Back to top

Tijdens de Noordelijke Netwerkdag Oorlogsbronnen 2019 sprak Johannes Houwink ten Cate - emeritus hoogleraar Holocaust- en Genocidestudies (UvA) en senior onderzoeker van het NIOD - over de 'continuïteit in de kampen'. 

"Graag dank ik de organisatoren van deze middag voor de eervole uitnodigingen hier vanmiddag iets te mogen zeggen, in de volgende twintig minuten.

Mag ik beginnen met een verzuchting? Hoeveel kennis is er niet op regionaal niveau! Wat heb ik daar vanmiddag veel van geleerd.

En: wat is het een fraai perspectief, dat historici steeds nieuwe bronnen weten aan te boren. Of door nieuwe instrumenten bestaande bronnen op een nieuwe manier weten te gebruiken.

Daarbij zijn zij wél veel dank verschuldigd aan degenen die hen daarbij helpen, uit de wereld van de archieven, zoals die hier vanmiddag werden vertegenwoordigd door Eddy de Jonge van de Groninger Archieven, door Nynke Kuipers van het Fries Verzetsmuseum, door Charlotte van Dijk, door Edwin Klijn en door - meer op de achtergrond - Anne Helfrich en het gehele NOB-team onder leiding van Puck Huitsing.  

Nu, mede door de digitalisering is het bij voorbeeld mogelijk geworden om de affectieve waarde van bepaalde woorden te onderzoeken. Zo heeft een Amerikaanse collega via digitaal krantenonderzoek onderzocht wat krantenlezers in de jaren twintig associeerden met de Volkerenbond.

En nu ligt de digitalisering van het archief van de Bijzondere Rechtspleging in het verschiet. Die is bittere noodzaak, want natuurlijk was het vreemd dat dat archief, nota bene door het Ministerie dat is belast met de wetshandhaving, in rommelige toestand, en dus tegen de regels van de archiefwetgeving in, werd overgedragen aan het Nationaal Archief. Dat was een onbegrijpelijke uitglijer van de toenmalige Nationaal Archivaris. Die digitalisering zal het mogelijk maken om de geschiedenis van de collaboratie te herschrijven. 

Historici en bronnen

Die twee voorbeelden bevestigen, wat ik ooit heb geleerd tijdens de discussies over voor- en nadelen van oral history, namelijk dat er niet goede of slechte bronnen zijn, maar vooral goede en slechte historici.

Iedere bron heeft eigen beperkingen, want ieder stuk papier werd gemaakt met één bepaald doel. Maar wat geschiedenis tot een wetenschap maakt, is dat in beginsel alles als historische bron eerst toetsbaar en daarna bruikbaar is.

U weet het, Dames en Heren, de muze van de geschiedenis is een vrouw, ze heet Kleio en ze heeft duizend ogen. In de geschiedschrijving gelden geen regels voor de bewijsvoering. Historici mogen alles gebruiken en doen ze ook. Mede daarom is het historische oordeel altijd aanvechtbaar en voorlopig, het geldt tot het volgende historische oordeel.

Het woord als wapen

En dan heeft de bezettingsperiode als bijzonder kenmerk dat deze is overgedocumenteerd, zoals wel meer tijdvakken uit de moderne geschiedenis. De overheid groeide toen als kool, ook in een land met een van oudsher klein overheidsapparaat. De bezettende macht was een dictatuur en die hebben als bijzonderheid dat zij hun onderdanen willen controleren.

Toen is er ook meer geschreven dan ooit door gewone burgers. Bij wijze van spreken schreef iedereen. De dagboekdichtheid en de hoeveelheid geproduceerde illegale bladen in Nederland behoren tot de hoogste van Europa. Wij waren een religieus volk, en als van origine federalistische Protestanten waren wij zeer gesteld op ons eigen geschreven woord.

Ons wapen was het woord en het woord was ons wapen.  

Maar de bezettingsperiode is tezelfdertijd ondergedocumenteerd. Er is veel vernietigd, door de bezetters, ook over de Jodenvervolging. In dat opzicht lijkt de bezettingsgeschiedenis nog wel het meest op middeleeuwse geschiedenis.

De zeer gewaardeerde bijdragen van Nynke Kuipers en Charlotte van Dijk laten ook zien, dat juist omdat er buiten de Randstad zoveel is bewaard, een hele brede collectie bronnen, voorwerpen enz. onze kennis over de Tweede Wereldoorlog blijvend zal kunnen verrijken. Anders gezegd: als het om de bezetting gaat, wordt veel breder verzameld dan over andere tijdvakken. En: gelukkig maar!

Plaatsen van vrijheidsberoving

Het tweede thema vandaag waren de kampen, in de fraaie bijdragen van Guido Abuys over Westerbork en Jochem Abbes over De Beetse. Wat was de algemene achtergrond van die kampen?

Het waren natuurlijk plaatsen van vrijheidsberoving, vaak waren het mensen aan wiens politieke loyaliteit door de machthebbers werd getwijfeld die werden opgesloten, tijdens de bezetting en ook daarna.

In zoverre passen de Nederlandse interneringskampen in een meer algemeen Europees beeld. Want loyaliteit had toen een hele andere betekenis dan nu, omdat de oorlogvoerende landen hun bevolkingen zo volledig mogelijk wilden mobiliseren voor een totale oorlog, waarin voor het eerst in de geschiedenis meer mensen sneuvelden achter het front dan aan het front. 

Alle partijen begingen daarbij misdaden, en de geallieerden niet in de laatste plaats, de Russen in hun landoorlog in Oost-Europa, de Amerikanen in de Pacific en bij de onderwerping van Japan, en de Britten in de luchtoorlog boven Duitsland.

Overwinning

Anders gezegd: tijdens de totale oorlog was de traditionele moraal van voor de oorlog vervangen door moreel relativisme. Alleen de overwinning telde, en om die overwinning bereiken was alles geoorloofd, tot en met oorlogsmisdaden.

De oorlogvoerende machten, alle oorlogvoerende machten, ook die machten die zeiden te vechten voor democratie en vrede, maakten dat doende van gewone mensen - die niet als moordenaars waren geboren  - willoze instrumenten en moordenaars.

Omdat alleen de overwinning telde, was  het zoals collega Wijfjes terecht zei – mogelijk om de Holocaust te negeren. Maar: aan de andere kant maakte het meemaken van de totale oorlog het wel degelijk mogelijk te veronderstellen dat de vijand in staat was tot misdaden van een ongekende omvang. En niet alleen de vijand, ook de eigen overheid.

Tientallen miljoenen mensen raakten op drift, want zij waren de controle over het eigen lot kwijt. Voor Nederlanders was dat misschien wel bijzonder moeilijk, want zij kwamen uit een burgerlijke en beheerste samenleving. Zij deden het in kampen dus vaak slecht, slechter dan bij voorbeeld Poolse Joden die armoede en ellende gewend waren. En die tientallen miljoenen mensen moesten ergens heen, naar kampen dus.

Veranderende kijk op kampen

De geschiedschrijving over die kampen is veranderd. Vroeger lag het deels juridische accent op het onmenselijke van het regiem, op de smeerlapperijen, op de seksuele perversiteiten en op het geweld. Op de achtergrond leefde de gedachte dat de bewakers helemaal geen mensen waren, maar de duivel in eigen persoon.

Nu kiezen veel historici voor een meer sociologische benadering: de kampen worden bezien als aparte samenlevingen die los staan van de normale samenleving, die dus deels eigen compartimenten vormen, maar die eigen werelden zijn bij nader inzien niet volledig van die samenlevingen afgesneden.

Die samenlevingen zijn daar dus ook mede verantwoordelijk voor, zoals naoorlogse Oostenrijkse Duitsers niet geloofwaardig waren, toen zij zeiden, over de deportaties van Joden uit Krems: “en plotseling waren ze allemaal weg!”.

Want vervolging is altijd zichtbaar: mensen worden gediscrimineerd, ze dragen een ster, zij zijn op de vlucht voor het gezag, gevangenen staan te werken aan de weg waar je langskomt, of je ziet ze uitgeladen uit de trein door je stad of dorp lopen naar hun nieuwe behuizing of hun tewerkstelling.

Behuizing, huisvesting, is natuurlijk een belangrijk deel van die kampervaring, maar zeker niet de enige omstandigheid die bepaalt of er continuïteit is in de bewoning van die kampen. Voeding, medische zorg en bewaking deden er ook veel toe, de tewerkstelling natuurlijk  maar ook de ontspanning (als die er was), en het toekomstperspectief van de gevangenen, de vraag of zij daar zelf invloed op hadden, en uiteindelijk toch ook de vraag wat zij er zelf van maakten.

Zoals gevangenen proberen hun bewakers in te schatten, zo probeerden de bewakers verschillende groepen gevangenen te onderscheiden en tegen elkaar uit te spelen. Zie commandant Gemmeker van Westerbork, met zijn voorliefde voor de Palestina Pioniers, of in Auschwitz waar de soms sentimentele kampcommandant helemaal blij werd van de Zigeuners.

Werkkampen in Nederland

Tot zover het algemene beeld. Maar wat was er nu specifiek voor Nederland? Ten eerste dat onze politici en ambtenaren voor de oorlog, maar ook in de oorlog, vonden dat er door werkloze uitkeringstrekkers moest worden gewerkt, bij voorbeeld bij allerlei ontginningen. Er waren dus naar verhouding veel werkkampen in Nederland, en dan weer in het bijzonder in Noord-Nederland, omdat daar vrij veel woeste gronden lagen.

Door allerlei foute organisaties, waaronder de Nederlandse Arbeids Dienst, waren daar nog eens kampen bijgekomen, en dan was er natuurlijk kamp Westerbork, dat gebouwd was als internerings- en opzendingskamp voor Joden. Nederland kende dus naar verhouding veel kampen, waar werd gewerkt.

Gevangenen in Nederland

Ten tweede: Nederland kende in normale tijden naar verhouding weinig gevangenen (want bij ons werd en wordt lang niet iedereen die de wet schendt ook gestraft, denk maar aan onze gedoogcultuur) en dus ook weinig gevangenissen (en geen tuchthuizen),

Maar toen, vlak na de bevrijding kende Nederland ook erg veel gevangen NSB-ers. Het is gebruikelijk in de geschiedschrijving om te zeggen, dat de overvloed van geïnterneerden in de geïmproviseerde interneringskampen – we zagen er vanmiddag beelden van - werd veroorzaakt door de arrestatiewoede van het voormalige verzet, maar ik denk dat dit ingewikkelder ligt.

De arrestatiewoede werd namelijk niet alleen getolereerd, maar er bestond binnen de samenleving wijdverbreide overeenstemming over de gedachte, dat er wraak moest worden genomen op NSB-ers e.d. De wantoestanden in de kampen waren dus niet een onbedoeld bijverschijnsel van de arrestatiewoede, maar zij waren opzet en doel, en ook middel.   

De Nederlandse regering in ballingschap beschikte over weinig legitimiteit, minder b.v. dan de Franse regering in ballingschap onder aanvoering van Charles de Gaulle. Het laten arresteren van vele collaborateurs was goed voor het aanzien van onze autoriteiten in de ogen van de geallieerden.

Tegen de achtergrond van de totale oorlog was het niet onlogisch om te menen dat degenen die de vijand hadden geholpen uit de samenleving moesten worden gestoten. En dan waren die ervaringen in Nederland ook nog eens buitengewoon vernederend geweest (denk aan de rapide nederlaag tijdens Meidagen), in een land dat zichzelf zag als een model leerling in de school van de naties.

Wraak als norm

Er was bovendien in Nederland, waar iedereen zich slachtoffer voelde en er tot circa 1960 weinig oog was voor buitengewoon geschonden groepen als de Joden, een consensus dat landverraders e.d. slecht moest worden behandeld.

Wraak werd dus de norm. Waarbij het niet langer de Duitsers waren, die het zuivere kwaad vormden, maar de landverraders. De totale oorlog werd dus voortgezet, maar nu tegen de binnenlandse vijand.

Het normenpatroon uit de bezetting – dat van het morele relativisme, van het aanleggen van verschillende maten, want voor de vijand was niets slecht genoeg – veranderde dus niet, maar de ene vijand werd vervangen door een andere, interne vijand. En de interneringskampen symboliseerden de door iedereen gewenste afrekening met het kwaad.

Daarbij werd op de koop toe genomen, dat de lichte gevallen in de kampen harder werden getroffen dan de zware gevallen in de reguliere gevangenissen.

Vrijheidsberoving van politiek delinquenten

Om dit te onderstrepen wil graag de befaamde jurist Langemeijer aanhalen, die in 1952 in een terugblik op de Bijzondere Rechtspleging het volgende schreef, en ik citeer:

“Voor bijna alle politiek delinquenten is de vrijheidsberoving – en dan nog niet zo heel kort – harder geweest dan elke andere vrijheidsberoving in ons land (…). Deze aanvankelijk bijna volstrekte verbreking van alle banden, als het ware de symbolische straf voor de verbreking van de solidariteit in het uur van de nood is de verklaring voor de mishandelingen en voor de traagheid waarmee daartegen is gereageerd.” [1]

Dan was het niet onlogisch, om niet de winstmakers te straffen, maar degenen die de nationale solidariteit van de vechtende nationale politieke gemeenschap hadden doorbroken in een tijd, toen daarvan het welzijn van allen afhing, buitengemeen hard te straffen.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat de Nederlandse kampen zo slecht waren als de Duitse kampen, want daar was de sterfte veel hoger. En daarmee bedoel ik ook niet te zeggen, dat het nazisme geen misdadige ideologie was, want dat was het wel. De bestraffing van de NSB-ers was dus op zichzelf terecht; maar die straf was ook te hard, en die diende ook om het het eigen feilen toe te dekken.

De Hongaars-Amerikaanse historicus István Deák schreef hierover kort geleden:

"Just as accommodation to the wishes of the occupier had been popular in most occupied countries, so now did the prosecution of collaborators meet with widespread public approval. It was as if the Europeans hoped to rid themselves of the memory of their own compromises and crimes (…)." [2]

Misdadigers

Het buitensluiten, de vernederingen en de mishandelingen, het wegzetten van de politieke collaborateurs betekende dat er niet over de motieven van de collaborateurs hoefde te worden nagedacht en gesproken. 

Daardoor werd het europabreed mogelijk om pijnlijke fenomenen als de niet-politieke collaboratie en bij voorbeeld de populariteit van Vichy Frankrijk en de Nederlandsche Unie te vergeten, gedurende tientallen jaren.

Het tot misdadigers verklaren van de politieke collaborateurs maakte het dus mogelijk om de ogen te sluiten voor een belangrijk maar onbespreekbaar chapiter uit de bezettingsgeschiedenis. Namelijk het feit dat er zoveel niet-politieke, pragmatische, neutrale en tactische samenwerking met de bezetters was geweest.

Maar dat is nu eindelijk veranderd.

Beeld van de bezettingsgeschiedenis

Het benoemen van de misstanden in de kampen, het verlaten van de tijdelijke, politieke normatiek en de terugkeer tot universele ethische normen, samen met het samenwerken aan de Oorlogsbronnen en de andere nieuwe projecten, maakt het mogelijk om te komen tot een beter, eerlijker en genuanceerder beeld van de bezettingsgeschiedenis. 

Waarbij we afstand proberen te nemen van de vijandbeelden zoals de totale oorlogsvoering die ons heeft opgedrongen. En we daarmee afstand nemen van het morele relativisme, van de gedachte dat alleen de eigen groep recht heeft op een behoorlijke behandeling en dat onze vijanden daarop niet de minste aanspraak kunnen maken.

Terugkeer tot universele ethische normen

Toen de Canadese soldaat zei tegen de vader van Pauline Broekema: “Is that how you treat your enemies?", bepleitte hij om te breken met de tijdelijke, politieke normen van de totale oorlog. En juist daarin, in het pleidooi voor een terugkeer tot universele ehische normen, tot de Tien Geboden dus, dames en heren, ligt volgens mij de zeer grote betekenis van deze indrukwekkende studiemiddag.

Daarom ben ik onze sprekers van vanmiddag zo dankbaar, en dank ik, U, dames en heren, voor uw welwillende aandacht.

Noten

[1] G.E. Langemeijer; Terugblik op de bijzondere rechtspleging; De Nieuwe Stem; jaargang 7 (1952); pagina 142.

[2] István Deák; "Introduction", in: Déak, Gross, Judt; The Politics of Retribution in Europe: World War II and Its Aftermath; pagina 3.