwaarschijnlijk. Rome was derhalve de Nederlanden als missiegebied gaan beschouwen. Vosmeer werd daarom geen ordinarius (met potestas ordinaria) maar ontving zijn bestuursmacht vanaf 1592 in subdelegatie van de paus (potestas delegata). Hij werd daarmee de eerste apostolisch vicaris in het door de ketters veroverde missiegebied Nederland, de Missio Hollandica (of Batava) ofwel de Hollandse Zending Leeuwenberg, Kerkelijke instellingen, 28-29. . Utrecht Het protestantisme had op de bevolking van het gewest Utrecht gedurende de eerste helft der zestiende eeuw nog maar weinig vat gekregen. Dit bleek in 1566. Ook de stad Utrecht kende in dat jaar weliswaar een beeldenstorm, maar het getal der calvinisten bleek zo klein dat de hen in paniek overgedragen Jacobikerk al zeer snel werd teruggenomen. Het gewest was daarnaast loyaal aan de koning. Het optreden van Alva wist dit echter binnen enkele jaren grondig te veranderen. Er groeide nu een 'anti-Spaans katholicisme'. Het gewest tekende in 1576 de Pacificatie van Gent en in 1577 kwam het met Oranje een 'satisfactie' overeen waarmee het zich bij de Opstand aansloot onder garantie van Oranje dat de katholieke godsdienst niet zou worden 'behinderd'. In 1579 sloot het zich tevens aan bij de Unie van Utrecht. Het calvinisme binnen de stad Utrecht groeide echter snel in kracht, en de stad werd 'in stappen' geprotestantiseerd. Al sinds 1577 predikte één der pastoors van de Jacobikerk, Hubertus Duifhuis, in protestantse geest. De gematigde Duifhuis was een favoriet van Oranje en zijn optreden werd getolereerd door de Raad, hoewel dit tegen de bepalingen van de satisfactie in ging. In 1578 hervatten de calvinisten hun prediking in de stad, eveneens in strijd met de satisfactie. Ook hiertegen trad de Raad niet op. Toen Duifhuis later in 1578 echter officieel toestemming vroeg voor zijn prediking, kon de Raad deze niet geven daar ze in strijd was met de Pacificatie van Gent. Duifhuis verliet vervolgens de stad. Kort daarop voerde de Raad echter het door Oranje gelanceerde plan tot godsdienstvrede in (zonder dit met name te noemen). Duifhuis werd nu verzocht om terug te keren en kreeg bovendien bescherming. De radicale calvinisten (consistorialen) 'kraakten' vervolgens de leegstaande Minderbroederkerk; de Raad greep niet in en liet de kerk zelfs voor de calvinistische eredienst inrichten. In januari 1579 kondigde de Raad de zogenaamde 'Utrechtse religievrede' af, die neerkwam op een aanpassing in calvinistische richting van de satisfactie en officiële erkenning van zowel 'duifhuisianen' als 'consistorialen': de Minderbroederkerk en de Jacobikerk werden gereformeerd, de katholieken behielden de kapittelkerken, de kloosterkerken en de resterende parochiekerken, en beide gezindten kregen gelijke rechten op het bekleden van ambten. In juni ging de Raad in op de calvinistische eis om de dominicanen het prediken te verbieden, en na (katholiek) volksverzet werd hun op 10 juni 1579 aangezegd de stad te verlaten. Na een tweede beeldenstorm in de nacht na de verbanning der dominicanen volgde op 15 juni een nieuw akkoord: er kwam een processieverbod en de calvinisten kregen behalve de Jacobikerk (Duifhuis) en de Minderbroederkerk nu ook de Buurkerk en de Nicolaaskerk. De predikherenkapel en de Geertekerk (en de klooster- en kapittelkerken) bleven katholiek. Het akkoord hield stand tot maart 1580. Een derde zeer heftige beeldenstorm op 7 maart na het 'verraad' van Rennenberg had tot gevolg dat de burgerhoplieden de Raad opdroegen om alle katholieke godsdienstoefeningen te verbieden, wat op 18 maart gebeurde. Dit besluit werd door Oranje op 23 maart teruggedraaid. Na een reeks schermutselingen verbood de Raad de katholieke godsdienstoefeningen op 14 juni opnieuw. De Staten van Utrecht weigerden de maatregel van de Raad te aanvaarden, waarop de stad dan ook op eigen initiatief de 18de juni een ordonnantie afkondigde 'tegens de exercitie van de Roomsche Religie en het dragen van geestelijke klederen' Rogier, Geschiedenis, 2, 393 e.v.; Struick, Utrecht, 174 e.v.; Boukema, De katholieken, 177. . Op 26 augustus 1581 werd het verbod bij plakkaat van het Hof van Utrecht nog eens herhaald, echter met de bepaling dat de aanwezige pastoors mochten blijven bedienen, 'sonder die Gereformeerde Religie in eeniger manieren te blameren, ofte te lasteren, ofte yetwes te seggen, dat tot vorderinge van de Roomsche Religie zoude mogen strekken'; ook mochten ze blijven dopen, doch enkel met de 'ceremoniën [.] dan bij onsen Heere Jesu Christo ingesteld zijn' Van de Water, Placaatboek, I, 350-351. . Vanaf deze periode was het katholicisme binnen de stad Utrecht dus gedwongen 'ondergronds' te opereren. De periode der Hollandse zending Algemeen Vosmeer en zijn opvolgers hebben bij voortduring getracht aartsbisschop van Utrecht te worden. Tevergeefs; meer dan de positie van apostolisch vicaris (pauselijk plaatsvervanger) zat er niet in. Wel werden ze gewoonlijk gewijd tot aartsbisschop van een gebied i[n] p[artibus] i[nfidelium]. Als eerste gebeurde dit met Vosmeer, die in 1602 werd gewijd tot aartsbisschop van Philippi. Dit verschafte hen wijdingsmacht, en betekende tevens dat ze hun bevoegdheden niet langer in sub-delegatie van de nuntius ontvingen, maar rechtstreeks van de paus. Deze bevoegdheden waren, met name in de beginperiode der Zending, niet duidelijk afgepaald. Het antwoord van de paus op een verzoek van Vosmeer tot duidelijkheid in dezen getuigt hiervan: 'doe in Uw gebied, wat ik er zou doen, indien ik er was'. Wel bevestigde paus Clemens VIII in 1603 de eerder door Frangipani aan Vosmeer gegeven bevoegdheden, en vermeerderde deze met de bevoegdheid tot het vergeven van beneficiën Rogier, Geschiedenis, 3, 499-501. . Het streven van de apostolisch vicarissen werd verder gefrustreerd doordat hun gebied in 1622 werd ondergebracht bij de in dat jaar opgerichte Congregatio de Propaganda Fide, het missiedepartement van de Heilige Stoel voor de nieuwe wereld, maar tevens belast met het kerkelijk bestuur over de landen waar de katholieke godsdienst was verboden. Het missen van de volle potestas jurisdictionis (bestuurs- en rechtsmacht) van een ordinarius zou de apostolisch vicarissen vooral gaan opbreken bij hun pogingen om de reguliere missionarissen onder de duim te houden Placidus, 'Twee verslagen', 224. . De nuntius werd de verbindingsman tussen de apostolisch vicaris en de Congregatio Van Schaik, Katholiek Nederland en de Paus, 10. . De interne organisatie van de Zending was vooral het werk van Vosmeers opvolger Philippus Rovenius (1614-1651). Hij completeerde de al onder Vosmeer begonnen indeling in aartspriesterschappen. Aanvankelijk waren nog provicarissen aangesteld als vervangers van de diocesane bisschoppen, wat paste in de idee om de Zending in te richten als directe voortzetting van de oude bisschoppelijke indeling. De functie van provicaris werd echter al vroeg naar de achtergrond verdrongen door die van aartspriester, te vergelijken met de voormalige deken. De titel van aartspriester was tijdens de Zending echter zonder kerkrechtelijke betekenis; ze gaf enkel aan dat de drager binnen een zeker gebied toezicht uitoefende en in bepaalde gevallen optrad als tussenpersoon tussen de apostolisch vicaris en de staties (zendingsposten ter vervanging van de voormalige parochies, zie onder). Hun bevoegdheden lagen ten tijde van de apostolisch vicarissen uitsluitend op het administratief-intermediaire vlak Rogier, 'Aartspriesterschappen', 129-161. . In 1633 creëerde Rovenius het vicariaat van Utrecht, een college van geestelijken voornamelijk gerecruteerd uit de Utrechtse kapittels, dat naast het adviseren van de apostolisch vicaris bij zijn bestuur, taken op het gebied van administratie en beheer vervulde. Tevens voerde het vicariaat het beheer over het Collegium Alticollense, de in 1602 door Vosmeer opgerichte priesteropleiding te Keulen. Het college nam later de naam aan van 'metropolitaan kapittel' De Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 208. , en usurpeerde tevens de rechten van een dergelijk college Rogier, Geschiedenis, 3, 565. . Met het verdwijnen van de bisschoppelijke hiërarchie was ook de kerkrechtelijke basis aan het bestaan van de parochies ontvallen. De zielzorg vond voortaan plaats door missionarissen of pastoors, bijgestaan door kapelaans, vanuit zogeheten staties of zendingsposten, standplaatsen van priesters behorende tot een apostolische missie i.p.i. Deze staties bestonden doorgaans uit weinig meer dan een (schuil)kerkje of kapelletje met een pastorie, en het geheel mocht als zodanig niet herkenbaar zijn. Het eigendom stond vaak op naam van een kapitaalkrachtige particulier. Het werkgebied van de diverse staties was niet duidelijk afgegrensd, van formele grenzen was geen sprake. Een vast omschreven en van boven goed gecontroleerde interne organisatie bestond evenmin. Van aanvang af waren er zowel seculiere als reguliere staties. Aan het hoofd van een seculiere statie stond een pastoor benoemd door de apostolisch vicaris (na 1727 door de internuntius en na 1815 door de aartspriester). De term pastoor voor de 'missionarius primarius' (hoofd van de statie) bleef dus gehandhaafd, hoewel de kerkrechtelijke betekenis ervan was weggevallen. Hetzelfde gold voor de term kapelaan. De reguliere priesters werden benoemd door de oversten van hun orden. De pastoor was binnen de statie de figuur om wie alles draaide. Als voorheen was zijn centrale taak de zielzorg. Hij had geen vast inkomen, wat zijn positie op dit gebied nogal onzeker maakte. De inkomsten waren van drieërlei aard: offers op zon- en feestdagen en andere dagen waarop er gepreekt en gecollecteerd werd, biechtpenningen en ontvangsten wegens verschillende diensten als het branden van kaarsen, het uitvoeren van huwelijksplechtigheden etc. Hij werd bijgestaan door een (of bij grote staties twee) kapelaan(s) en voor de meer stoffelijke aangelegenheden door een aantal kerkmeesters. Pastoor Ydama van de statie St. Martinus in de Achter Twijnstraat (achttiende eeuw) noemt acht kerkmeesters het voor een statie 'gewone' aantal. Zij collecteerden tevens jaarlijks voor de lasten, het onderhoud en de reparatie van kerk en pastorie Archief parochie H. Martinus, inv.nr. 78. . Een belangrijke rol binnen de staties was verder weggelegd voor de 'klopjes', ongehuwde vrouwen die hun leven in dienst van de kerk stelden; zij zorgden voor de priesters en het kerkinterieur, de voorbereiding van de mis, en hielden soms een schooltje ten behoeve van het catechismusonderwijs. Ze waren religieuzen noch leken. Vaak legden ze een privé-gelofte van zuiverheid af. In de steden vormden ze een eigen gemeenschap onder leiding van een priester-overste en een 'moeder'. Vanwege de vervolgingen ondervond het werk vanuit de staties vaak moeilijkheden, met name in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Maar geleidelijk ontwikkelde zich een stelsel van conniventie, 'betaald oogluiken'; tegen betaling van zogeheten recognitiegelden liet men priesters en schuilkerken ongemoeid. Dit stelsel bleef tot het eind van de achttiende eeuw in gebruik. Over het algemeen was de situatie van de katholieken er een van vreedzame onderdrukking. Zoals al vermeld waren in de Zending van meet af aan naast de resterende seculiere geestelijkheid ook reguliere missionarissen actief, met name jezuïeten, dominicanen en augustijnen. Al spoedig ontstonden spanningen tussen beide groepen. De regulieren beschouwden hun activiteiten als een voorbereiding op de terugkeer naar hun oude kloostervestigingen. Onder de seculieren bleef de gedachte aan de oude hiërarchie levend. Men zag de apostolisch vicaris als ordinarius, dus als aartsbisschop van Utrecht. Deze zag zichzelf ook als de feitelijke ordinarius van Utrecht, die enkel om politieke redenen geen aartsbisschop was. De regulieren daarentegen beschouwden de Zending als een pure missiekerk onder direct toezicht van paus en Congregatio. Aan de fungerende parochiegeestelijkheid stoorden ze zich niet, en met een beroep op hun directe uitzending door hun oversten te Rome trachtten ze zich aan de bestuursmacht van de apostolisch vicaris te onttrekken. Een 'concordia' in 1624 (pauselijk bevestigd in 1626) waarbij de regulieren onder de jurisdictie van de apostolisch vicaris werden geplaatst met een beroepsmogelijkheid bij de nuntius bood geen afdoende oplossing De Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 208. . Het kerkpolitieke conflict over competentiegrenzen bleef voortsukkelen en was in de tweede helft van de zeventiende eeuw vermengd en uitgebreid geraakt met de theologische discussie over het werk van Cornelius Jansenius, dat door Rome als ketters werd veroordeeld. Dit bracht de apostolisch vicaris Petrus Codde (1688-1704) in conflict met Rome. Codde weigerde, overigens op formele gronden, de door de paus geëiste eed tegen het Jansenisme af te leggen; dit, en het feit dat Codde zich op theologisch gebied richtte naar 'verdachte' Franse en Leuvense raadgevers, verschafte aan met name de jezuïeten voedsel voor een stroom van klachten richting Rome over de invloed van het Jansenisme binnen de Zending. Uiteindelijk werd Codde in 1702 geschorst en in 1704 definitief afgezet. De moeilijkheden waren hiermee niet voorbij. Anti-Romeinse gevoelens, met name bij het vicariaat van Utrecht (metropolitaan kapittel), deden met steun van de Staten van Holland verscheidene benoemingen door Rome mislukken. In 1723 koos het kapittel op eigen houtje, dus buiten Rome om, Cornelis Steenoven tot aartsbisschop van Utrecht. In 1724 werd hij gewijd door de Franse missiebisschop Dominique Varlet. Excommunicatie was het logisch gevolg, en een schisma een feit. De aanhangers van de aartsbisschop noemden zich de rooms-katholieken van de Oud Bisschoppelijke Cleresie (vanaf 1889 Oud Katholieke Kerk). Met deze naam gaven ze aan dat door hen het oude aartsbisdom Utrecht met al haar rechten, zowel in kerkrechtelijk als theologisch opzicht, werd voortgezet. De groep was door de onwrikbare houding van Rome aanvankelijk tamelijk groot, doch uiteindelijk bleef rond het Utrechts vicariaat een vrij kleine groep over. Rond 1750 behoorde nog slechts één op de twintig katholieken tot de Cleresie. Aan de later door Rome benoemde apostolisch vicarissen werd stelselmatig door de Staten van Holland de toegang geweigerd. Hierdoor en omdat Rome geleidelijk aan genoeg had van het instituut apostolisch vicaris, plaatste het de Zending in 1727 onder de leiding van de internuntius te Brussel die werd aangewezen als vice-superior. De nuntii, veelal van buitenlandse afkomst en bovendien tot 1778 uit de Republiek geweerd, kenden hun gebied enkel uit schriftelijke verslagen. Dit had ten eerste tot gevolg dat de parochies nog zelfstandiger werden dan ze al waren; toezicht op hun administratie bestond nu niet of nauwelijks meer. De reguliere zielzorgers wensten aan seculiere geestelijken al in het geheel geen verantwoording af te leggen. Ten tweede kregen de aartspriesters, zelf gewone pastoors en aanvankelijk weinig meer dan een soort streekcorrespondenten, steeds meer de gelegenheid tot eigenmachtig optreden; daarbij nam het werken aan vergroting van hun eigen invloed en zelfstandigheid een voorname plaats in. In bestuurlijk opzicht werden hun takenpakket en bevoegdheden uitgebreid: het voorbereiden en uitvoeren van overplaatsingen van geestelijken binnen het district, het houden van visitaties en het naar aanleiding hiervan uitbrengen van verslag, de advisering aan en het uitvoeren van bevelen van de nuntius (vice-superior), het verlenen en verlengen van dispensaties en het wijden van liturgische voorwerpen. Verder af en toe bijzondere bevoegdheden als het afgeven van aflaatbrieven en het wijden van kerken. De nuntius Ciamberlani delegeerde aan hen in het begin van de negentiende eeuw zelfs de pastoorsbenoemingen Leeuwenberg, Aartspriesters, 8-9. . Hoewel hun invloed niet moet worden overdreven (tegen sterke vice-superiores waren ze niet opgewassen), konden zij zich in de loop van de tijd toch ontwikkelen tot klerikale potentaatjes, die met name in de negentiende eeuw een obstruerende rol speelden. De eenheid van de Zending verviel steeds meer tot een aantal afzonderlijke groepen (eerst negen, later zeven), die meer naast elkaar dan met elkaar werkten. De onderlinge concurrentie, versplintering en 'kerktorenpolitiek' waren weinig bevorderlijk voor de katholieke zaak in Nederland Rogier, 'Aartspriesterschappen', 153-157. . In de loop van de achttiende eeuw werd de positie van de katholieken beter. De recognitiegelden werden afgeschaft en door de plaatselijke overheden werd toestemming verleend tot kerkbouw. De Bataafse Revolutie werd door de meeste katholieken verwelkomd. Met de scheiding van kerk en staat (en dus het einde der publieke kerk) in 1798 was hun emancipatie formeel een feit (de eigenlijke emancipatie liet nog wel even op zich wachten). Vanaf 1798 bestond de mogelijkheid tot restitutie van kerkgebouwen naar evenredigheid van de omvang der verschillende geloofsgroepen, maar boven de grote rivieren kwam van deze herverdeling weinig terecht. Na 1815 werd serieus gewerkt aan het inhalen van de achterstand op het gebied der kerkbouw. Aanvankelijk gebeurde dit vaak met architectonische hulp van waterstaatsingenieurs, werkend in neo-klassieke stijl met zware zuilenportieken als voorgevels. Deze stijl in kerkbouw wordt in de regel aangeduid als 'waterstaatsstijl'. Een voorbeeld hiervan in Utrecht is de St. Augustinuskerk aan de Oudegracht. Vanaf 1798 begon men met de oprichting van priesteropleidingen, in de vorm van zowel groot seminaries als klein seminaries. Vóór die tijd was men wat dit aangaat altijd van opleidingen in het buitenland afhankelijk geweest (Keulen, Leuven, Douai, Collegium Urbanum te Rome). Na de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden en de invoering van de grondwet van 1815 bleven de noordelijke provincies een missiegebied onder leiding van een vice-superior. De voormalige generaliteitslanden waren opgedeeld in een aantal apostolisch vicariaten. De grondwet verschafte de koning de mogelijkheid om diep in het kerkelijk leven in te grijpen, wat hij via het Departement voor de Rooms-Katholieke Eredienst dan ook deed. Een concordaat tussen Willem I en Rome in 1827 bleef een dode letter; van het belangrijkste voornemen, opsplitsing van het koninkrijk in twee kerkprovincies, Amsterdam en Mechelen, kwam door de Belgische opstand niets terecht. Omdat noch de vice-superior, noch de apostolisch vicarissen bisschoppelijke waardigheid hadden en binnen de landsgrenzen dus niemand bisschoppelijke taken kon uitoefenen, werd in 1832 als tussenoplossing C.L. baron van Wijckerslooth geconsacreerd tot bisschop van Curium i.p.i. en aangesteld als wijbisschop. In 1842 kregen vervolgens de apostolisch vicarissen de bisschoppelijke waardigheid i.p.i. Pogingen om te komen tot een definitief herstel van de bisschoppelijke hiërarchie mislukten tot 1853. Vanwege verdeeldheid kon geen unaniem plan worden ingediend. Daarbij kwam de obstructie van een deel van de zittende clerus (met name de aartspriesters), dat vond dat het zonder hiërarchie ook prima ging. Utrecht De eerste decennia na de plakkaten van 1580 en 1581 bevond ook de katholieke geloofsgemeenschap in Utrecht zich in gedesorganiseerde toestand. De openlijke uitoefening van hun godsdienst was hun verboden, het gebruik van de kerkgebouwen was hun ontzegd en de steun, leiding en controle van hogerhand waren hun ontvallen. De 'orde op de geestelijke goederen' (1586) voorzag in een regeling voor de secularisatie van de geestelijke en kerkelijke goederen in het gewest Utrecht. De vele broederschappen in de kerken van de stad Utrecht bleven in naam tot 1615 bestaan; toen werden ze opgeheven en hun inkomsten bestemd voor een tucht- en werkhuis. De inkomsten kwamen onder beheer van een rentmeester. De gelden werden uiteindelijk voor diverse doeleinden gebruikt, onder meer ten bate van de nieuwe Illustre School, later de Hogeschool Rogier, Geschiedenis, 2, 405-406; Muller, Bewaarde archieven, I, 23. . Desondanks kan met enige zekerheid worden aangenomen dat binnen de stad de katholieke zielzorg nooit geheel onderbroken is geweest. Veel seculiere geestelijken bleven er vertoeven en reeds vóór 1600 waren zowel jezuïeten (vanaf ca. 1592), als na hun verbanning in 1579 teruggekeerde dominicanen actief Rogier, Geschiedenis, 4, 772. . De aanvankelijke chaos in de katholieke kerkorganisatie blijkt wel uit het feit dat de eerste enigszins concrete gegevens over het aantal zielzorgers in de stad pas verschaft worden door verslagen van de apostolisch vicaris Philippus Rovenius. Zijn opgaven geven aan dat zelfs hij tot ver in de zeventiende eeuw een tamelijk onvolledig beeld van de situatie had. In 1616 noemt hij het getal van 40 priesters, van wie een deel actief was in de ambulante missie (zielzorg door rondtrekkende priesters/missionarissen); in 1617 noemt hij het getal van achttien, maar in 1622 weer ca. 40, met daarnaast een jezuïet en een dominicaan. De nuntius noemt in 1629 24 seculieren, drie jezuïeten, twee dominicanen en één augustijn. In 1638 noemt Rovenius het aantal van 25 seculieren, drie jezuïeten, twee dominicanen en twee augustijnen in de stadszielzorg, met verder twee vanuit Utrecht opererende seculieren in de ambulante missie Rogier, Geschiedenis, 4, 772-774. . De opgaven van 1629 en 1638 zullen gezien hun graad van overeenkomst en gezien latere gegevens de werkelijkheid tamelijk dicht benaderd hebben. Over het percentage van de bevolking dat katholiek gebleven was en door deze priesters werd bediend, ontbreekt het ons ook aan betrouwbare gegevens. Rond 1600 lijkt nog een meerderheid van de bevolking katholiek gebleven te zijn Struick, Utrecht, 199. , waaronder mogelijk de grote meerderheid van de bovenlaag Rientjes, 'Roomsche kerken', 256-257. . Rovenius schatte het aantal voor de provincie in 1616 op 1/3, maar deze schatting is vermoedelijk tamelijk laag Rogier, Geschiedenis, 4, 790-792. . Naar valt aan te nemen vond tussen 1613 en 1622 een daling plaats van het aantal katholieken naar ca. 1/3 van de bevolking, een aantal dat na 1622 tamelijk constant zou blijven Boukema, De katholieken, 179. . Van aanvang af waren in Utrecht in de zielzorg zowel seculieren als regulieren actief. Van beider staties volgt hier een overzicht. De eerste die het organisatorisch verband van de seculiere zielzorg in de stad (inclusief de 'buitenwijken'), voor zover dit mogelijk was, probeerde te herstellen was de apostolisch vicaris Sasbout Vosmeer. Hij verdeelde in 1611 de stad in acht parochies, waarvan vier binnen de stadswallen en vier daarbuiten. Tevens benoemde hij in deze parochies in datzelfde of het volgende jaar pastoors. De staties in de binnenstad (St. Nicolaas, St. Gertrudis, St. Marie Tenhemelopneming/Achter Clarenburg en St. Jacob) waren, wat hun namen en locaties ook wel doen vermoeden, bedoeld ter vervanging van de verloren gegane parochiekerken. Daarnaast formeerde Vosmeer buiten de stadswallen de parochies Buiten Wittevrouwen, Abstede/Buiten Tolsteeg, Buiten de Weerd en Buiten Catharijne Van Rijnsoever, St. Maarten, 18. . In 1623 stichtte Rovenius de statie St. Marie op de Kamp Rientjes, 'Roomsche kerken', 339. . Rond 1663 tenslotte kwam de statie St. Servaas in seculiere handen. Van deze seculiere staties kozen in het begin van de achttiende eeuw maar liefst zes de zijde van de Oud Bisschoppelijke Cleresie. Hoewel hun geschiedenis buiten dit bestek valt, volgen hier toch wat korte aantekeningen. De statie St. Nicolaas achter de Wal, ook wel 'bij de Lollestraat', 'bij de Latijnsche school' of 'bij 't Hieronymusschool' (Cellebroederstraat) kreeg in 1612 Joannes van Cuyck als pastoor. In 1797 werd de kerk gesloten; de gemeente werd verspreid over de andere kerken in de stad Rientjes, 'Roomsche kerken', 337-338; zie ook Röhner, DTB-registers, 19. . De statie St. Gertrudis in den Hoek (Mariahoek) was gevestigd in één der woningen van het kruispand van de kapittelkerk van St. Marie, na de hervorming gekocht door ene jonkvrouw Beatrix Duyst. In 1655 woonde 'paep Brienen, overste van de paepen die haer binnen deze stad ophouden [.] achter de Mariënkerk in de Besloten Hoeck met eenige kloppen.'. Opvolger van Van Brienen was Petrus Codde. In 1818 werd de parochie St. Gertrudis samengevoegd met die van St. Marie op de Kamp of Soli Deo Gloria (Nieuwegracht). De gemeente kerkt heden ten dage in de oud-katholieke kathedraal aan het Willemsplantsoen Rientjes, 'Roomsche kerken', 339-343; zie ook Röhner, DTB-registers, 18-19. . De statie St. Marie Tenhemelopneming, later parochie Maria Hemelvaart of Maria Minor (Achter Clarenburg), werd 'volgens oudere schrijvers' opgericht in 1608 ter vervanging van de Buurkerk Rientjes, 'Roomsche kerken', 344-345; zie ook Röhner, DTB-registers, 18. . De parochie werd vanaf 1970 bediend door dezelfde pastoor als de parochie St. Gertrudis. De statie van het Drakenburgsteegje aan de Neude voorzag in de zielzorg van het deel binnen de wallen van het oude kerspel van de Jacobikerk. De statie kreeg al in 1610 een pastoor in de persoon van Alexander van Axel. Het kerspeldeel buiten de wallen ressorteerde onder de ten tijde van de apostolisch vicaris De la Torre opgerichte (en van de statie in de Drakenburgsteeg afgesplitste) statie St. Jacob Buiten de Weerd, die ook de zorg had voor Lauwerecht en Buiten Catharijne (deze laatste door Vosmeer gecreëerde parochie had dus blijkbaar geen eigen pastoor). In 1778 voegde de gemeente van het Drakenburgsteegje zich grotendeels bij die van Buiten de Weerd. De huidige kerk, gebouwd op de plaats van de oude schuilkerk aan de Bemuurde Weerd stamt van 1870 Rientjes, 'Roomsche kerken', 335-336, 346-347; zie ook Röhner, DTB-registers, 18-19. . Recentelijk zijn de resterende oud-katholieke parochies St. Maria, St. Jacob en St. Gertrudis samengegaan. Gekerkt wordt in de St. Gertrudiskerk. De seculiere staties Abstede/Buiten Tolsteeg (later Achter Twijnstraat), Buiten Wittevrouwen en St. Servaas Onder de Linden (na 1663) bleven rooms-katholiek. Hun geschiedenis is derhalve terug te vinden in de deelinleidingen betreffende hun opvolgers, de in 1855 gevormde parochies van respectievelijk de H. Martinus, OLV Tenhemelopneming en de H. Willibrordus. Naast deze seculiere staties vestigde een aantal religieuze orden hun eigen missieposten binnen de stad, met name de dominicanen, jezuïeten en augustijnen. Gezien de locatie van deze missieposten trokken de regulieren zich ook in Utrecht weinig aan van zowel de bestaande seculiere als de andere reguliere vestigingen. Als voorbeelden mogen dienen de vestiging in de Dorstige Hartsteeg, op een steenworp afstand gelegen van die in de Catharijnesteeg, en de staties Jeruzalemsteeg/Herenstraat en Herenstraat, waarvan de bewoners elkaar bij wijze van spreken vanuit hun eigen statie konden begluren. Van de drie tijdens de Zending actieve orden waren de dominicanen sinds de dertiende eeuw in Utrecht vertegenwoordigd geweest. Nadat ze in 1579 hadden moeten vertrekken, waren ze vermoedelijk al zeer snel terug. In elk geval waren al vóór 1600 vier dominicanen actief, onder wie Rolandus Obijn, in 1591 en opnieuw in 1599 uit de stad verbannen Meijer, Dominicanen, 38-40. . Een beschikking van 5 mei 1626 van paus Urbanus VIII bepaalde het getal dominicanen in Utrecht op twee Rientjes, 'Roomsche kerken', 39. . Ze stichtten de staties St. Servaas Onder de Linden (na 1659 Dorstige Hartsteeg) en bij de Wittevrouwenpoort (vóór 1652 verhuisd naar de Walsteeg). De jezuïeten waren in ieder geval in 1592 in de stad vertegenwoordigd in de persoon van Willem de Leeuw Rientjes, 'Roomsche kerken', 18. . Zij stichtten twee staties, in de Catharijnesteeg en in de Herenstraat, die beide na de opheffing der orde in 1773 in seculiere handen kwamen. Hoewel al in de middeleeuwen van tijd tot tijd augustijnen in Utrecht werkzaam waren geweest, dateert hun vaste vestiging van ca. 1636, na de oprichting van de Nederlandse Augustijnenmissie in 1635. Ze stichtten rond 1636 een statie in het Hieronymussteegje (vanaf 1690 Jeruzalemsteeg, vanaf 1841 Oudegracht). Tussen 1640 en 1679 bestond nog een tweede augustijner statie aan de Nieuwegracht, onder leiding van Theodorus de Roy, zoon van de hoofdschout De Meijer, Augustinus, 14. . De reguliere staties bleven alle rooms-katholiek en gingen op in de in 1855 gevormde parochies. Hun verdere geschiedenis is derhalve in de betreffende deelinleidingen terug te vinden. Medio zeventiende eeuw telde de stad Utrecht dus veertien staties, een aantal dat in de tijd erna door sluiting, combinatie of splitsing nogal eens verandering zou ondergaan. Ze ressorteerden in ieder geval vanaf 1702 onder het aartspriesterschap Utrecht; vóór die tijd waren ze waarschijnlijk onder de hoede van één der provicarissen van Utrecht. Over het algemeen kon men vanuit de staties, zeker na het midden van de zeventiende eeuw, tamelijk rustig zijn werk doen, zelfs op een plaats als de Catharijnesteeg, praktisch naast de protestantse Catharinakerk gelegen. De 'kruistocht' tegen de katholieken door de in Utrecht residerende gouverneur-generaal Robert Dudley, graaf van Leicester, was maar van korte duur geweest (1586-1588). Pas op 22 april 1587 werd hun het uitoefenen van een ambt verboden (waarmee in de zeventiende eeuw ook nog wel eens de hand werd gelicht). Ondanks alle klachten van de gereformeerde kerkeraad en ondanks alle plakkaten was en bleef het stadsbestuur tamelijk gematigd in zijn optreden tegen de katholieken. De overwinning van de Contra-Remonstranten op de Nationale Synode van Dordrecht in 1619 zorgde wel voor een verharding: de verstoringen van katholieke diensten namen toe en de controle op de naleving van de plakkaten werd verscherpt Boukema, De katholieken, 178 . Rovenius vermeldt in een verslag uit 1630 dat de vervolgingen in Utrecht afwisselend in heftigheid waren en met name bestonden uit het 'ontdekken, overvallen, verstoren en uiteenjagen' van katholieke bijeenkomsten Rientjes, 'Roomsche kerken', 20. . Verbanningen waren zeldzaam, en golden voornamelijk priesters die op heterdaad waren betrapt. Na het midden van de eeuw namen de anti-katholieke acties verder af en nam slechts bij vlagen de intensiteit van de vervolging toe. Zo vermeldt pater Hieronymus van Hove van de statie Jeruzalemsteeg in brieven dat vanwege een inval van de bisschop van Munster tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) ook in Utrecht regelmatig statiekerken werden aangevallen, waaronder die van hemzelf De Meijer, Augustinus, 16. . De situatie van de katholieken in Utrecht blijkt misschien nog het best uit het aantal tussen 1636 en 1672 uitgevaardigde plakkaten in het gewest Utrecht: niet meer dan veertien, tegen 223 in Holland en Zeeland. Een korte vreugdevolle periode kende katholiek Utrecht tijdens de Franse overheersing in 1672 en 1673. De Domkerk werd voor de katholieke eredienst heropend en in 1673 werd zelfs een sacramentsprocessie door de straten van de binnenstad gehouden. De vreugde was van korte duur: na het vertrek der Fransen moest men weer terug naar de schuilkerken Van Rijnsoever, St. Maarten, 27-28. . Gedurende de achttiende eeuw verbeterde de situatie geleidelijk. Pastoor Ydama van de statie in de Achter Twijnstraat vermeldt dat in 1703 twee kerkmeesters van deze gemeente volgens gewoonte de jaarlijkse contributie bij burgemeester Zijpestein, op dat moment tevens waarnemend opperschout, wilden inleveren. De burgemeester weigerde edelmoedig de gelden te ontvangen, en beval ze in het vervolg aan het onderhoud der armen te besteden. Sindsdien werden volgens Ydama deze contributies niet meer betaald Archief parochie H. Martinus, inv.nr. 78. . Het lijkt er dus op dat vanaf 1703 in Utrecht de recognitiegelden waren afgeschaft, of anders flink waren gereduceerd. Vanaf het midden van de achttiende eeuw kon men desgewenst, met toestemming van het stadsbestuur, overgaan tot verbouw dan wel nieuwbouw van kerken. Zo werd in 1759 toestemming verleend voor de bouw van een nieuwe kerk in de statie Buiten Wittevrouwen. De problemen waarmee de katholieken in de achttiende eeuw desondanks werden geconfronteerd, vonden hun oorzaak voor een belangrijk deel in de verdeeldheid in eigen kring, en dan met name in het bovenbeschreven schisma. De afgescheiden groep, verenigd in de Oud Bisschoppelijke Cleresie, kreeg als 'nationale' en anti-Romeinse factie de welwillende steun van de overheden, ook die van Utrecht. De magistraat zag ook hier de mogelijkheid om voorwaarden te gaan stellen aan de toelating van priesters van de Rome-getrouwe partij en om maatregelen te nemen tegen regulieren. In Utrecht kreeg dit gestalte in een vroedschapsresolutie van 15 oktober 1764, betreffende het toelaten en fungeren van rooms-katholieke priesters in de stad. De reden voor de resolutie wordt gegeven in een uitvoerige préambule. Directe aanleiding was een verzoekschrift van de dominicaan Willem Fey, voormalig noodhulp van de statie 't Stijger te Rotterdam, die vergeefs had gesolliciteerd als kapelaan in de statie van het Dorstige Hartsteegje. Naar aanleiding van dit verzoekschrift besloot de vroedschap op 19 maart 1764 de burgemeesters en oud-burgemeesters een onderzoek te laten instellen naar de antecedenten van Fey, en tevens naar het hele beleid van toelating en het fungeren van priesters in stad en vrijheid. Het vervolgens ingediende rapport ging uitvoerig in op de positie van de regulieren. Men constateerde dat dezen een kloosterleven dienden te leiden en enkel bij een gebrek aan seculiere priesters een gemeente behoorden te bedienen, dat in Utrecht aan seculieren geen gebrek was, dat er desalniettemin vijf reguliere staties waren die de seculiere staties beconcurreerden, dat vele gelden en kunstschatten naar het buitenland verdwenen en dat met dit alles bovendien eerdere plakkaten van zowel Staten als vroedschap werden overtreden; de burgemeesters achtten derhalve soortgelijke maatregelen als eerder (1730) in Holland waren genomen, gewenst. De resolutie bepaalde vervolgens dat rooms-katholieke priesters, kapelaans en medehelpers voortaan alleen met schriftelijke toestemming der burgemeesters mochten werken, dat enkel priesters afkomstig uit de stad of eigen provincie, of in ieder geval uit de Republiek of de Generaliteitslanden, zouden worden toegelaten en dat geen admissie zou worden verleend aan regulieren. Verder werd besloten dat priesters, alvorens ze zouden worden toegelaten, met een schriftelijke eed moesten verklaren niet de mening te zijn toegedaan, dat de paus onderdanen van hun eed van trouw aan de burgerlijke overheid kan ontslaan; alle priesters dienden binnen een maand op straffe van uitwijzing de verklaring te tekenen. Tenslotte werd bepaald dat alle correspondentie met hogere katholieke instanties aan controle van het stadsbestuur zou zijn onderworpen Stadsarchief II, inv.nr. 121. . De eed werd in de volgende maanden door alle priesters ondertekend, ook door de werkzame regulieren. De resolutie zal door de Utrechtse katholieken met gemengde gevoelens ontvangen zijn. Enerzijds markeerde zij de feitelijke opheffing van het verbod op het priesterlijk werk, en de vervanging daarvan door een besluit tot beperkte toelating. Anderzijds was ze in eerste instantie duidelijk gericht tegen de reguliere geestelijkheid en verschafte ze het stadsbestuur een instrument om de ordesgeestelijken te weren. Nieuwe reguliere priesters werden niet toegelaten, en dit betekende na verloop van een aantal jaren het einde voor de dominicanen in de Dorstige Hartsteeg (1774), het tijdelijke einde voor de augustijnen in de Jeruzalemsteeg (1777) en het einde voor de jezuïeten in de Herenstraat (1765) en Catharijnesteeg (1767). De dominicanen in de Walsteeg ontsprongen de dans door het langdurig pastoorschap van pater Jacobus Hanse (1761-1793). De resolutie werd in 1795 na de komst van de Fransen weer afgeschaft. De in de staatsregeling van 1798 vastgelegde mogelijkheid tot restitutie van kerkgebouwen had in Utrecht aanvankelijk geen gevolgen. Pas in 1815 werd de Catharijnekerk aangewezen als garnizoenskerk voor rooms-katholieke militairen. In 1840 werd de latere kathedraal bij Koninklijk Besluit ter beschikking gesteld van de gemeente van het Catharijnesteegje. Aan het einde van de periode der Hollandse Zending resteerden in Utrecht acht rooms-katholieke staties. Hiervan werd in 1852 de noodlijdende statie van St. Servaas Onder de Linden gesloten. De statie St. Martinus in de Herenstraat werd opgeheven bij de parochiële indeling in 1855. De resterende zes werden na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie canoniek verheven tot parochies. Over het aantal door deze staties bediende Utrechtse katholieken bestaan voor de eerste helft der negentiende eeuw redelijk betrouwbare gegevens. In 1809 was het percentage katholieken 32,3, in 1849 was dit opgelopen naar 35,5 Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', 30. . Mogelijkheden tot het volgen van katholiek onderwijs waren in Utrecht tot begin negentiende eeuw vrijwel niet voorhanden. Particulier onderwijs van huisonderwijzers en kostscholen waren enkel voor gegoeden weggelegd. Er bestonden verder meerdere clandestiene schooltjes, waaronder de vaak zeer gebrekkige klopjesscholen, maar het schoolgeld zal vaak een probleem zijn geweest. Veel katholieke jeugd bezocht daarom vermoedelijk de (gereformeerde) stadsschool, waar het onderwijs gratis was. In 1806 kwam in deze situatie enige verbetering door de oprichting van het 'Roomsch Catholijk instituut tot onderwijs aan de Roomsch Catholijke behoeftige jeugd in Utrecht en derzelfder vrijheid', of kortweg het R.K. Schoolgesticht. De leiding hiervan berustte bij een regentencollege bestaande uit de acht Utrechtse pastoors en acht leken. Nog datzelfde jaar werd in de Boterstraat een school geopend voor kinderen van bedeelde en minvermogende ouders. In 1844 werd in de Donkerstraat een burgerschool geopend. Omdat het gemeentebestuur tot medio negentiende eeuw weigerde vergunningen af te geven (de school in de Donkerstraat werd daarom ook omschreven als 'bijschool' van die in de Boterstraat), bestond er tot die tijd ook nog een aantal clandestiene scholen Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', hfdst. V. . Beide scholen verhuisden in 1856 naar een terrein tussen de Mariaplaats en de Alendorpsteeg. De bedeling der katholieke armen in Utrecht geschiedde vóór 1674 door de stadsaalmoezenierskamer. Na een bijna-bankroet van deze instelling na het jaar 1672-1673 moest ook de katholieke geloofsgemeenschap voor de eigen armen zorgdragen. De katholieken kenden in Utrecht daarom vanaf 1674 een eigen Aalmoezenierskamer. Na het schisma viel in 1746 ook de kamer uiteen in een R.K.- en een O.R.K. Armenkamer. In 1841 plaatste de aartspriester de Armenkamer onder klerikaal gezag, met een bestuur bestaande uit de acht pastoors die Utrecht telde, bijgestaan door acht leken Zie voor meer informatie over dit onderwerp onder andere de inleiding bij Kemperman-Wilke. . De periode na het herstel van de bisschoppelijke hierarchie Algemeen De grondwetsherziening van 1848, die onder meer zorgde voor vrijheid van godsdienst, vrijheid van vereniging en de afschaffing van het recht van placet Placet is koninklijke toestemming. Het recht van placet is het recht van de vorst om kerkelijke besluiten al of niet te doen afkondigen. , schiep het kader waarbinnen het katholieke kerkelijke leven volledig tot ontplooiing kon komen. Ze verschafte de rooms-katholieken de mogelijkheid hun kerkbestel geheel naar eigen inzicht in te richten, zonder tussenkomst der overheid. Met de pauselijke breve 'ex qua die', gedateerd 4 maart 1853, werd de nieuwe nederlandse kerkprovincie opgericht. De stad Utrecht werd zetel van de aartsbisschop. De catharijnekerk aan de lange nieuwstraat werd verheven tot kathedraal en metropolitaankerk. Het nieuwe aartsbisdom Utrecht kreeg als suffraganen het nieuwe bisdom haarlem en de tot bisdommen verheven apostolische vicariaten roermond, breda en den bosch. In 1955 werd het bisdom rotterdam afgesplitst van het bisdom haarlem, en het bisdom groningen van het aartsbisdom Utrecht. Het herstel van de hiërarchie ging met enige onrust gepaard. Protestants ongenoegen over de keuze van het protestantse bolwerk Utrecht als zetel van de aartsbisschop en over minder tactvolle taal in genoemde breve, vermengd met politieke afkeer van het liberale kabinet thorbecke, leidde met name in de stad Utrecht tot een golf van protest, de zogeheten 'aprilbeweging'. Na de val van het kabinet ebde de onrust echter tamelijk snel weg. Desondanks vestigde de nieuwe aartsbisschop, joannes zwijsen (tevens bisschop van den bosch) zich voorzichtigheidshalve in het brabantse haaren. Pas zijn opvolger a.i. schaepman vestigde zich in 1868 daadwerkelijk in Utrecht, in de pastorie van de st. Catharina-parochie, het huis 'hogerhorst' op de hoek van de nieuwegracht en de catharijnesteeg. In 1899 verhuisde de aartsbisschop naar de maliebaan. De nieuwe kerkprovincie stond overigens nog tot 1908 onder toezicht van de congregatio de propaganda fide. Aan het hoofd van de kerkprovincie staat de aartsbisschop. Van zijn grote bevoegdheden in de middeleeuwen is slechts een deel overgebleven, waaronder het recht van toezicht in geestelijke en disciplinaire aangelegenheden, het voorzitten van de (nederlandse) bisschoppenvergadering, het bijeenroepen en leiden van provinciale concilies en het rechtspreken in hoger beroep. Het eigen diocees van de aartsbisschop heet aartsbisdom; het maakt samen met de suffragaan-bisdommen de kerkprovincie uit. De bisdommen staan onder leiding van een bisschop, benoemd door en onder oppertoezicht staand van de paus. Door zijn wijding verkrijgt de bisschop de volledige priesterlijke wijdingsmacht, ook buiten zijn eigen diocees (potestas ordinis); hij kan alle priesterlijke functies vervullen, waarvan enkele speciaal voor hem of zijn plaatsvervangers zijn gereserveerd, zoals de wijding tot een kerkelijk ambt, de wijding van kerken en altaren en van de h. Olie en de toediening van het vormsel. Daarnaast heeft de bisschop bevoegdheden op bestuurlijk, wetgevend en rechtsprekend terrein (potestas jurisdictionis), echter enkel bínnen zijn eigen diocees. Tot deze bevoegdheden horen het uitvaardigen van wetten en voorschriften (binnen het kader van het algemene recht) en het verlenen van dispensaties, de zorg voor de handhaving en verkondiging van de geloofsleer (benoeming geestelijken), het waken over de naleving van wetten en voorschriften, het oprichten en vergeven van kerkelijke ambten en beneficies, het houden van toezicht op de geestelijkheid, kerkelijke instellingen en gebruiken en op het beheer van kerkelijke goederen. Als helpers en eventuele plaatsvervangers beschikt de bisschop onder meer over de vicaris-generaal wat betreft zijn uitvoerende bevoegdheden, en over de officiaal wat betreft zijn rechterlijke macht. Indien nodig (bijv. Bij ouderdom of ziekte) wordt een coadjutor (hulpbisschop) benoemd. De dekens vormen de tussenschakel tussen de bisschop en de nieuw gevormde parochies. Deze functie is vergelijkbaar met die van de vroegere aartspriester. Met de instelling van kapittels in 1858 was de nieuwe kerkorganisatie afgerond. De nieuwe kerkorganisatie had vanzelfsprekend ook de nodige gevolgen op parochieel niveau. In het aartsbisdom werden de bij aartsbisschoppelijk besluit canoniek tot parochies verheven staties onderworpen aan het op 10 april 1854 gedateerde 'algemeen reglement voor de parochiale kerkbesturen in het aartsbisdom van Utrecht'. Met de vrijblijvende en nauwelijks gecontroleerde positie van de voormalige staties was het afgelopen. De nieuwe parochies hadden, in de stichtingsakten nauwkeurig omschreven, vaste grenzen en het reglement liet wat betreft de intentie van nauwgezette controle van bovenaf weinig te raden over. Binnen de parochies veranderde er op organisatorisch gebied in principe vermoedelijk niet veel. De pastoor bleef de centrale persoon, en de bestaande kerkcommissies, -raden of -besturen werden nogal geruisloos omgezet in nieuwe kerkbesturen. Wat met name anders is dan voorheen is de nauwkeurige taakomschrijving en verantwoordingsplicht van ieder. De pastoor wordt benoemd door de (aarts)bisschop. Zijn voornaamste taak is uiteraard de zielzorg. Hij regelt verder allerlei zaken die met de kerkelijke diensten en plechtigheden verband houden, bepaalt de wijze van collecteren in de kerk en is verantwoordelijk voor het bijhouden, inrichten en bewaren der doop-, trouw- en begraafboeken. Hij benoemt en ontslaat de diverse kerkelijke medewerkers zoals de leden van het zangkoor, de organist, de koster en de opzichter der parochiale begraafplaats, die aan hem alléén ondergeschikt zijn. Bovendien is hij voorzitter van het kerkbestuur, het zangkoor, het collectantencollege, de diverse verenigingen en broederschappen met een religieus doel, en treedt hij op als commissaris van de (aarts)bisschop in het parochiaal armbestuur. De pastoor ontvangt een salaris van het bisdom, eventueel aangevuld met stipendia uit bepaalde fondsen. Het kerkbestuur was belast met de zorg voor de tijdelijke en stoffelijke belangen der parochie, en in dier voege tevens met het aangaan van alle burgerlijke handelingen. Het bestuur bestaat uit de pastoor als voorzitter en een door de (aarts)bisschop vastgesteld aantal leden met de naam kerkmeesters. Laatstgenoemden worden via het aartsbisdom de eerste maal rechtstreeks, en vervolgens op een voordracht van twee benoemd door de aartsbisschop. Het bestuur kiest zelf uit zijn midden een penningmeester en een secretaris. Men vergadert tenminste viermaal per jaar. Meer specifiek is men ten eerste belast met het toezicht op de parochiekerk, de pastorie, de kosterij, de bijkerk, kapellen, de begraafplaats en andere voor rekening en ten behoeve der parochie daargestelde inrichtingen of gestichten, en de aan genoemde zaken verbonden goederen en fondsen. Men draagt zorg voor het onderhoud van alle roerende en onroerende goederen (inzonderheid ook voor de archieven en kunstvoorwerpen) en de voorziening in de stoffelijke behoeften der parochie. Verder bepaalt het bestuur de voorwaarden van verhuring dan wel verpachting (onder andere van zitplaatsen in de kerk en van grafsteden). Voor burgerlijke handelingen, welke 'de palen van gewoon beheer te buiten gaan' is toestemming van de aartsbisschop vereist. Het betreft hier onder meer het aannemen of afwijzen van erfstellingen, legaten, schenkingen en fundaties, de aankoop van onroerend goed, de verkoop, ruil en verpanding van onroerende goederen en kunstvoorwerpen, het doen van leningen, het oprichten en opheffen van parochiale instellingen, verbouw en afbraak en het voeren van processen (als eiser en als verweerder). Voor het gevoerde financiële beheer is men rekenplichtig aan de aartsbisschop Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 132. . Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie gaf een enorme injectie aan het zelfbewustzijn van het katholieke volksdeel. Toen de schrik van de aprilbeweging eenmaal was weggeëbd, ontplooide het katholieke leven zich volop. De nieuwbouw van kerken ging gestaag door. Als belangrijkste architecten mogen genoemd worden de in neo-gotische stijl werkende p.h.j. cuypers en de vanaf 1872 in Utrecht woonachtige alfred tepe, ontwerper van de st. Willibrorduskerk in de minrebroederstraat en de onze lieve vrouwekerk aan de biltstraat. Gedurende de rest van de negentiende eeuw kreeg deze opleving verder vooral vorm in de stichting en bloei van congregaties en broederschappen met een voornamelijk religieus doel, of in intensivering van de aandacht voor terreinen die al langer tot het bereik der kerk behoorden, zoals het onderwijs en de armenzorg. In het begin van de twintigste eeuw zette het in de negentiende eeuw al begonnen proces van verzuiling eerst goed door, met als gevolg dat op vrijwel alle terreinen van het maatschappelijk leven eigen katholieke organisaties werden opgericht, waarvan men vanzelfsprekend of onder min of meer zachte dwang lid was Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 14, 204. . De katholieken slaagden erin om van hun zuil bijna een monoliet te maken Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 202. . Zo had men de eigen politieke partij, de eigen vakbond, het eigen onderwijs, de eigen armenzorg, de eigen voetbalclub etc. Een aantal van deze organisaties ging over de parochiegrenzen heen, zoals de politieke partij en de vakorganisaties. Een groot aantal organisaties en verenigingen was echter, al of niet hecht, met de parochie verstrengeld. Bij de parochiearchieven worden dan ook dikwijls (fragmenten van) de archieven van deze organisaties en verenigingen aangetroffen. Vanuit hun aard zeer nauw met de parochie verbonden waren het zangkoor en het collectantencollege. Het zangkoor stond onder leiding van de pastoor. Deze was tevens voorzitter van het collectantencollege, dat tot taak had tijdens kerkdiensten te collecteren voor de kerk of de armen wanneer de pastoor dit geboden achtte Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 336. . Zowel zangkoren als collectantencolleges waren aan strikte en uitgebreide reglementering onderworpen. De parochies speelden ook een belangrijke rol bij de armenzorg en het onderwijs, met name dat aan kinderen van arme of minvermogende ouders. De onderwijswet van 1857 schiep de mogelijkheid tot het stichten van (niet-gesubsidieerde) scholen voor bijzonder onderwijs zonder voorafgaande toestemming van de overheid. Wel dienden de bijzondere scholen aan dezelfde (via de wet omhooggeschroefde) eisen te voldoen als de openbare scholen. Na het herstel van de hiërarchie en na het wegebben van de schrik der aprilbeweging werd de houding van de katholieken ook op onderwijsgebied geleidelijk zelfbewuster. Een onderwijsmandement uit 1868 van het nederlandse episcopaat veroordeelde het neutrale onderwijs en riep de parochiegeestelijkheid op initiatieven te nemen tot het oprichten van scholen. Het bleek een goede stimulans. In het aartsbisdom werd in 1870 de 'vereeniging tot bevordering van katholiek bijzonder schoolonderwijs in het aartsbisdom Utrecht' opgericht, met als doel het stichten van scholen en onderwijzersopleidingen en een pensioenfonds voor onderwijzers. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de invloed van de aartsbisschop op de ontwikkeling van het katholieke onderwijs sterk toe. Nadat sinds 1889 het bijzonder onderwijs al wat betreft de salarissen werd gesubsidieerd, werden openbaar en bijzonder onderwijs via een grondwetsherziening in 1917 volkomen gelijkgesteld. De financiële gelijkstelling werd verder uitgewerkt in de lager onderwijswet van 1920: salarissen en de kosten van bouw, inrichting en exploitatie werden voortaan door de overheid betaald Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', hfdst. V; Stijnman, 'De katholieken', hfdst. IV. . De armenzorg in het aartsbisdom werd door de aartsbisschop gereorganiseerd door middel van het 'algemeen reglement voor de parochiale armbesturen in het aartsbisdom van Utrecht' van 18 januari 1855. De zorg viel vanaf die datum onder het kerkelijk gezag en het oppertoezicht van de aartsbisschop. Het reglement maakte onderscheid tussen parochiale en niet-parochiale inrichtingen voor armenzorg. Als parochiale inrichtingen werden beschouwd diegene 'welke voor de behoeften van het parochiaal armwezen in het algemeen, als zodanig door de aartsbisschop ingesteld of bevestigd worden om voor rekening der parochie of uit daartoe aan haar verstrekte middelen te voorzien in de nood der in de parochie aanwezige armen en hulpbehoevenden'. De inrichtingen werden beheerd door het parochiaal armbestuur. In de regel had iedere parochie één parochiaal armbestuur, met een door de aartsbisschop bepaald aantal leden, armmeesters geheten. Voor burgerlijke handelingen buiten de 'palen van gewoon beheer' was toestemming der aartsbisschop nodig. Voor hun financieel beheer waren de armbesturen verantwoording verschuldigd aan de aartsbisschop Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 278; zie voor meer informatie over dit onderwerp onder andere de inleiding bij Kemperman-Wilke. . Utrecht Bij aartsbisschoppelijk besluit van 21 augustus 1855 werd de stad Utrecht ingedeeld in zes parochies, te weten: - h. Dominicus, parochiekerk aan de mariaplaats (wijk e) - h. Augustinus, parochiekerk aan de oudegracht (wijk c) - h. Willibrordus, parochiekerk aan de herenstraat (wijk f), vanaf 1877 aan de minrebroederstraat (wijk g) - h. Catharina, parochiekerk aan de lange nieuwstraat (wijk a) - h. Martinus, parochiekerk aan de achter twijnstraat (wijk b) - olv tenhemelopneming, parochiekerk aan de biltstraat (wijk i) De afzonderlijke parochies, in de plaats komend van de voormalige staties, werden op 25 augustus canoniek opgericht. Aan elke parochie werden een pastoor, twee kapelaans en een kerkbestuur verbonden. De voormalige statie st. Martinus in de herenstraat werd niet tot parochie verheven, maar de kerk werd succursaal (bijkerk) van de st. Willibrordus. Ze werd wel voorzien van een eigen kapelaan en kerkbestuur. De parochies van de stad Utrecht ressorteren onder het aartsbisdom Utrecht, decanaat Utrecht. De parochies kregen vaste, in de akten van oprichting nauwkeurig omschreven grenzen. Tot de eeuwwisseling bleven de grenzen vrijwel onveranderd. De opleving van het katholicisme na het herstel der hiërarchie en de snelle uitbreiding van de stad vanaf het einde van de negentiende eeuw zorgden er echter voor dat na 1900 een reeks nieuwe parochies werd opgericht. De tendens van groei zette door tot het midden van de twintigste eeuw. Daarna veranderde het beeld drastisch als gevolg van de inzettende deconfessionalisering. In de binnenstad werd deze negatieve trend bovendien versterkt door een toenemende leegloop van dit gebied richting buitenwijken. Het gevolg was dat het aantal parochies binnen de singels uiteindelijk werd gereduceerd van de oorspronkelijke vijf tot drie binnenstadsparochies. Als eerste verdween, als slachtoffer van de leegloop, in 1939 de st. Dominicus-parochie (een parochie met dezelfde naam werd in 1951 opgericht in de wijk oog in al). In 1967 werd de st. Willibrordus-parochie ontbonden. De drie resterende binnenstadskerken gingen in 1968 een interparochiële samenwerking aan op pastoraal niveau om uiteindelijk te komen tot één pastoraal team voor het ressort 'binnenstad Utrecht'. In 1974 viel het besluit dat ook de handhaving van drie kerken in de binnenstad te kostbaar was, met als gevolg dat de martinuskerk werd gesloten. Sindsdien bestaat een binnenstadsparochie, bestaande uit de weliswaar juridisch gescheiden, maar praktisch verenigde parochies st. Catharina/st. Martinus en st. Augustinus, geleid door één kerkbestuur en bediend door één team van pastores. Wat betreft het onderwijs in de stad Utrecht, werd de rol van het schoolgesticht, dat naar de zin van de aartsbisschop te veel onder lekeninvloed stond, geleidelijk teruggedrongen. Vanaf 1872 richtte dit zich enkel nog op het armenonderwijs. De burgerscholen, waarvoor een zeker bedrag aan schoolgeld betaald moest worden, werden overgenomen door het aartsbisdom. Op aartsbisschoppelijk initiatief of met aartsbisschoppelijke medewerking zag binnen de stad een rij burgerscholen het licht. Al in 1868 was aan de oudegracht de paus adriaanschool, een ulo-school voor meisjes, opgericht. In 1870 volgde eveneens aan de oudegracht de piusschool voor jongens en meisjes (nà 1876 alleen meisjes). In 1872 werd de martinusschool voor jongens en meisjes aan de twijnstraat gesticht (vanaf 1890 jongensschool), in 1873 de st. Gregoriusschool voor jongens aan de ganzenmarkt (vanaf 1875 in het st. Gregoriushuis, ingang herenstraat, op de plaats van de oude jezuïetenstatie), in 1881 een meisjesschool in de achter twijnstraat en de st. Jozefschool voor kinderen uit de kleine middenstand (st. Gregoriushuis, ingang nieuwegracht) en in 1886 de aloysiusschool voor meisjes aan de ganzenmarkt. In het gregoriushuis was vanaf 1875 tevens een kweekschool gevestigd. De aartsbisschop maakte bij zijn stichtingen veel gebruik van regulieren, met name de zusters van liefde en de fraters van de congregatie van olv van het h. Hart, een door aartsbisschop schaepman in 1873 opgerichte onderwijscongregatie, vanaf 1896 gereorganiseerd tot st. Gregoriusstichting. Omdat het schoolgesticht wat betreft het bouwen van nieuwe armenscholen bijzonder terughoudend optrad, namen de parochies vanaf de jaren tachtig zelf het initiatief tot het oprichten van nieuwe scholen. De rol van het schoolgesticht op dit terrein was nu uitgespeeld en per 1 januari 1888 werd het opgeheven. Het college van regenten bleef bestaan en beheerde sindsdien enkel de goederen van het gesticht, waarvan de jaarlijkse revenu's werden gebruikt ter ondersteuning van de katholieke armenscholen Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', hfdst. V; Stijnman, 'De katholieken', hfdst. IV.3. . De oprichting en geschiedenis der afzonderlijke parochiale scholen zijn beschreven in de betreffende deelinleidingen. Het 'algemeen reglement voor de parochiale armbesturen in het aartsbisdom Utrecht' (1855) bepaalde dat iedere parochie een eigen armbestuur diende te hebben, tenzij door omstandigheden een andere oplossing de voorkeur genoot. In de stad Utrecht was dit laatste het geval. Er bestond hier reeds lang een r.k. armenkamer voor de hele stad; deze werd in 1855 ontbonden en vervangen door het r.k. parochiaal armbestuur der stad Utrecht. Het bestuur hiervan bestond uit elf door de aartsbisschop benoemde leken uit de verschillende parochies, die vergaderden in aanwezigheid van de deken als kerkelijk waarnemer van de aartsbisschop, bij wie het oppertoezicht berustte. De parochiële inbreng bestond uit een adviserende functie van de pastoors en een jaarlijkse vergadering van afgevaardigden der kerkbesturen met het armbestuur Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 278; zie voor meer informatie over dit onderwerp onder andere de inleiding bij Kemperman-Wilke. . In 1898 werd aan het armbestuur een 'vereeniging van armverzorgers' toegevoegd. Ze bestond uit vrijwilligers, en had tot doel 'het bezoeken van armen en hulpbehoevenden, de verbetering van hunnen zeden en stoffelijken toestand en het verkrijgen en bevorderen eener doelmatigen armenverpleging'. De vereniging had in elke parochie een afdeling, onder leiding van een armmeester van het parochiaal armbestuur Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 275. . De groei van het aantal parochies, de toenemende armoede en de hierdoor veroorzaakte groeiende tekorten bij het armbestuur waren aanleiding tot een reorganisatie. Per 1 januari 1931 kreeg elke parochie een afzonderlijk armbestuur. Het parochiaal armbestuur bleef bestaan als centraal bestuur en bleef de bestaande armen- en wezenfondsen beheren. De parochies konden hierop aanpraak blijven maken, doch dienden tekorten nu zelf aan te vullen via de opbrengst van collecten. Het centraal bestuur bleef verder verantwoordelijk voor de verzorging in gestichten van hulpbehoevenden en beheerde als zodanig het gesticht van oudelieden en weezen Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 277. . Behalve de genoemde armbesturen bestonden er nog diverse andere katholieke liefdadigheidsorganisaties. Sinds 1849 kende Utrecht een afdeling van de vincentiusvereniging, een uit frankrijk afkomstige charitatieve vereniging voor mannen-leken. Vrouwen die charitatief werk wilden doen konden terecht bij de elisabeth-vereniging. Beide instellingen waren afhankelijk van contributies, giften en legaten. In 1877 richtte pastoor kok van de 'klompenparochie' st. Martinus de martinusvereniging op, voor steun aan armen en zieken Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', 112-113. . De opbloei van het katholieke leven deed ook in Utrecht een groot aantal broederschappen, verenigingen en voorzieningen voor katholieken het licht zien. Voor zover zij nauw aan een bepaalde parochie zijn verbonden, worden zij (indien tenminste archivalia bewaard zijn gebleven) in de inleiding van de desbetreffende parochie beschreven. Een aantal was echter óf niet parochie-gebonden, óf had afdelingen in meerdere parochies. De vereniging de altaarwacht had tot doel de bevordering van veelvuldige h. Communie en mishoren Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 362. . De aartsbroederschap van de h. Familie was in 1844 opgericht door de nederlandse officier h. Belletable. Ze was opgesplitst in een mannen- en een vrouwenafdeling. Doel was verbetering van het gezin en het heiligen ervan naar voorbeeld van de h. Familie Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', 114. . Het bernulphusgilde, opgericht in 1869 door gerard willem van heukelom, kapelaan van de st. Catharina-parochie, was een vereniging van priesters en kunstenaars met als doel 'de liefde en de beoefening der kerkelijke kunst'. Lid hiervan was onder andere de architect alfred tepe Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', 37. . Aanwijzingen voor het gebruik In de deelinleidingen worden bijzonderheden gegeven over de acquisitie en de inventarisatie van de afzonderlijke archieven. Bij de inventarisatie werd al snel de vooronderstelling bevestigd dat de samenhang tussen de archieven en de geschiedenis van de Utrechtse staties en parochies vóór en na 1855 zo groot is, dat alleen een inventarisatie- en acquisitieproject van dit 'conglomeraat' in zijn geheel zinvol was. Wat de inventarisatie betreft, het indelingsschema sluit aan bij het standaard-schema zoals dat binnen het archiefwezen voor dit soort archieven gebruikelijk is Nederlands Archievenblad, 87 (1983) 16 e.v. . Hierbij worden onder meer onderscheiden de 'archieven' van de pastoor en van het kerkbestuur. In de praktijk is deze scheiding dikwijls moeilijk aan te brengen. Afgezien van de in de loop der tijd opgetreden vermenging van deze stukken komt het voor dat een penningmeester van het kerkbestuur ook boekhoudt voor de pastoor. In andere gevallen geldt het omgekeerde en treedt een pastoor op als administrateur. Daarbij komt nog dat de pastoor ook voorzitter is van het kerkbestuur en niet altijd duidelijk is in welke van de twee hoedanigheden hij registreert en correspondeert. Bij de inventarisatie is daarom als vuistregel gehanteerd: zielzorg in de meest uitgebreide zin van het woord gaat uitsluitend de pastoor aan, het beheer in de meest uitgebreide zin van het woord ressorteert onder het kerkbestuur. Strikt archivistisch en ook kerkrechtelijk kunnen hierdoor enkele stukken foutief zijn ingedeeld. De gebruiker zal hiervan weinig last hebben, tenzij deze uit de indeling strikt meent te mogen afleiden hoe ad hoc de competenties tussen pastoor en kerkbestuur waren geregeld. De staat van ordening waarin de meeste archieven zich bij de overdracht bevonden, gaf ook weinig uitsluitsel over de taakverdeling. Van een bruikbare oude orde was nergens sprake, vrijwel altijd moesten de archivalia stuksgewijs worden doorgenomen. De oprichting in 1855 van de parochies in kerkrechtelijke zin leidde doorgaans niet tot een zodanige cesuur in de archiefvorming, dat in het schema een afzonderlijke afdeling moest worden opgenomen voor de periode waarin sprake was van een statie. De indeling zou hierdoor voor de gebruiker overigens ook aan doorzichtigheid hebben verloren. Wanneer een parochie is ontstaan uit meerdere staties, dan is hierbij uiteraard het bestemmingsbeginsel geëerbiedigd. Dit is het geval bij de jezuïetenstaties in het catharijnesteegje en in de herenstraat, waarvan de archieven zorgvuldig zijn gescheiden. Een statie is archivistisch een lastig begrip. Zo'n missiepost heeft een primarius (na 1855 kerkrechtelijk pastoor; een secundarius is dan te vergelijken met een kapelaan), een kerkgebouw en een groep parochianen. In alle drie elementen konden afzonderlijk van elkaar veranderingen optreden. Gepoogd is de stukken van de staties toe te delen aan de parochiearchieven waartoe zij uit een oogpunt van continuïteit in de archiefvorming thuishoren. Of wat minder plechtig: de stukken volgen de pastoor. Een aantal staties werd bediend door regulieren, zowel vóór als na 1855. In de archieven van de provinciale orden van de jezuïeten, de augustijnen en de dominicanen vindt men daarom belangrijke informatie over de betreffende Utrechtse staties en parochies. In de acquisitiedossiers zijn lijsten van deze stukken opgenomen. Strikt genomen waren er in die gevallen twee archiefvormers: de parochie (pastoor en kerkbestuur) en het convict of klooster van waaruit de parochie werd bediend. Scheiding was uiteraard lastig, maar is in bepaalde gevallen wel toegepast. De laatstgenoemde archieven berusten bij de provinciale orden. Voor onderzoek naar de Utrechtse parochies zijn verder van belang het archief van de aartspriesters van de hollandse zending 1727-1853 (1867), berustend in het rijksarchief in Utrecht. Hierin bevinden zich o.a. Dossiers per statie. Hetzelfde geldt voor het eveneens in het rijksarchief in Utrecht berustende archief van het aartsbisdom Utrecht 1853-1967 (1970). Bij de eindredactie is geprobeerd een zo groot mogelijke uniformiteit in beschrijving en ordening aan te brengen. Raadpleging van de inventarissen leert dat dit niet in alle gevallen mogelijk was. De uniciteit van ieder archief wil nog wel eens in strijd geraken met het keurslijf van een standaard-schema en bovendien moet een archiefdienst verantwoord met zijn tijd omspringen. Overzicht van de staties/parochies De kerkgebouwen 1 st. Monica (Herenweg) 2 st. Augustinus (Oudegracht) 3 st. Dominicus (Walsteeg/Mariaplaats) 4 st. Martinus (Achter Twijnstraat) 5 st. Servaas onder de linden 6. Abstede/Buiten Tolsteeg/onder het kruis (Abstederdijk) 7 Dorstige Hartsteeg 8 st. Catharina (Lange Nieuwstraat) 9. Catharijnesteeg 10 st. Martinus (Herenstraat) 11. Jeruzalemsteeg/Herenstraat 12. Hieronymussteeg 13 st. Willibrordus (Minrebroederstraat) 14. olv tenhemelopneming (Biltstraat) Niet aangegeven zijn de kerken van de statie buiten wittevrouwen bij de wittevrouwenpoort en in de oude kerkstraat, alsmede de kerk van de dominicaner statie eveneens bij de wittevrouwenpoort. De parochiegrenzen 1855 1. H. Augustinus 2. H. Willibrordus 3. H. Catharina 4. H. Martinus 5. H. Dominicus 6. OLV Tenhemelopneming De parochiegrenzen 1940 1. H. Augustinus 2. H. Willibrordus 3. H. Catharina 4. H. Martinus 5. OLV Tenhemelopneming Literatuur Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht., 75 dln. Utrecht, 1875-1958. Bienemann, F. en Verburg, A. Aloysiusparochie Utrecht 1907-1987. 80 jaar pastoraal werk van de paters Jezuïeten. Utrecht, 1987. Boukema, N. 'Geloven in geloof. Een onderzoek naar de positie van de katholieken en de katholieke seculiere zielzorg binnen de stad Utrecht gedurende de periode 1580-1672, met accent op de eerste helft van de 17e eeuw.' Niet uitgegeven doctoraalscriptie Universiteit Utrecht, 1982. Boukema, N. 'De katholieken in Utrecht 1580-1672.' Maandblad Oud-Utrecht, 56 (1983) 177-180. Brom, G. 'Geschiedenis der Metropolitaankerk van St. Catharina te Utrecht'. AAU, 27 (1901) 48-60. C., W. De luister der aloude katholieke kerk, zigtbaar in de bediening van het H. Sakrament des Vormsels, door den hoog eerwaardigen heer C.L. baron van Wijkersloot, heer van Schalkwijk, bisschop van Curium, in negen parochien der stad Utrecht, in de tweede week der maand junij 1834. Utrecht, 1834. Campen, J. van. 'Bij het 7e eeuwfeest der dominicanen (in Utrecht)'. Utrechtsche Courant, 22, 29 okt, 8, 9, 10, 11, 14 nov. 1932. Overdrukken. Dirkse, P. en Haverkamp, A., ed. Jezuïeten in Nederland. Utrecht, 1991. ''t Gat in de Biltstraat. Neogotiek in Nederland'. Forum XXIV-1 (1973). Gedenkboek ter blijde herinnering aan het vijftigjarig bestaan van de Congregatie der Fraters van O.L. Vrouw van het H. Hart te Utrecht 1873-13 augustus-1923. Utrecht 1923. Glopper-Zuiderland, C.C. de, en Graaff, L.P.W. de. Inventaris van de Collectie Rijsenburg, verzameling archivalia en documentalia toebehorend aan het aartsbisdom Utrecht. Rijksarchief in Utrecht, inventarissenreeks nr. 17. Utrecht 1983. Hofman, J.H. 'Allerlei, betreffende de stad Utrecht.' AAU, 5 (1878) 180-238. Hofman, J.H. 'Bescheiden over Martinus van Hees, aartspriester van 't Sticht Utrecht'. AAU, 24 (1897) 175-184. Hofman, J.H. 'De Wittevrouwen te Utrecht'. AAU, 32 (1907) 117-230. Honderd jaar kathedrale koor Utrecht 1869-1969. Utrecht, 1969. Hoogland, A.J.J. 'De dominicanen te Utrecht'. AAU, 8 (1880) 183-211; 9 (1881) 178-246. Hoogland, A.J.J. 'De gevangenneming van Pater Paulus van der Rijst te Utrecht'. AAU, 8 (1880) 239-245. Jenneman, H. Van 't Wittevrouwe gerecht tot de stadswijk Wittevrouwen. Utrecht, 1981. Jong, H. de. 'Uit de bouwgeschiedenis der 'Silo-kerk'. Maandblad Oud-Utrecht, 31 (1958) 10-14. Jong, O.J. de. Nederlandse kerkgeschiedenis. Nijkerk, 1972. K., J. 'Schenking aan de Jesuitenstatie in de Catharijnesteeg te Utrecht'. AAU, 49 (1924) 50. Kemperman-Wilke, I.H.M.J. Inventaris van de archieven van de Rooms-Catholieke Armenkamer, na 1855 genaamd het Parochiaal Armbestuur der stad Utrecht (1746-1940), en van de brouwerij 'De Boog' (1847-1898). Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht, gebundelde inventarissen 6. Utrecht, 1981. Kuyle, A. De Gouden Joseph. Utrecht, 1951. Lambermond, C.H. Gedenkboekje bij het zevende eeuwfeest der Dominikanen te Utrecht 1232-1932. Utrecht, 1932 Leeuwenberg, H.L.P. en Geloven, A.M.A. van. Inventaris van de archieven van de aartspriesters van de Hollandse Zending, 1727-1853 (1867). Rijksarchief in Utrecht, inventarissenreeks nr. 16. Utrecht 1982. Leeuwenberg, H.L.P., Geschiedenis van de kerkelijke instellingen in Nederland sinds de reformatie. Rijksarchiefschool, 's-Gravenhage, 1989. Lindeman, C.J. De doop- en trouwboeken van de voormalige Jezuïetenstaties te Utrecht. AAU, 59 (1935) 377-379. Lommel, A. van. 'Private en beknopte berichten, aangaande de missies in Holland, welke Luigi Ciamberlani, vice-superior derzelve, aan zijne eminentie-kardinaal di Pietro, prefect van de H. Congregatie tot voortplanting des geloofs, nederig aanbiedt', 1805. AAU, 15 (1887) 434-461. Meegeren, P.J.A. van. 'Katholiek Utrecht in de tweede helft van de negentiende eeuw, een verkenning'. Doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Utrecht. Ook uitgegeven als nr. 3-4 in de Utrechtse Historische Cahiers, 8 (1987). Meijer, A.K. de. 'Rumoer in de Herenstraat, de Utrechtse augustijnenstatie'. JOU, 1981, 276-313. Meijer, A.K. de. Augustinus in de Domstad, 350 jaar zielzorg van de Augustijnen 1636-1986. Utrecht, 1986. Meijer, G.A. De Paters Dominicanen te Utrecht. Zwolle, 1916. Muller Fz., S. Catalogussen van de bij het stads-archief bewaarde archieven, I. Utrecht, 1911. Nolet, W. en Boeren, P.C. Kerkelijke instellingen in de Middeleeuwen. Amsterdam, 1951. Op verhaal komen. Uitgave van de parochieraden van Biltstraat en Oudwijk. Utrecht, 1979. Placidus, P. 'Twee verslagen over de toestand der Hollandse Missie van de Apostolische Vicaris Philippus Rovenius aan de Infante Isabella'. AAU, 68 (1949) 221-247. Redevoering uitgesproken den 3den julij 1821, in de r.c. kerk Het Catharina's steegje te Utrecht, door B. Wilbrink, r.c. priester en pastoor te Weesp, ter gelegenheid der eerste solemneele mis, aldaar gecelebreerd, om de zegen des Hemels over de r.c. maatschappij af te smeeken. 's-Hertogenbosch, 1821. Rientjes, A.E. 'De Roomsche kerken van Utrecht'. Officiële kerklijst 1914-1920. Rientjes, A.E. 'De inventaris der Catharijnestatie te Utrecht in de xviiie eeuw'. AAU, 43 (1917) 64-67. Rogier, L.J. 'De aartspriesterschappen van de Hollandse Zending'. AAU, 62 (1938) 129-162. Rogier, L.J. Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw. 5 dln. Amsterdam/Brussel, 1964. Röhner, G.J. Inventaris van de doop-, trouw- en begraafregisters van de gemeente Utrecht 1583-1811 (1860) en van de voormalige gemeente Zuilen 1652-1811 (1843). Publikaties van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht, 3. Utrecht, 1990. R[ooijen]., A. van. 'Joannes Hartman, aartspriester van Utrecht, 1843-1853'. AAU, 8 (1880) 109. Rooyen, A. van. 'De St. Martinuskerk te Utrecht.' Utrechts jaarboekje, 61 (1902) 303-324. Rooijen, A. van. 'Echo's uit Abstede en Achter-Twijnstraat'. Utrechts jaarboekje, 62 (1903) 53-71. R[ooijen], A. van. 'Silo', de vroegere 'St.-Willibrorduskerk'. Utrechts jaarboekje, 71 (1912) xxiii-xxxv. Rooijen, A. van. 'Mgr. Th.S. Roes'. Utrechts jaarboekje, 73 (1914) ix-xliii. Rijnsoever, G.J. van. St. Maarten in de Tolsteeg. Geschiedenis van de Sint Martinusparochie te Utrecht. Utrecht, 1947. Schaik, A.H.M. van; Auwerda, R. en Dirkse, P.P.W.M. Katholiek Nederland en de Paus. Utrecht, 1985. Schaik, A.H.M. van. 'Parochie-geschiedenissen uit stad en provincie'. Maandblad Oud-Utrecht, 1988 (61) 133-136. Spiertz, M.G. L' église catholique des provinces-unies et le saint-siège pendant la deuxième moitié du XVIIe siècle. Leuven, 1975. Struick, J.E.A.L. 40 jaar Oudwijk, Utrecht, 1969. Stijnman, M.J.A. 'De katholieken en hun emancipatie; R.K. scholen te Utrecht in de 19e eeuw'. Niet uitgegeven doctoraalscriptie Universiteit Utrecht, 1984. Tepe, A. 'De voltooiing der kathedraal of St. Catharinakerk te Utrecht'. AAU, 27 (1901) 61-66.
Archief In 1982 werd door de beheerscommissie van de voormalige bezittingen van de St. Willibrordus-parochie een aantal stukken uit de periode 1373-1883 in bewaring gegeven. Het grootste deel van de archivalia was echter overgebracht naar het archief van het aartsbisdom. In 1991 werden de stukken in de Gemeentelijke Archiefdienst herenigd. In het Provinciale archief van de Orde der Dominicanen in Nijmegen berusten nog enkele stukken uit de dominicaner periode van de statie aan de Dorstige Hartsteeg. Inv.nr. 20 is afkomstig uit het archief van de St. Augustinus-parochie. Bij de inventarisatie vond vernietiging plaats van de volgende bestanddelen met een totale omvang van 2,40 m: dubbelen, bijlagen bij de rekening (met uitzondering van de jaren 1925, 1930, 1935 etc.) en de routinematige correspondentie van het kerkbestuur. De stukken jonger dan 50 jaar zijn slechts raadpleegbaar na schriftelijke toestemming van de aartsbisschop van Utrecht. De omvang van het archief bedraagt na de bovengenoemde vernietiging 3,20 m.
Lijst van primarii/pastoors van de parochie van Sint Willibrordus N.B. Rientjes, 'Roomsche kerken', archief parochie H. Willibrordus, inv.nr. 2, en gegevens welwillend ter beschikking gesteld door W. Bronkhorst, o.p., archivaris van de Provinciale Orde der Dominicanen te Nijmegen. Rientjes, 'Roomsche kerken', archief parochie H. Willibrordus, inv.nr. 2, en gegevens welwillend ter beschikking gesteld door W. Bronkhorst, o.p., archivaris van de Provinciale Orde der Dominicanen te Nijmegen. P. van der Rijst V. Andreae (Andriessen) J. Boudaen F. de Cocquiel C. Vincx H. Janssenooy F. Engelgrave C. Flores L. van der Hostijne R. Leemans F. Lorrin F.L. Wuijts F.A. Wils J.J. Reaal J. de Haan A. 't Hoen J. Hartman H.P.Th. Oosterbaan H.J. Stiphout G. Hartman P.H. van de Weijer H.Th. Mets H.A.M.H. van Romondt
Woord vooraf In deze bundel zijn de inventarissen opgenomen van de archieven van de Utrechtse parochies zoals deze in 1855 werden gevormd na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie: H. Dominicus, H. Augustinus, H. Willibrordus, H. Catharina, H. Martinus en OLV Tenhemelopneming. De parochies van de H. Dominicus en de H. Willibrordus zijn opgeheven. Het kerkgebouw van de H. Martinus is gesloten. De archieven van deze parochies kunnen dus als afgesloten worden beschouwd. Met uitzondering van de kerk van OLV Tenhemelopneming waren de kerkgebouwen gelegen in het gebied binnen de singels. De territoria strekten zich echter uit tot en soms voorbij de palen van de stad. Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw leidden de groei van de bevolking en de uitbreiding van de stad tot de bouw van nieuwe kerken en werden de parochiegrenzen dienovereenkomstig aangepast. De archieven van deze latere parochies zijn niet in deze inventaris opgenomen. Dit geldt uiteraard wel voor de archivalia van de bonte reeks staties die op de een of andere wijze voorgangers van de in 1855 gevormde parochies kunnen worden genoemd. Hoe dit ingewikkelde proces is verlopen, wordt in de deelinleidingen tot de verschillende archieven vermeld. De algemene inleiding geeft een beeld van de ontwikkeling van de rooms-katholieke parochiële organisatie in de stad Utrecht na de reformatie. De inventarissen zijn samengesteld door J.A.C. Mathijssen (H. Martinus, 1984; H. Dominicus, 1988) en A. Pietersma (OLV Tenhemelopneming, 1991; H. Willibrordus, 1992; H. Augustinus, 1992). De algemene en de deelinleidingen zijn voor het overgrote deel geschreven door D.J. Wijmer. Bij de eindredactie, waaraan ook mevrouw J.N. van der Meulen een onmisbare bijdrage heeft geleverd, hebben de twee eerstgenoemde inventarissen een grondige bewerking ondergaan. Dit geldt ook voor de inventaris van het archief van de H. Catharina, waarvoor gebruik kon worden gemaakt van de voorlopige inventaris die mevrouw E.J.A.M. Grijpink, inmiddels Fischer-Grijpink, in 1984 als stagiaire vervaardigde. De hier beschreven archieven bevatten een unieke schat aan gegevens over rooms-katholiek Utrecht na de reformatie, een periode waarin de rooms-katholieken zo'n 30-40% van de totale bevolking van de stad uitmaakten. Dank gaat uit naar het aartsbisdom, de verschillende kerkbesturen, het bestuur van de Broederschap van OLV van Kevelaer en de provinciale orden van de dominicanen en de augustijnen voor de bereidwilligheid hun stukken aan de zorgen van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht toe te vertrouwen. december 1992, A. Pietersma
Rooms-katholieke parochie van Sint Willibrordus te Utrecht De St. Willibrordus-parochie werd in 1855 opgericht als opvolger van de voormalige statie in de Jeruzalemsteeg/Herenstraat. Deze statie was rond 1636 gegrondvest door de augustijnen en na hun verhuizing in 1840 naar de Oudegracht in 1842 betrokken door de seculiere priester Joannes Hartman, afkomstig uit de statie in de Dorstige Hartsteeg. De geschiedenis der parochie gaat derhalve terug op laatstgenoemde statie en via deze op de statie St. Servaas Onder de Linden. Van alle drie staties bevinden zich stukken in het parochiearchief. De stukken uit de augustijner periode van de statie in de Jeruzalemsteeg bevinden zich in het archief van de parochie St. Augustinus; het merendeel van de geschiedenis van de statie in de Jeruzalemsteeg zal daarom bij die van deze parochie worden besproken. De statie St. Servaas Onder de Linden was een stichting van de dominicanen. Wat betreft de identiteit van de stichter en het jaar van stichting verschaffen de bronnen ons geen volledige zekerheid. De Woerdense franciscaan Van Honssen vermeldt in de achttiende eeuw een statie in de Kleine Eligensteeg, gesticht door de in 1599 uit Utrecht en rond 1610 uit Holland verbannen dominicaan Rolandus Obijn, overleden in 1624. Als dit klopt moet de stichting dus vóór 1599 hebben plaatsgevonden. Mogelijk was hij de of een voorganger van pater Jaspers, die in 1617 op zijn beurt op hoogbejaarde leeftijd werd opgevolgd door Paulus van Rijst, residerend bij Adriaenge van Gelder in de Kleine Eligensteeg doch soms ook in de kost bij de zusters van het zich in dezelfde steeg bevindende convent van Arckel. Hij werd in 1624 betrapt bij het opdragen van de mis in dit convent en gevangen genomen Meijer, Dominicanen, 43-44. . Van Rijst werd verbannen en opgevolgd door Vincentius Andreae (Andriessen), al sinds ca. 1620 werkzaam als assistent van Van der Rijst. Hij geldt gemeenlijk als degene die de dominicanen in Utrecht hun duurzaam verblijf en vaste werkkring gaf en derhalve als de definitieve grondlegger der statie Rientjes, 'Roomsche kerken', 39; Meijer, Dominicanen, 44. . Rond 1659 verhuisden de dominicanen naar de Dorstige Hartsteeg. De al genoemde Van Honssen geeft als reden de betere en gunstiger ligging in het centrum van de stad. De apostolisch vicaris Johannes van Neercassel besloot de vrijgekomen statie aan de seculiere geestelijkheid over te doen. De statie leidde vervolgens een noodlijdend bestaan, en werd gesloten in 1852. Het nieuwe onderkomen van de dominicanen in de Dorstige Hartsteeg (voorheen Hendrick de Royensteeg) was eigendom van particulieren. Blijkens de bewaard gebleven transportakten is de eigendom in de loop der tijd diverse malen in andere handen overgegaan Archief parochie H. Willibrordus, inv.nrs. 103-111. . In 1664 werd ze als volgt omschreven: 'P[aep] Floris, een dominicaner munnick, woont in de Lange Nieustraet, tweede huys van 't Dorstige Hartsteechjen, daerin sijn kerck oock uytcomt, bij zijn moeder' Hofman, 'Allerlei', 188. . De statie werd gewijd aan OLV van den H. Rozenkrans, waarvan tevens een broederschap in het kerkje gevestigd was. Deze broederschap vormde vaak de kern van de dominicaner staties. Daarnaast bestonden Broederschappen van 'den Alderheyligsten en aldersoetsten naem IHS' en van het 'St. Thomaskoord' (of: Broederschap van de engelachtige strijd) Rientjes, 'Roomsche kerken', 84. . Een opvolgingskwestie binnen de statie rond 1764 had grote gevolgen en leidde uiteindelijk tot de beruchte vroedschapsresolutie van 15 oktober 1764. Hoofdpersoon was Willem Fey, voormalig noodhulp van de statie 't Stijger te Rotterdam, die solliciteerde naar de functie van kapelaan van pastoor Wuyts in de Dorstige Hartsteeg. Deze had echter al een Brabander aangenomen. Fey diende vervolgens een verzoekschrift in bij de vroedschap, om als 'inlander' (hij was geboren in Amsterdam) alsnog tot de statie te worden toegelaten. De vroedschap besliste ten nadele van Fey, daar hij geen Utrechter was en bovendien moeilijkheden had gehad in Rotterdam, maar nam tevens een besluit ten aanzien van het toelaten en fungeren van priesters Stadsarchief II, inv.nr. 121; zie ook blz. 17. . Het besluit leidde er toe dat de statie, na de dood van pastoor Wuyts, op 8 juli 1774 in seculiere handen kwam. De eerste seculiere priester was F.A. Wils. Deze werd vervolgens echter ook belast met de zorg voor de heropende Catharijnestatie. Het gevolg was dat de gemeente uit het Dorstige Hartsteegje daarheen trok en de statie een tijdlang leeg stond. In 1780 werd ze echter heropend na de benoeming van pastoor J.J. Reaal Rientjes, 'Roomsche kerken', 86. . In 1807 had de kerk 725 communicanten. Het kerkgebouw werd in die tijd omschreven als 'klein, oud en zeer slecht'. In 1838 werd de statie op last van de vice-superior omgedoopt in 'statie van de H. Maagd Maria of OLV'. De toestand van het kerkgebouw was ondertussen van dien aard, dat pastoor Hartman in 1839, na de mogelijkheid van verhuizing naar de vrijgekomen Augustijnerstatie in de Herenstraat vanwege de geringe ruimte daar te hebben afgewezen, machtiging vroeg tot bouw van een nieuwe kerk. Deze zou meer in het centrum van de stad gelegen moeten zijn. Vanwege financiële perikelen ging de nieuwbouw niet door, maar verhuisde men in 1842 alsnog naar de Jeruzalemsteeg/Herenstraat. Het belendende pand aan de westzijde van de kerk werd aangekocht en ingericht als pastorie. De kerk werd omgedoopt tot St. Willibrorduskerk. De voormalige kerk en de bijbehorende huisjes in de Dorstige Hartsteeg werden in het openbaar verkocht Rientjes, 'Roomsche kerken', 88-90. . Bij aartsbisschoppelijk besluit van 25 augustus 1855, ingaande 31 december van dat jaar, werd in plaats van de statie St. Willibrordus canoniek opgericht de parochie St. Willibrordus. De grenzen van de parochie werden als volgt omschreven: 'De parochie van den H. Willibrordus bevat behalve de wijk F, ook wijk G en H en wordt omschreven door de zuidzijde van de Heeren- en de Hamburgerstraat, en van daar door de oostzijde der Oudegracht tot de Weerdbarrière of Weerdpoort, met uitsluiting van hetgeen van wijk C zich daarbinnen bevindt of oostwaarts der gracht bevindt, terwijl van daar de buitengracht opwaarts tot over de Heerenstraat haar omvat en scheidt' Archief parochie OLV Tenhemelopneming, inv.nr. 66. . De St. Martinuskerk in de Herenstraat werd opgeheven als statiekerk en als bijkerk bij de St. Willibrorduskerk gevoegd Archief parochie H. Catharina, inv.nr. 136. . Ze werd in 1873 afgebroken om plaats te maken voor het St. Gregoriushuis, het nieuwe in 1875 betrokken onderkomen van de fraters van de congregatie van OLV van het H. Hart, gewoonlijk genoemd de fraters van Utrecht Stijnman, 'De katholieken', 98. . De St. Willibrordus bleek met haar 400 zitplaatsen voor 1200 kerkgangers als parochiekerk veel te klein, en was bovendien ongunstig gelegen. Daarom nam het kerkbestuur onder pastoor Stiphout in 1873 het besluit tot de bouw van een nieuwe kerk. Gezien het feit dat de parochie samenviel met de aanzienlijkste wijken van de stad en relatief weinig armen telde, had men de financiën snel rond Van Meegeren, 'Katholiek Utrecht', 38. . In 1874 werd het terrein van het R.K. meisjes- en oude vrouwenhuis in de Minrebroederstraat aangekocht. In 1875 werd met de sloop van het weeshuis en de bouw van de door A. Tepe ontworpen neo-gotische kerk begonnen. Op 21 juni 1877 kon ze plechtig worden ingewijd. Voor de vestiging van de pastorie werd in 1874 het pand in de Minrebroederstraat aangekocht dat tot dan als logement voor ooglijders dienst deed. Op 4 maart 1940 werden de parochiegrenzen gewijzigd door een uitbreiding met een deel van de in 1939 ontbonden St. Dominicus-parochie. In 1962 verschenen de eerste berichten over een mogelijke opheffing van de St. Willibrordus-parochie zelf. Toen in 1964 pastoor H.Th. Mets zijn pastoraat had neergelegd, werd geen opvolger benoemd, maar kreeg de kapelaan de opdracht de parochie in stand te houden, terwijl een diepgaand onderzoek naar de mogelijkheden der parochie werd ingesteld. In november 1966 viel de beslissing dat de Willibrorduskerk op 3 april 1967 gesloten zou worden. De parochie zou ophouden te bestaan en de parochianen zouden worden ondergebracht in de parochies van St. Augustinus en St. Catharina. Later kwam het gebouw in gebruik bij een groep conservatieve katholieken rond pater W. Kotte.
Datum
1 januari 1661 - 1 januari 1967
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media