Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Duitse inval in Noord-Brabant

Duitse inval in Noord-Brabant

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. De belangrijkste verdedigingslinie in Brabant was de Peel-Raamstelling die liep van Grave en Mill naar Weert, kort achter de Maas. De verdedigingslinie werd in de eerste dag van de oorlog overrompeld door een Duitse overmacht. Via luchtlandingen nam het Duitse leger strategische posities zoals de Moerdijkbrug in.

Filter op
Geen filters gevonden
Geen filters gevonden
Geen filters gevonden
Geen filters gevonden
Hoge Hexel, monument voor kapitein A.F. Lancker

Het monument voor kapitein A.F. Lancker in Hoge Hexel (gemeente Wierden) is opgericht ter nagedachtenis aan de verzetsman die op 11 februari 1945 in de strijd tegen de bezetter is gesneuveld. Albert Ferdinand Lancker werd geboren op 2 maart 1894 in Utrecht. Na een militaire opleiding in Kampen vertrok hij in 1921 als 1e luitenant van de Infanterie naar het voormalige Nederlands-Indië. In 1933 keerde hij terug naar Nederland. In de meidagen van 1940 heeft Lancker als kapitein met zijn troepen in het gebied van De Peel in Noord-Brabant gevochten. Toen hij eind 1940 door de bezetter enige maanden gevangen werd gezet, besloot hij onder te duiken. Eind 1942 betrok Lancker als 'mijnheer De Jong' een woning in Hellendoorn aan de weg naar Ommen. Van hieruit bouwde hij geleidelijk aan een geheime verzetsorganisatie op. In zijn woning werd het hoofdkwartier van de Raad van Verzet (RVV) gevestigd. Lancker werd de commandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Twente en Salland. Hij probeerde de vele verzetsgroepen die overal actief waren, te bundelen in hechte organisatie. Lancker bediende zich van de schuilnaam 'Evert', om zijn identiteit niet te verraden. Commandant Lancker formeerde zgn. guerrillagroepen, die o.a. verzetspamfletten verspreiden, onderdak verschaften aan bemanningsleden van neergestorte vliegtuigen, gevluchte gevangenen hielpen en onderduikers verzorgden. Zo werkte de Wierdenaar Gerard Niezink (de 'kleine mus') mee aan de verspreiding van illegale bladen als Trouw en Vrij Nederland . Buitendien hielp hij bij wapendroppings en het onderbrengen van geallieerde piloten. Andere jongemannen, zoals Henk Michel, de broers Marinus en Henk Heerdink en Dirk van Harten, hielden zich vooral bezig met sabotageacties, zoals het laten ontsporen van treinen en het plegen van gewapende overvallen. De politieman Klaas van der Weerd werd in de zomer van 1943 door Lancker benoemd tot commandant van de plaatselijke verzetsgroep. In de nacht van 9 op 10 september 1944 vond in de buurtschap Piksen een wapendropping plaats. De dropping was via de radio vanuit Londen aangekondigd. Die avond verzamelde zich onder leiding van commandant Lancker een groepje mannen op een boerderij, vlak bij het afgesproken droppingsgebied aan de Loomsweg. Toen omstreeks twee uur in de nacht het gebrom van vliegtuigen te horen was, ging de groep snel naar buiten om met lichtsignalen het afwerpterrein te markeren. Even later kwamen geruisloos een aantal containers aan parachutes naar beneden. Ze werden verzameld, op wagens geladen en in een rap tempo afgevoerd naar een afgelegen keet in de buurt. Ook waren drie geheim agenten (zgn. Engelandvaarders) met de vracht mee naar beneden gekomen om te helpen bij het uitbouwen van het verzetswerk. Twee weken na de dropping deed de bezetter een inval in Lanckers woning. Maar 'Evert' woonde hier niet meer. Hij had al enige tijd een nieuwe commandopost ingericht bij de familie Nieuwboer te Hoge Hexel. Wel werd zijn vriendin en helpster, Ria Hermans, gearresteerd en aan een zwaar verhoor onderworpen. Hoewel ze de nieuwe schuilplaats niet verraadde, wist de bezetter toch zoveel uit haar los te krijgen dat er in Zenderen een illegale groep kon worden gearresteerd. Hun hoofdkwartier (Huize Lidwine) werd opgeblazen en een aantal leden werd direct ter plaatse doodgeschoten. Ria Hermans werd in een gevangenis in Gronau opgesloten, maar op 11 februari 1945 werd zij bevrijd en naar Lanckers commandopost in Hoge Hexel gebracht. Diezelfde middag stopte omstreeks 14.00 uur een auto voor het pand. Vier leden van de Sicherheitsdienst uit Almelo sprongen uit de wagen. Zoon Tom Nieuwboer herinnert zich de gebeurtenis als volgt: 'Vier Duitsers omsingelen het huis en twee van hen komen de huiskamer binnen, waar iedereen aanwezig is, de hele familie Nieuwboer, Leo Blomkowski (een uit het leger gevluchte Duitse soldaat), Evert en Ria. Iedereen zit nog aan tafel, want we zijn juist klaar met eten. Er volgt een huiszoeking, we moeten allen in de kamer blijven en worden onder schot gehouden. De jassen aan de kapstok worden nagezocht en terwijl dat gebeurt, draait mijn vader de ouderwetse klok op, wat nogal een ratelend geluid maakt. Omdat hij daardoor wat afgeleid wordt, vergeet één SD'er de jas van Evert te onderzoeken, waarin een revolver zit. Evert, Leo en ikzelf krijgen het bevel onze jassen aan te trekken. Evert pakt daarbij zijn niet-ontdekte revolver, schiet de twee Duitsers die het dichtst bij de voordeur staan neer en vlucht door de achterdeur naar buiten. Onmiddellijk zetten de twee overgebleven SD'ers de achtervolging in. Voor de rest van de familie is er nu nog maar één oplossing om er levend vanaf te komen: zo snel mogelijk zien weg te komen. Ieder vliegt een kant op en moet maar zien hoe het afloopt. Na verloop van tijd komen de Duitsers bij de woning terug en steken deze in brand: de vluchtelingen krijgen ze niet meer te pakken. Dankzij goede hulp en onderduikadressen op een groot aantal plaatsen zijn er geen slachtoffers meer gevallen.' Uit latere verklaringen van ooggetuigen blijkt dat op de vluchtende 'Evert' een groot aantal kogels is afgevuurd, waarvan sommige hem geraakt hebben. Toch zag hij kans nog zigzaggend het veld in te rennen. Na ongeveer een kilometer zakte hij in elkaar, nadat hij waarschijnlijk zichzelf nog een kogel door het hoofd had geschoten. Toen zijn vrienden hem vonden, was hij al dood. Lanckers devies 'Mij zullen ze niet levend in handen krijgen' was bewaarheid. In Hoge Hexel en Hellendoorn is een straat naar de omgekomen verzetsstrijder genoemd. Onthulling Het monument is onthuld op 20 oktober 1949.

Vervaardiger
F.W. Haselhoff
Organisatie
Nationaal Comité 4 en 5 mei
Trouw
Vrij Nederland
SD
Monument
Hellendoorn, verzetsmonument
Monument

Het verzetsmonument in Hellendoorn is opgericht ter nagedachtenis aan zeven verzetsmannen die in de strijd tegen de bezetter is gesneuveld. De namen van de zeven slachtoffers luiden: T. Braakman, J. Kapteijn, H.A. Harthollt, kapitein A.F. Lancker, H. Kampman, G.J. Piksen en B. v.d. Wal, Alfred Ferdinand Lancker werd geboren op 2 maart 1894 in Utrecht. Na een militaire opleiding in Kampen vertrok hij in 1921 als 1e luitenant van de Infanterie naar het voormalig Nederlands-Indië. In 1933 keerde hij terug in Nederland. In de meidagen van 1940 heeft Lancker als kapitein met zijn troepen in het gebied van De Peel in Noord-Brabant gevochten. Toen hij eind 1940 door de bezetter enige maanden gevangen werd gezet, besloot hij onder te duiken. Eind 1942 betrok Lancker als 'mijnheer De Jong' een woning in Hellendoorn aan de weg naar Ommen. Van hieruit bouwde hij geleidelijk aan een geheime verzetsorganisatie op. In zijn woning werd het hoofdkwartier van de Raad van Verzet (RVV) gevestigd. Lancker werd de commandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten in Twente en Salland. Hij probeerde de vele verzetsgroepen die overal actief waren, te bundelen in hechte organisatie. Lancker bediende zich van de schuilnaam 'Evert', om zijn identiteit niet te verraden. Commandant Lancker formeerde zgn. guerrillagroepen die o.a. verzetspamfletten verspreiden, onderdak verschaften aan bemanningsleden van neergestorte vliegtuigen, gevluchte gevangenen hielpen en onderduikers verzorgden. Zo werkte de Wierdenaar Gerard Niezink (de 'kleine mus') mee aan de verspreiding van illegale bladen als Trouw en Vrij Nederland. Buitendien hielp hij bij wapendroppings en het onderbrengen van geallieerde piloten. Andere jongemannen als Henk Michel, de broers Marinus en Henk Heerdink en Dirk van Harten hielden zich vooral bezig met sabotageacties, zoals het ontsporen van treinen en het plegen van gewapende overvallen. De politieman Klaas van der Weerd werd in de zomer van 1943 door Lancker benoemd tot commandant van de plaatselijke verzetsgroep. In de nacht van 9 op 10 september 1944 vond in de buurtschap Piksen een wapendropping plaats. De dropping was via de radio vanuit Londen aangekondigd. Die avond verzamelde zich onder leiding van commandant Lancker een groepje mannen op een boerderij, vlakbij het afgesproken droppingsgebied aan de Loomsweg. Toen omstreeks twee uur in de nacht het gebrom van vliegtuigen te horen was, ging de groep snel naar buiten om met lichtsignalen het afwerpterrein te markeren. Even later kwamen geruisloos een aantal containers aan parachutes naar beneden. Ze werden verzameld, op wagens geladen en in een rap tempo afgevoerd naar een afgelegen keet in de buurt. Ook waren drie geheime agenten (zgn. Engelandvaarders) met de vracht mee naar beneden gekomen om te helpen bij het uitbouwen van het verzetswerk. Twee weken na de dropping deed de bezetter een inval in Lanckers woning. Maar 'Evert' woonde hier niet meer. Hij had al enige tijd een nieuwe commandopost ingericht bij de familie Nieuwboer te Hoge Hexel. Wel werd zijn vriendin en helpster, Ria Hermans, gearresteerd en aan een zwaar verhoor onderworpen. Hoewel ze de nieuwe schuilplaats niet verraadde, wist de bezetter toch zoveel uit haar los te krijgen dat er in Zenderen een illegale groep kon worden gearresteerd. Hun hoofdkwartier (Huize Lidwine) werd opgeblazen en een aantal leden werden direct ter plaatse doodgeschoten. Ria Hermans werd in een gevangenis in Gronau opgesloten. Maar op 11 februari 1945 werd zij bevrijd en naar Lanckers commandopost in Hoge Hexel gebracht. Diezelfde middag stopte omstreeks 14.00 uur een auto voor het pand. Vier leden van de Sicherheitsdienst uit Almelo sprongen uit de wagen. Zoon Tom Nieuwboer herinnert de gebeurtenis zich als volgt: 'Vier Duitsers omsingelen het huis en twee van hen komen de huiskamer binnen, waar iedereen aanwezig is, de hele familie Nieuwboer, Leo Blomkowski (een uit het leger gevluchte Duitse soldaat), Evert en Ria. Iedereen zit nog aan tafel, want we zijn juist klaar met eten. Er volgt een huiszoeking, we moeten allen in de kamer blijven en worden onder schot gehouden. De jassen aan de kapstok worden nagezocht en terwijl dat gebeurt, draait mijn vader de ouderwetse klok op, wat nogal een ratelend geluid maakt. Omdat hij daardoor wat afgeleid wordt, vergeet één SD-er de jas van Evert te onderzoeken, waarin een revolver zit. Evert, Leo en ikzelf krijgen het bevel onze jassen aan te trekken. Evert pakt daarbij zijn niet-ontdekte revolver, schiet de twee Duitsers die het dichtst bij de voordeur staan neer en vlucht door de achterdeur naar buiten. Onmiddellijk zetten de twee overgebleven SD-ers de achtervolging in. Voor de rest van de familie is er nu nog maar één oplossing om er levend vanaf te komen: zo snel mogelijk zien weg te komen. Ieder vliegt een kant op en moet maar zien hoe het afloopt. Na verloop van tijd komen de Duitsers bij de woning terug en steken deze in brand: de vluchtelingen krijgen ze niet meer te pakken. Dankzij goede hulp en onderduikadressen op een groot aantal plaatsen zijn er geen slachtoffers meer gevallen.' Uit latere verklaringen van ooggetuigen blijkt dat op de vluchtende 'Evert' een groot aantal kogels is afgevuurd, waarvan sommigen hem geraakt hebben. Toch zag hij kans nog zigzaggend het veld in te rennen. Na ongeveer een kilometer zakte hij in elkaar, nadat hij waarschijnlijk zichzelf nog een kogel door het hoofd had geschoten. Toen zijn vrienden hem vonden, was hij al dood. Lancker's devies 'Mij zullen ze niet levend in handen krijgen' was bewaarheid. In Hoge Hexel en Hellendoorn zijn een straat naar de omgekomen verzetsstrijder genoemd.

Organisatie
Nationaal Comité 4 en 5 mei
Raad van Verzet
Vrij Nederland
Trouw
Wilson
Archief

<p xmlns="urn:isbn:1-931666-22-9"> De collectie werd begin 1976 aan de toenmalige Sectie Krijgsgeschiedenis geschonken door de weduwe van Wilson, mevrouw R.A.J. Wilson-Du Gardein. Naast de in de inventaris beschreven archiefstukken bestaat de collectie uit boeken, brochures, tijdschriften en een achttal fotoalbums. Deze hebben ondermeer betrekking op excursies militaire aardrijkskunde uit de jaren dertig, het gevechtsterrein in Noord-Limburg en Oost-Brabant na de meidagen van 1940 en op Wilsons reizen door Nederlands-Indië. Alle foto's die genoemd worden in de inventaris, komen voor in deze albums. <lb/> De rubrieken I t/m VII bestaan uit beschrijvingen van stukken die Wilson als militair heeft ontvangen en opgemaakt. Rubriek VIII bevat hoofdzakelijk uit privé-correspondentie. <lb/> In rubriek IX bevinden zich stukken die Wilson heeft verzameld als bronmateriaal voor de militaire geschiedenis. Deze vormen een afzonderlijke rubriek omdat niet blijkt dat deze stukken hem uit hoofde van zijn functie werden toegezonden of door hem werden opgesteld. Dit is dan ook de reden waarom ze afzonderlijk werden gerubriceerd. Rubriek X bevat een afzonderlijke serie publicaties, die in 1976 als onderdeel van de collectie aan de sectie Krijgsgeschiedenis zijn geschonken. Zij zijn voor het merendeel door Wilson zelf geschreven. <lb/> Rubriek XI bestaat uit biografische gegevens over Wilson die later aan de collectie werden toegevoegd. </p> <p xmlns="urn:isbn:1-931666-22-9"> De archiefstukken in de collectie werden in 1977 geordend en beschreven door drs. J.P.C.M. van Hoof. De toen gemaakte inventaris is opgenomen onder inv.nr. 89. De inventaris werd in 2009 aangepast en gedigitaliseerd door dr. F.T.J. Godin. <lb/> De looptijd van de collectie omvat de jaren 1907-1970. De collectie is volledig openbaar. </p>

Datum
1 januari 1907
Organisatie
Nederlands Instituut Militaire Historie
Peel-Raamstelling
Dokkum, oorlogsmonument

Het oorlogsmonument in Dokkum (gemeente Noardeast-Frysl&acirc;n ) is opgericht ter nagedachtenis aan 51 burgers, waaronder veertien verzetsmensen, die tijdens de bezettingsjaren door oorlogshandelingen zijn omgekomen. Twintig gevangenen uit Leeuwarden en Groningen werden op 22 januari 1945 aan de Woudweg te Dokkum door de bezetter gefusilleerd. De namen van de twintig slachtoffers luiden: D. Adler , H.E. Blaauw, H. Boersema, J.W. Bukers, J. van Dijken, J. Duursma, A. Frensdorf , H.I. van Gelder , A. Heudenrijk, L. Hulshoff, H.F.W. Krohne, H. Krolis, H. Lommert, E. Meinsma, W. Moorman, G. Postma, J. Ruinen, A.E. Sachs , F. Walters en H. Woldring. Veertien verzetsmensen sneuvelden in de strijd tegen de bezetter. De namen van de veertien slachtoffers luiden: I. de Beer, J.W.B. Cohen , K. van Dijk, J. van Dijken, J. Drost, J.J. Erich, J. Glas, L. Hulshoff, J. Lemstra, J. Lolkama., S. Lolkema, , J.J.C. Terwisscha van Scheltinga, P. Woudsma en W. Woudsma. Zeventien medeburgers zijn omgekomen tijdens een razzia op 3 mei 1943. Op 13 januari 1945 ontdekte de bezetter wapens op een boerderij in de buurt van het afwerpterrein onder Aalsum bij Dokkum. In de omgeving volgde een reeks arrestaties. Op 19 januari zouden drie arrestanten worden overgebracht naar Leeuwarden. Een van hen was de apotheker dr. Pieter Engelbertus Gunster. In zijn apotheek was het hoofdkantoor van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten gevestigd. Hier werden geregeld vergaderingen gehouden. Om Gunster te bevrijden hebben verzetsstrijders de arrestantenwagen bij het dorp Valom gedwongen te stoppen. Een lid van het Sonderkommando Albrecht uit Leeuwarden werd bij deze overval gedood, evenals de Belgische chauffeur. De Duitse Grundmann wist te ontkomen. De gearresteerde Gunster, die een schotwond in zijn knie had, kon worden bevrijd. De wraak van Kommando Albrecht was meedogenloos. Aan de Woudweg werden twintig gevangenen, zonder enige vorm van proces, neergeschoten. Deze massa-executie was de grootste die in de provincie Friesland heeft plaatsgevonden. David Adler werd geboren in Hongarije, op 18 april 1885. Hij was ongehuwd en stateloos. Op 9 december 1944 is hij opgepakt door de bezetter en ingesloten in het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Van daaruit is hij naar Dokkum afgevoerd waar ook hij door de bezetter is gefusileerd. Ids de Beer werd geboren op 7 juli 1916 in Nes. De 28-jarige handelsreiziger was medewerker van de Landelijke Organisatie voor hulp aan Onderduikers (L.O.) in Dokkum en werkte onder de schuilnaam 'Viervoeter'. Na de massaexecutie aan de Woudweg zochten alle verzetsmensen uit Dokkum een veilig heenkomen. Ten gevolge van een aantal andere arrestaties werd ook De Beer gezocht. De bezetter kwam hem op het spoor in Leeuwarden, waar hij op 2 februari 1945 tijdens een vluchtpoging werd neergeschoten. Kort daarna stierf hij aan zijn verwondingen. De Beer werd begraven op de N.H. begraafplaats in Nes. J.W.B. Cohen werd geboren op 30 juni 1904 in Amsterdam. Hij was een hervormd predikant in Dokkum, waar hij in mei 1941 werd gearresteerd omdat hij in een preek tegen de bezetter had geageerd. Cohen werd weliswaar weer vrijgelaten, maar twee maanden later opnieuw gevangen genomen in verband met de inhoud van zijn preek, gebaseerd op Handelingen 5 vers 29: 'Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: 'Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen.' De predikant werd overgebracht naar het Beierse concentratiekamp Dachau en als man van joodse origine in een van de beruchtste afdelingen geplaatst. Ds. Cohen stierf daar op 23 mei 1942. Hij werd begraven op het Nederlandse ereveld van het Waldfriedhof te Frankfurt am Main. Klaas van Dijk werd geboren op 11 augustus 1893 in Dokkum. In het verzet stond hij bekend onder de schuilnaam 'Omke Klaas'. Hij was de eerste Dokummer die bonkaarten voor joodse onderduikers kon distribueren. De schoenwinkel van Van Dijk was een regionaal contactcentrum voor de verzetsbeweging. Daar werd ook de verspreiding van illegale bladen geregeld. Verder behoorde 'Omke Klaas' tot de Dokkumer Knokploeg en hield hij zich bezig met spionagewerk. Op 8 december 1944 was hij op de boerderij van Ernst Meinsma in Nes, toen de Grenzschutz van Oostmahorn een inval deed. Er werd een radio gevonden en Meinsma werd gearresteerd. Toen de boer toestemming kreeg zich te verkleden, verstopte hij zich samen met zijn zoon en Van Dijk. Na lang wachten kwam Van Dijk uit de schuilplaats tevoorschijn, maar de bezetter was nog aanwezig. Toen Van Dijk werd opgemerkt, werd hij doodgeschoten. Hij ligt begraven op de N.H. begraafplaats in Aalsum. Jan van Dijken werd geboren op 25 juni 1903 in Appingedam. De 41-jarige directeur van het Dokkumer postkantoor werd op 22 januari 1945 aan de Woudweg gefusilleerd. Van Dijken stond in Dokkum niet bekend als verzetsman, maar is waarschijnlijk door de bezetter verantwoordelijk gesteld voor de clandestiene telefoonaansluiting in de apotheek van de verzetsman dr. Gunster aan de Zijl. Van Dijken werd begraven op de Algemene begraafplaats in Dokkum. Jan Drost werd geboren op 9 februari 1917 in Leeuwarden. Hij sneuvelde als wachtmeester bij de artillerie te Goes op 15 mei 1940. Drost werd begraven op het erehof van de Algemene begraafplaats in Dokkum. Arnold Frensdorf werd geboren op 23 januari 1882 in Frankfurt am Main. Hij woonde samen met zijn vrouw Gertrud Stein in Amsterdam. Ze werden op 20 januari 1945 opgepakt en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Groningen. Arnold Frensdorf is de volgende dag door de bezetter naar Dokkum afgevoerd, waar hij aan de Woudweg is gefusileerd. Herman van Gelder, geboren op 24 april 1911 in Groningen, was slager van beroep. Hij was woonachtig in Groningen, samen met zijn vrouw Cornelia Bandina Schipper en hun dochters Sara, Suzanna Elisabeth en Rach&egrave;l. Herman van Gelder hoorde bij de groep gevangenen die op 20 januari 1945 in Dokkum zijn gefusileerd. Zijn (niet-joodse) vrouw en kinderen hebben de oorlog overleefd. Johannes Joseph Erich werd geboren op 10 september 1914 in Dokkum. In het verzet werkte hij onder de schuilnaam 'Schipper'. De PTT-medewerker werd op 26 mei 1944 doodgeschoten in het inspectiekantoor van de belastingen in Drachten. Erich werd begraven op het Ereveld Loenen. Johannes Glas werd geboren op 7 april 1919 in Drachten en was bakker in Dokkum. In verband met de arbeidsinzet was hij ondergedoken in Marum (Groningen). Op 3 mei 1943 vielen commando's van de bezetter het dorp binnen. Zeventien mensen werden vermoord, onder wie Glas. Hij werd begraven op de begraafplaats bij de N.H. Kerk in Marum-West. Louwrens Hulshoff werd geboren op 13 juli 1920 in Dokkum. De bankbediende was lid van de Knokploeg in Dokkum en opereerde onder de schuilnaam 'Keimpe'. Hij hield zich vooral bezig met het verbergen en distribueren van gedropte wapens. Op 17 januari 1945 werd hij bij zijn vader thuis opgepakt als gevolg van andere arrestaties, waarbij een gemartelde gevangene zijn naam had genoemd. Vrienden van Hulshoff probeerden hem tevergeefs te bevrijden. Hulshoff werd op 22 januari 1945 aan de Woudweg gefusilleerd. Hij werd begraven op de N.H. begraafplaats in Aalsum. Jacob Lemstra werd geboren op 21 mei 1924 in Dokkum. De 20-jarige timmerman was tijdens de oorlog ondergedoken bij boer Feddema in Raard. Toen Lemstra op weg was naar de arbeider van Feddema op het veld, werd hij opgemerkt door een passerende patrouille van de bezetter. Vervolgens raakte Lemstra tijdens een vluchtpoging gewond. De familie Feddema heeft hem drie weken verpleegd, waarna hij naar zijn ouders in Dokkum terugkeerde. De gewaarschuwde huisarts constateerde echter inwendige bloedingen, waarop hij direct naar het Diaconessenhuis in Leeuwarden werd vervoerd. Hier stierf hij op 26 december 1944. Lemstra werd begraven op de Algemene begraafplaats in Dokkum. Johannes Lolkama werd geboren op 3 juli 1921 in Dokkum. Hij voer als lichtmatroos op het motorschip 'Omlandia', dat in de ochtend van 8 augustus 1940 door twaalf vijandelijke vliegtuigen ter hoogte van het eiland Wight werd beschoten. Lolkama was het enige bemanningslid dat bij deze aanval verwondingen opliep. Hij werd overgebracht naar Poole in Engeland, waar hij de volgende dag stierf. Lolkama werd begraven op het Nederlandse Ereveld Mill Hill Cemetery Hendon. Sijtse Lolkema werd geboren op 8 september 1888 in Oostrum. Hij was aannemer en verzorgde onderduikers in Dokkum en omgeving tot september 1943. Toen Dokkum te gevaarlijk voor hem werd, besloot hij naar Groningen te gaan, waar hij zich opnieuw in het onderduikwerk stortte. Om voor deze mensen bonkaarten te krijgen, ging Lolkema op 13 maart 1944 naar de gemeentesecretaris in Bedum. Deze verwees hem door naar de distributieleider, over wiens betrouwbaarheid Lolkema inlichtingen inwon bij een plaatselijke caf&eacute;houder. Deze praatte zijn mond voorbij tegen vrienden van de Gestapo. Op 15 maart werd Lolkema in de bus naar Groningen gearresteerd. Hij werd tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld en naar Duitsland overgebracht. Lolkema stierf op 21 januari 1945 in het kamp te Siegburg. Hij werd herbegraven op de Algemene begraafplaats in Dokkum. Abraham Emanu&euml;l Sachs werd geboren op 4 februari 1899 in Winschoten. Daar was hij winkelier. Vanwege het feit dat hij 'gemengd gehuwd' was met Annigje de Jong, werd hij na een kort verblijf in Kamp Westerbork weer vrij gelaten. Enige tijd later werd Sachs toch opnieuw gearresteerd, onder valse voorwendselen. Via het Scholtenhuis kwam hij terecht in het Groningse Huis van Bewaring. Abraham Sachs is op 22 januari 1945 in Dokkum door de bezetter gefusilleerd. Jacques Johan Cornelis Terwisscha van Scheltinga werd geboren op 8 juli 1922 in Schiedam. Hij was verkoper in een kledingmagazijn in Dokkum en moest in verband met de arbeidsinzet naar Duitsland. Op het Leeuwarder station wist hij echter te ontvluchten. Hij dook onder bij zijn oom in Weert, waar hij in contact kwam met de verzetsman Brummans. Zijn eerste illegale werk verrichtte hij op 8 juli 1943, toen hij een geallieerde piloot naar Belgi&euml; bracht. Na verscheidene malen te zijn opgepakt en weer ontvlucht te zijn, werd hij op 7 november 1943 weer gearresteerd door verraad bij de bevriende familie Breukers in Weert. Ontsnapping bleek ditmaal niet meer mogelijk. Via Haaren in Noord-Brabant kwam hij terecht in de gevangenis aan de Gansstraat in Utrecht. Jacques werd veroordeeld tot 20 jaar tuchthuisstraf. Via Recklinghausen en Hameln werd hij tewerkgesteld in de zoutmijnen van Celle. Hij stierf op 11 april 1945 en werd begraven op het Waldfriedhof te Celle. Petrus (P&eacute;) Woudsma werd geboren op 12 november 1919 in Dantumawoude (thans Damwoude). Hij was ambtenaar op het bureau van de brandstoffencommissaris in Dokkum. Woudsma was lid van de Knokploeg en samen met zijn broer Wytze deed hij koerierswerk voor de L.O. Woudsma werd op 27 maart 1945 gearresteerd tijdens een razzia in Brantgum en overgebracht naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Op 3 april werd hij in de gevangenwagen naar het Paleis van Justitie gebracht, waar hij kort verbleef. Nadat hij weer was ingestapt, stopte de wagen bij de Noorderplantage. Hij werd uit de auto gehaald en bij de stadsgracht neergeschoten. Woudsma werd begraven op het erehof van de Algemene begraafplaats in Dokkum. Wytze Woudsma werd geboren op 12 februari 1921 in Dantumawoude. Hij was kantoorbediende en werkte in de illegaliteit onder de schuilnaam 'Rienk Prins'. Op 19-jarige leeftijd werkte hij als dwangarbeider in een munitiefabriek in Duitsland. Hij werd ziek en keerde met tuberculose terug naar Dokkum. Toen hij was opgeknapt, sloot hij zich aan bij het verzet en hielp hij joden. Woudsma was ook lid van de Knokploeg en deed spionagewerk. Toen het gevaar in de zomer van 1944 voor Woudsma te groot werd, ging hij naar een Leidse inrichting waar hij zijn spionagewerk voortzette. Op 22 juni 1944 werd hij gearresteerd en via 'Het Oranjehotel' in Scheveningen overgebracht naar kamp Vught. Op 4 september 1944 werd Woudsma ge&euml;xecuteerd. Onthulling Het monument is onthuld in 1949.

Vervaardiger
Nel Bakema (1902-1992)
Organisatie
Nationaal Comité 4 en 5 mei
Scholtenhuis
PTT
Sonderkommando's
Monument
Inventaris
Archief

‘De Osse Bende’, 1930-1939 De neergaande economische ontwikkelingen en de grote werkeloosheid zorgden voor toename van de sociale onrust en criminaliteit in Oss. Een van de redenen was het vertrek van de Jurgens’ boterfabrieken aan de Kruisstraat naar Rotterdam, gevolgd door de afdeling margarine van de firma Hartog. Uit de opgemaakte processenverbaal in de bewuste periode, blijkt dat het telkens ging om één of twee personen, van een bende was geen sprake. De meesten van hen behoorde tot een sociale groep van eenvoudige komaf, een vrij landleven gewend, met een hoog solidariteitsgevoel die zich verzetten tegen de fabrieksbaronnen. Hun ouders bleken vaak in de voorafgaande decennia al betrokken te zijn geweest bij soortgelijke criminele activiteiten. Hun gedrag werd ook wel beschouwd als een soort verzetsdaad tegen het heersende regiem in de Osse fabrieken. Dat regiem bestond uit lange werktijden en strikte regels, met strenge boetebepalingen. Door het hoge aantal werklozen in een omgeving met weinig politietoezicht, was de verleiding groot om op inbrekerspad te gaan. In hun vaste stamkroeg D’n Bergsche Boer, gelegen op het Schaijks veld, pochten ze vaak in beschonken toestand over hun heldendaden van veelal kippendiefstallen, woninginbraken, roofovervallen en noodlottige branden. Hier werden de plannen gesmeed. De houdster van deze stille kroeg ‘Hanneke Martekus’ stond de vaak jonge bendeleden met raad en daad bij. Was de slag gelukt dan ontving zij het door haar vastgestelde percentage van de buit. Voor de politie was het moeilijk om voldoende bewijsmateriaal tegen haar te verzamelen. Als de politie een inval deed in het bewuste café kon men via de achteruitgang het Teugenaarspad op om zo in de Osse Heide een goede verstopplek te vinden. In die periode speelde ook de oplichtingpraktijken van verzekeringsagent Snabel, die in samenwerking met de Osse criminelen heel wat inbraken en branden organiseerde.

Datum
1 januari 1856 - 1 januari 1950
Het Nationale Dagblad
Weerbaarheidsafdeeling
SD
Demka Staalfabrieken te Utrecht
Archief

Geschiedenis van het bedrijf DE IJZERGIETERIJ IN MARTENSHOEK De oorsprong van de Demka Staalfabrieken BV ligt in Martenshoek (gem. Hoogezand, prov. Groningen). Kort na 1850 begon Ewe ten Oever daar een ijzergieterij. In 1882 trad Jan Menzo de Muinck Keizer tot de firma toe en in 1891 werd hij eigenaar. Het bedrijf kreeg later de naam IJzer- en Metaalgieterij J.M. De Muinck Keizer. De Muinck Keizer verkreeg uit Duitsland de licentie van het procédé van reformstaal en het alleenrecht op de productie ervan in Nederland. Daarmee werd in 1902 in Nederland voor het eerst staal gefabriceerd. VERPLAATSING VAN HET BEDRIJF NAAR ZUILEN De gieterij groeide langzaam en na 1911 kon de productiecapaciteit worden uitge-breid. In 1915 werd het bedrijf verplaatst naar de gemeente Zuilen. Daarmee werd een gunstige ligging verkregen ten aanzien van de machinefabrieken en scheeps-werven in Amsterdam en de machine-industrie in Twente. De nieuwe staalfabriek met walserij kwam op een terrein tussen het Merwedekanaal, de Amsterdamsche Straatweg en de spoorlijn Amsterdam-Utrecht te liggen. Een aantal werknemers ver-huisde vanuit Groningen met het bedrijf mee naar Zuilen. Demka heeft een belangrijke rol gehad bij de ontwikkeling van de gemeente Zui-len. In 1913 had zich in Zuilen ook al de firma Werkspoor uit Amsterdam gevestigd. Voor de werknemers van beide fabrieken werden, met steun van de gemeente Utrecht, in het midden van de jaren tien op het grondgebied van de gemeente Zui-len de nieuwe woonwijken Elinkwijk en Zuilen aangelegd. De gemeente Utrecht had de grond gekocht en in erfpacht uitgegeven, en verleende subsidie voor de nieuwbouw. In 1954 zou dit deel van Zuilen worden geannexeerd door de gemeente Utrecht. VAN FAMILIEBEDRIJF NAAR NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Om het financieel mogelijk te maken het bedrijf verder te vergroten, werd het fami-liebedrijf in 1917 omgezet in een naamloze vennootschap Nederlandsche Staalgiete-rij v/h J.M. de Muinck Keizer. Twee zoons van Jan Menzo, Alle Sijtse en Menzo de Muinck Keizer, werden tot directeur van de vennootschap benoemd. Hun vader bleef tot 1925 als directeur en tot vlak voor zijn dood in 1932 als gedelegeerd com-missaris nauw bij de onderneming betrokken. In 1920 en 1921 vond er een grootschalige advertentiecampagne plaats voor gie-terijproducten onder het gedeponeerde merk "Demka", afgeleid van de eerste letters van de achternaam van De Muinck Keizer. Al snel stond de fabriek bekend als de Demka. Toch duurde het nog tot 1952 voordat Demka formeel als fabrieksnaam werd gebruikt. MOEILIJKE JAREN In september 1918 werd in IJmuiden de NV Nederlandsche Hoogovens en Staalfa-brieken opgericht. De plannen van Hoogovens voor de bouw van een voorlopig klein staal- en walsbedrijf lieten zich goed combineren met de uitbreidingsplannen van J. M. de Muinck Keizer. In januari 1919 sloot het bedrijf een overeenkomst met Hoogovens, dat daarmee voor een bedrag van drie miljoen gulden de helft van de aandelen van de Nederlandsche Staalgieterij verwierf. Beider productie werd op el-kaar afgestemd, zodat ze elkaar onderling niet beconcurreerden. De naam van het bedrijf wijzigde in NV Nederlandsche Staalfabrieken v/h J.M. de Muinck Keizer. De uitbreidingsplannen van de staalfabriek verliepen niet zonder problemen. In 1921 waren de uitbreidingsplannen feitelijk uitgevoerd, maar door vertraging in de leveringen en de moeilijke economische situatie zou het tot 1923 duren voordat het eerste staal met de Siemens-Martinovens kan worden gegoten. In maart 1922 werd de fijnstraat van de walserij in werking gesteld. Hierop werden in het buitenland aangekochte halffabrikaten tot stafijzer gewalst. De productie bestond in de jaren twintig verder uit staalgietwerk, blokken voor de fabricage van naadloze buizen, smeedblokken en speciaal gietijzer met een laag koolstofgehalte ("lowcar"). De fabriek werd in die jaren uitgebreid met een vormerij en modelmakerij en bestaande gebouwen werden vergroot. De staalovens moesten in 1924 wegens ge-brek aan afzet en sterke buitenlandse concurrentie weer worden stilgelegd. Tot 1937 bleef slechts één Siemens-Martinoven in productie. Ook de walserij stond in de jaren twintig langdurig stil bij gebrek aan orders. UITBREIDING IN DE JAREN DERTIG Na de crisisjaren ging het beter. Het fabricageprogramma werd uitgebreid met spe-ciaalstaal en meer ingewikkelde gietstukken. Contacten met de staalindustrie van Frankrijk, Duitsland, België en Luxemburg leidden tot betere verhoudingen op de Europese markt en de vorming van een internationaal staalkartel gaf nieuwe impul-sen. Er werden plannen ontworpen voor de uitbreiding van de walserij en de bouw van een draadtrekkerij en draadverzinkerij. In het jaarverslag over 1937 wordt ge-meld dat alle afdelingen in vol bedrijf zijn en in 1939 komt het personeelsbestand boven de 1000 mensen. In 1940 werd begonnen met de fabricage van getrokken en geschilde staven bestemd voor automatenstaal. De fabricage werd uitgevoerd door de nieuwe afdeling koudbewerking, die ook getrokken draad produceerde. Er kwam een nieuwe knuppeloven en de productie van staafijzer werd fors uitgebreid. Men ging op zoek naar mogelijkheden tot uitbreiding van het fabrieksterrein. Demka kocht een terrein op industrieterrein Lageweide aan de overzijde van het Merwedekanaal. De plannen voor dit terrein kwamen echter vanwege de oorlog pas eind jaren veertig van de grond. DE OORLOGSJAREN Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging de productie door, maar zij bleef voor de Ne-derlandsche Staalfabrieken niet zonder gevolgen. Mei 1941 werd het terrein in Zui-len getroffen door een bominslag en er was veel schade aan de gebouwen. De voor-raden grondstoffen en verschillende machines uit de fabriek werden weggevoerd. Op last van de bezetter werd overgegaan op producten die nodig waren voor de Duitse industrie, zoals spoorwielen en granatenstaal. Gebruikte grondstoffen, productie en het energiegebruik dienden uitgebreid verantwoord te worden aan de door de Duitse autoriteiten ingestelde rijksbureaus. Het bedrijf werd verplicht hoogwaardig staal te leveren aan Duitsland, waarbij het kwalitatief mindere halffabrikaten terugkreeg. De productie viel terug door een gebrek aan grondstoffen en personeel. In sep-tember 1944 werd de stroomlevering aan het bedrijf stopgezet, waardoor de machi-nes helemaal stil kwamen te liggen. In januari 1945 werd de afdeling staalgietwerk getroffen door bommen die bestemd waren voor de spoorbrug over het Merwede-kanaal. UITBREIDING EN MODERNISERING NA DE OORLOG De herstelkosten voor de geleden oorlogsschade werden ruimschoots vergoed en gevorderde machines en grondstoffen konden worden teruggehaald. In het najaar van 1945 stelde de minister van Handel en Nijverheid een "Commissie voor de be-studeering van de uitbreiding van de IJzer- en Staalindustrie" in. In samenwerking met deze commissie werden door de Nederlandsche Staalfabrieken plannen ont-worpen voor de modernisering en uitbreiding van het bedrijf. Het personeelbestand werd aanzienlijk uitgebreid en de productie verhoogd. Er werd veel geïnvesteerd in de ontwikkeling en het onderzoek naar nieuwe producten en fabricagetechnieken. Men maakte studiereizen naar het buitenland, om zich op de hoogte te stellen van nieuwe mogelijkheden op het gebied van fabricage en verwerking van staal. Met De-fensie werden plannen gemaakt voor de oprichting van een perserij voor de fabrica-ge van naadloze buizen en granaten. Het eigen laboratorium ontwikkelde nieuwe materialen en producten en onderzocht nieuwe toepassingsmogelijkheden. Het gedeelte aan de overzijde van het Merwedekanaal (later Amsterdam-Rijnkanaal) - fabrieksterrein Lageweide (Noord) - kon eindelijk worden gebruikt voor uitbreidingen. Op dit terrein kwamen een koudwalserij, een draadtrekkerij en het nieuwe laboratorium. Ook werd er een nieuwe smederij voor edelstaal gebouwd, met ernaast een nieuwe smelterij en een haven. Het oude terrein werd daarna ter-rein Zuilen (Zuid) genoemd. Een voetbrug die langs de zuidkant van de spoorbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal werd aangelegd, verbond de beide terreinen met elkaar. De voornaamste uitbreidingen op het terrein Zuilen waren de capaciteits-vergroting van de beide Siemens-Martinovens van 25 ton naar 60 ton en de bouw van een staaldraadhal en een tweede poetserij voor het staalgietwerk. Het productieprogramma voor staal gaf na de oorlog een verschuiving te zien van de normale handelskwaliteiten naar de bijzondere kwaliteiten, als gevolg van de steeds hogere eisen die afnemers aan de producten stelden. De staalproductie bedroeg in die periode ruim 100.000 ton, het personeel bestond uit circa 2500 per-sonen. Demka maakte vooral staalwerk en staalgietwerk. Het staaldraad vond toe-passing in betonstaal, kettingen, bouten en moeren. Het staalgietwerk bestond on-der andere uit scheepsstevens, turbinehuizen, wielen en pompen. Een groot deel van de door vergroting van de Siemens-Martinovens ontstane productietoename werd afgezet in de vorm van walsblokken aan Hoogovens. In 1952 overleed Menzo De Muinck Keizer. In 1949 was hij reeds om gezondheidsredenen afgetreden als directeur. Bij het 40-jarig jubileum in hetzelfde jaar verkregen de Nederlandse Staalfabrieken het predikaat "Koninklijke". In 1954 werd de naam van het bedrijf officieel gewijzigd in Koninklijke Demka Staalfabrie-ken NV. In 1963 verdween met het overlijden van Alle Sijtse, de jongste zoon van de oprichter, de laatste De Muinck Keizer uit het bedrijf. ORGANISATIE VAN DE FABRIEK Aan het hoofd van de onderneming stond de directie, bestaande uit twee of drie di-recteuren met elk een eigen taakveld. De directie werd gecontroleerd door de Raad van Commissarissen. Deze raad kwam vier keer per jaar bij elkaar om het bedrijfs-beleid en de productiecijfers van Demka met de directie te bespreken. Toen in 1964 Hoogovens complete zeggenschap over Demka kreeg, kwamt er boven de directie van Demka een topbestuurder van Hoogovens te staan. De Raad van Commissaris-sen werd toen opgeheven. In 1970 was er nog even sprake van een Raad van Toe-zicht. De directie van Demka vergaderde regelmatig. De directie en de chefs van de verschillende afdelingen hielden stafbesprekingen waarin alles over de gang van zaken van en rond Demka wordt besproken. Communicatie met het personeel vond plaats in de vorm van werkbesprekingen en bekendmakingen en er is het perso-neelsblad "De Demkabode". Het bedrijf zelf bestond uit productieafdelingen en bedrijfsondersteunende afde-lingen. De bedrijfsondersteunende afdelingen zorgden voor de uitvoering van het personeelsbeleid (sociale zaken), de financiële administratie, inkoop, het technische onderhoud, ontwikkeling en onderzoek, kwaliteitszorg en verkoop en export. De afdeling Planning & Organisatie stelde jaarprogramma's op, met prognoses van de hoeveelheid te produceren staal. Aan de hand hiervan werden weer de planningen gemaakt voor investeringen en benodigd personeel. Demka had een eigen bedrijfs-school waar jongens een vak konden leren. Al tijdens de opleiding draaiden ze mee in de fabriek. De productieafdelingen waren de walserij, staalgietwerk met de smelterij en gie-terij, de vormerij, de poetserij, de bramerij en de perserij en expeditie. Op de smel-terij werd ijzer uit erts en schroot gesmolten en tot staal omgevormd. Staal is een legering bestaande uit ijzer en weinig koolstof. De term staal wordt met name ge-bruikt voor ijzerlegeringen met een laag koolstofgehalte (minder dan 2 procent) of een gehalte aan toevoegingen als chroom, waardoor ze warm vervormd kunnen worden. Hierin onderscheidt staal zich van bijvoorbeeld gietijzer, dat meestal een hoger koolstofgehalte heeft. Het smelten van de erts of het schroot gebeurde in ovens. Schroot is gerecycled metaal. In een convertor werd ruwijzer gereinigd. In de diverse ovens kon je snel en langzaam verhitten, lang en kort. Een kroes-oven was een smeltoven waarin een kroes, die het te smelten metaal bevatte, werd verhit. In een hoogfrequentoven-installatie werd met behulp van wisselstroom met een hoge frequentie een zodanige hitte veroorzaakt, dat in korte tijd smelting op-trad. Siemens-Martinovens werden gestookt met gas of olie. Het gesmolten en daar-door vloeibare staal werd in gietpannen door kranen naar de gieterij of vormerij ge-bracht. Op de gieterij werd het vloeibare staal uit de gietpannen gegoten in blokken of vormen. Blokken werden verder bewerkt in de walserij. In de vormen werden gietstukken gegoten. De vormen werden met zand gemaakt in de vormerij. De poes-terij en de bramerij werkten een gietstuk verder af. Op de poetserij werd het vorm-zand dat nog aan het gietstuk zat verwijderd. Op de bramerij werden overbodige uitsteeksels en vulopeningen weggehaald en werd het gietstuk gladgeslepen. FABRIEK BLERICK In 1948 werd het bedrijf van NV Limburgsche Draadwaren- en Draadvlechtwerkfa-briek te Blerick (Limburg, huidige gemeente Venlo) overgenomen. In de oorlog was dit bedrijf gedeeltelijk verwoest. De herstelwerkzaamheden gingen gepaard met uitbreidingen en moderniseringen van het bedrijf. In de fabriek Blerick werden draadnagels, puntdraad en vierkant- en zeskantvlechtwerk vervaardigd, alsook ge-trokken draad in speciale kwaliteiten voor de fabricage van staaldraad en voorge-spannen beton. De fabriek Blerick heeft altijd goed gedraaid. In 1969 werd het pro-ductiebedrijf afgesplitst van Demka en binnen het concern Hoogovens onderge-bracht in een afzonderlijke NV Nederlandse Draadindustrie (NDI). PERSONEEL Met de groei van het bedrijf, groeide ook het aantal arbeiders en beambten. Vooral na de oorlog werd het werven en behouden van personeel een probleem. De markt voor staalproducten was erg wisselend. Demka had moeite om de productie goed af te stemmen op de behoeften van de klanten. De verouderde machines waren ar-beidsintensief en er was veel personeel nodig. Door het vuile en zware werk was het personeelsverloop bij Demka groot. Er was gebrek aan geschoold personeel door een krappe arbeidsmarkt. Bij de wervingsproblemen speelde ook het probleem van moeilijk te verkrijgen woonruimte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden tijdelijk Belgische soldaten in dienst ge-nomen. Dit waren uit de interneringskampen in Zeist en Harderwijk afkomstige ge-interneerde militairen die hun gezin uit België mochten laten overkomen indien ze in hun eigen onderhoud konden voorzien. Dat kon onder andere bij Demka, waar door de mobilisatie de arbeidskrachten schaars waren. De goed geschoolde arbei-ders werden als aparte interneringsgroep onder eigen bewaking gehuisvest op het Demkaterrein. Eind jaren tien en begin jaren twintig werden vanwege het starten van nieuwe, tot dan toe alleen in Duitsland gebruikelijke productiemethoden, ervaren Duitse metaalarbeiders aangetrokken. Na de Tweede Wereldoorlog werden steeds meer werknemers van buiten Utrecht geworven, voornamelijk uit de noordelijke provincies. Midden jaren vijftig kon Demka profiteren van de grote groepen Hongaarse vluchtelingen die werk zochten. Vervolgens ging ze ook echt actief in het buitenland werven. Eind jaren vijftig en begin jaren zestig werden geschoolde arbeiders uit België en Italië gehaald. Begin jaren zestig startte Demka met de werving in Spanje en Griekenland en in de twee-de helft van de jaren zestig en in de jaren zeventig richtte Demka zich op Turkije. Naast deze belangrijke groepen werkten er in de loop der jaren incidenteel ook Po-len, Luxemburgers, Joegoslaven en Marokkanen. Het was voor de buitenlandse werknemers moeilijk om woonruimte te vinden. Vaak woonden ze in pensions. Demka had zelf een huis aan de Nieuwegracht waar buitenlandse werknemers ook tijdelijk konden worden ondergebracht. De meeste Italianen en Spanjaarden keer-den na verloop van tijd naar Italíe en Spanje terug. Veel van de Turken zijn uitein-delijk gebleven en lieten hun familie over komen. Er golden verschillende arbeidsvoorwaarden voor beambten en arbeiders en bei-de hadden ook een eigen pensioenfonds. In 1968 werden de pensioenfondsen sa-mengevoegd en in 1971 werden de arbeidsvoorwaarden geïntegreerd tot één CAO. Naast het loon voor arbeiders was er een tariefsysteem. Ploegen kregen een per-centage bovenop hun uurloon afhankelijk van hun productie. Door de problemen met personeelswerving stonden de lonen altijd onder druk. Men werkte met toesla-gen voor ploegendiensten en vuil werk, en voor werknemers van buiten Utrecht (noordelingen en buitenlanders) waren er regelingen voor reiskosten en kostgeld-vergoeding. Arbeiders en beambten hadden tot 1956 ook gescheiden personeelsvertegen-woordigingen. In 1927 werd de Fabriekskern (later Fabrieksraad en Fabriekscom-missie) opgericht. Deze bestond uit vertegenwoordigers van werklieden of arbeiders. Het was een orgaan voor overleg en advies over de arbeidsvoorwaarden, voor zover niet vastgelegd in de collectieve arbeidsovereenkomst in de metaalindustrie. De toename van het aantal beambten was in 1942 aanleiding tot de oprichting van een Beambtenraad (later Beambtenkern en Beambtencommissie). Vanaf 1971 golden voor arbeiders en beambten dezelfde arbeidsvoorwaarden en bestond er een geza-menlijke Adviescommissie/Adviesraad. In 1956 werd de Ondernemingsraad opgericht. Al snel groeide de Ondernemings-raad uit tot het voornaamste orgaan van de personeelsvertegenwoordiging, maar de fabrieks- en beambtencommissie bleven bestaan. Toen Demka in 1970 nog maar 250 personeelsleden had, werden de commissies opgeheven en bleef de Ondernemings-raad over als enige personeelsvertegenwoordiging. Naast de Ondernemingsraad was er het vakbondswerk. De organisatiegraad onder Demkawerknemers was altijd erg hoog. Behalve pensioenfondsen had Demka ook een aantal sociale fondsen. Uit de ver-schillende fondsen werden uitkeringen gedaan bij ziekte en ongeval of er werden bijdragen gegeven bij bijzondere gezinsomstandigheden. VERKOOP VAN PRODUCTEN De verkoop van producten verliep via verkoopkantoren, en verder via agenten of vertegenwoordigers in het binnenland en buitenland die bemiddelden voor speci-fieke producten of in bepaalde landen. In 1947 werd voor de afzet van gezamenlijke walsproducten samen met Hoogovens het Verkoopkantoor Walserijproducten Hoogovens-Demka opgericht. Vanaf de jaren zestig richtte Demka zich op de pro-ductie van speciaalstaal en trok het bedrijf zich terug uit het verkoopkantoor voor walsproducten. Vanuit Demka werden intensieve reizen gemaakt naar het buitenland ter ver-kenning van de exportmogelijkheden en het leggen van contacten daarvoor. In Rot-terdam werd in 1955 een edelstaalmagazijn opgericht, teneinde snel te kunnen le-veren. Via beurzen, advertenties en folders werd de naamsbekendheid en verkoop van Demkaproducten bevorderd. Persoonlijke netwerken vormden een belangrijk verkoopmiddel. SAMENWERKING EN OVERLEG Zowel binnen Nederland als internationaal werkte Demka intensief samen met an-dere staal- en draadfabrikanten. Demka werd actief vertegenwoordigd in de diverse verenigingen en stichtingen in de metaalbranche en op handelsgebied, zoals de Al-gemeene Vereeniging van Nederlandsche IJzergieterijen (AVNIJ). Directeur A.S. de Muinck Keizer en andere directeuren van Demka maakten deel uit van invloedrijke commissies die zich bezighielden met belangenbehartiging en onderzoek in de staalindustrie. Ook binnen Utrecht zijn de De Muinck Keizers actief, onder andere door het voorzitterschap van de afdeling Utrecht van de Metaalbond en het be-stuurslidmaatschap van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Utrecht. De samenwerking met andere staalproducenten had betrekking op zowel de in-koop van schroot en andere grondstoffen, als op het maken van afspraken over prij-zen en over verdeling van de markt. Er werd bijvoorbeeld deelgenomen aan het overleg tussen vertegenwoordigers van de Nederlandse staalindustrie en de fabrieks-leveranciers van geslagen schroot. Demka nam deel aan de bedrijfsregeling van de Samenwerkende Nederlandsche Draadindustrie (Sanedra) waarbij de aangesloten fabrikanten quota voor de binnenlandse markt voor draadproducten afspraken. Demka was ook aangesloten bij een prijsregeling tussen producenten van speciaal-staal in een aantal Europese landen. I In 1952 werd in Luxemburg de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht. De EGKS had als belangrijkste doel het regule-ren van de productie en afzet van kolen, erts, schroot en staal over de landsgrenzen heen. Begin 1953 werd een gemeenschappelijke markt voor kolen en erts ingesteld, in datzelfde jaar gevolgd door gemeenschappelijke markten voor schroot en staal. Tegelijkertijd werden voor de kolen en schroot door de Hoge Autoriteit maximum prijzen vastgesteld. Later kwamen er ook prijsregelingen voor speciaal staal. Een deel van de Demka-producten (walserijproducten en staalblokken) viel daarna onder de regels van de EGKS. Met de Amerikaanse bedrijven Crucible Steel International SA en The Carpenter Steel Company sloot Demka rond 1960 overeenkomsten op het gebied van samen-werking en uitwisseling van kennis op technisch en commercieel gebied. REORGANISATIE EN AFSLANKING Eind jaren vijftig kreeg de fabriek te maken met stijgende loonkosten en sterk op-lopende prijzen voor grondstoffen en schroot. De winstmarges, met name die op walserijproducten, daalden. Daarom wilde men de productie van blanke staven en automatenstaal flink op gaan voeren. In 1960 werd besloten tot een algehele mo-dernisering van de staaf- en draadwalserij en tot de bouw van een zogenaamde handwalserij. Hoogovens steunde de plannen financieel. De loonkosten bleven stijgen, er waren moeilijkheden in de vernieuwde staaf- en draadwalserij en de afdeling koudbewerking kreeg te weinig orders. Het ging niet goed met Demka en de tegenvallende resultaten van het bedrijf waren in 1964 aanleiding voor de directie van Hoogovens om Demka geheel over te nemen. Hoogovens bezat de helft van de aandelen van Demka. De resterende 50 procent Demka-aandelen werden door de aandeelhouders omgewisseld in niet royeerbare certificaten van gewone aandelen van Hoogovens. Hoogovens wilde met de totale overname Demka verdergaand reorganiseren en onderlinge concurrentie tegengaan, omdat Hoogovens eerder dat jaar ook begonnen was met de productie van staaf- en draadproducten. Demka kwam onder het bestuur van een topfunctionaris van Hoogovens en het bedrijf moest zich gaan richten op het produceren en walsen van voornamelijk hoogwaardig kwaliteits- en speciaalstaal in de vorm van staven en draad, met daar-aan annex een afdeling koudbewerking en een smederij. Daarnaast bleef Demka zich bezighouden met de vervaardiging van smeedblokken en staalgietwerk. De modernisering van de walserij en de herstructurering van het bedrijf hadden niet het gewenste resultaat. Demka leed flinke verliezen. Hoogovens voerde daarom in 1966 een forse reorganisatie door, waarbij alle activiteiten op het gebied van spe-ciaalstaal werden beëindigd. Dat betekende dat de afdelingen smederij, smelterij-noord, walserij-noord, de blokwals en een groot gedeelte van de afdeling koudbe-werking werden gesloten. Het betekende ook het einde van maar liefst 1150 van de 2000 arbeidsplaatsen. De belangrijkste afdeling van Demka was daarna de snelbaan die nog in 1962 was gemoderniseerd en als loonwalserij voor Hoogovens ging wer-ken. Het bedrijf werd volgens het Hoogovens-model in 1973 omgezet in een besloten vennootschap en verloor daarmee het predicaat Koninklijke. De naam van het be-drijf is dan voortaan Demka Staalfabrieken BV. NV STAALGIETWERK SMDK Ondanks de maatregelen in de jaren zestig bleef de afdeling staalgietwerk verliesge-vend. Men besloot in 1970 om deze afdeling af te splitsen van Demka en samen te laten gaan met het Franse bedrijf Sambre et Meuse. De gieterij met de smelterij en de machinewerkplaats werden ondergebracht in een apart bedrijf onder de naam NV Staalgietwerk SMDK. Sambre et Meuse verkreeg een meerderheidsbelang van 51 procent en Hoogovens had de rest van de aandelen in handen. SMDK heeft niet lang bestaan, in 1977 sloot het bedrijf na aanhoudende verliezen en grote problemen op milieugebied. STAALMAT BV Hoogovens richtte in 1969 een dochteronderneming op onder de naam Staalmat BV. Het bedrijf vervaardigde producten uit betonstaal. De productie vond plaats in een vrijgekomen fabrieksgebouw op het terrein Lageweide, dat van Demka werd ge-huurd. Vanwege de nabijheid van Demka werd tussen beide bedrijven een sociale eenheid gevormd. In 1980 werd de productie van Staalmat BV overgebracht naar Thibodraad BV te Beek en Donk (Brabant) en het bedrijf op het Demkaterrein opge-heven. SLUITING De organisatie van Demka werd helemaal omgegooid. Bestond het personeelsbe-stand in 1966 nog uit 2000 man, in 1970 had Demka nog maar 250 personeelsleden in dienst. Het sterk afgeslankte Demka bleef problemen houden. De personeelssitu-atie bleef gespannen en het verloop onder het personeel was hoog. De bedrijfsinstal-laties waren sterk verouderd. Bovendien heerste er sinds 1975 een staalcrisis op de Europese markt door een forse overproductie. Vanuit Brussel stelde de EEG voor-waarden aan de steunverlening van overheden aan de staalindustrie. Te verlenen steun werd gekoppeld aan een verplichting tot herstructurering, die gepaard moest gaan met een vermindering van de capaciteit en een verbetering van de rentabili-teit. De Europese Commissie wilde de capaciteitsvermindering vooral laten drukken op bedrijven die verouderde installaties hadden of grote verliezen leden. Dit alles deed Hoogovens in 1983 besluiten om tegen een overheidsvergoeding van 1,25 mil-jard gulden, de technisch verouderde en structureel verliesgevende walserij van Demka te sluiten. De Ondernemingsraad en het vakbondskader binnen Demka voerden hevig actie tegen de sluiting en er volgde een roerige periode. Het mocht niet baten. Op 1 november 1983 sloot Demka definitief en in de zes weken daarna werd het bedrijf ontmanteld.

Datum
1 januari 1902 - 1 januari 1983
Organisatie
Het Utrechts Archief
Kamer van Koophandel
Siemens
Weerbaarheidsafdeeling
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media
Deze website is bekroond met:Deze website is bekroond met 3 DIA awardsDeze website is bekroond met 4 Lovie awards