Back to top

Er gebeurt veel in WO2-erfgoedland: archieven worden gescand, collecties digitaal ontsloten met behulp van crowdsourcing. Maar er kan nog veel meer met collecties gedaan worden om deze voor iedereen toegankelijk te maken. Hoe doe je dat? En wat kun je eigenlijk met digitale collectiedata? We bespraken het op 21 november tijdens de Netwerkdag 2019 'Oorlogsbronnen4all'.

Verslag: Esther Ladiges

Foto's: Maarten Nauw

“Alleen ga je harder, maar samen kom je verder.” We hebben wat te vieren op de derde Netwerkdag Oorlogsbronnen op 21 november in de Tolhuistuin in Amsterdam. Programmadirecteur Puck Huitsing legt uit: “Een digitale infrastructuur moet voldoen aan een aantal eisen, bijvoorbeeld aan de Digitale Erfgoed Referentie Architectuur (DERA). Netwerk Oorlogsbronnen is gelukkig DERA-compliant bevonden. Ook vierden we in september de afsluiting van het project TRIADO, waarmee de digitale ontsluiting van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging verkend werd. We kunnen het en de partners willen het, dus gaan we verder. En er is door het ministerie van VWS drie miljoen euro beschikbaar gesteld voor digitalisering van WO2-collecties. Dat is de kracht van het netwerk: als individu kun je zoiets niet bereiken, maar wel als je het samendoet. Dus dien vooral een aanvraag in bij het Mondriaan Fonds!”

 
Puck Huitsing

Kreatief met Kollekties

Edwin Klijn (programmamanager Netwerk Oorlogsbronnen) laat zien wat er zoal met collectiedata te doen is als je de informatie in de bronnen met elkaar verbindt. Waarom creatief met een ‘K’? "Omdat het werk wel eens doet denken aan het tv-programma Kreatief met Kurk uit de jaren negentig." Het 'basismateriaal' zijn de archiefdozen, maar ook het audiovisueel en beeldmateriaal, waarvan heel veel nog niet gedigitaliseerd en ontsloten is. Pas als dit gebeurt, komt er informatie beschikbaar waar je heel veel mee kunt. Je wil de informatie uit bronnen kunnen verbinden met andere informatie om de wie, wat, waar en wanneer, en connecties daartussen te kunnen laten zien. De extra investering van VWS biedt uitkomst voor ontsluitingsprojecten.

Netwerk Oorlogsbronnen is nu bezig met haar derde crowdsourcing-project: na de kampadministratie van Vught en de arrestantenkaarten van Rotterdam, is een grote groep trouwe vrijwilligers nu bezig met Rode Kruiskaarten en overlijdensakten van vermiste en overleden Nederlanders, dit in samenwerking met het CBG|Centrum voor Familiegeschiedenis. Deze projecten leveren een schat aan informatie op, die bijvoorbeeld wordt gebruikt bij de nieuwe digitale tentoonstelling in Nationaal Monument Kamp Vught (hieronder lees je hier meer over). De geplande digitale ontsluiting van het CABR kan ook een schat aan data opleveren, zoals Klijn laat zien in de demoversie van de website ‘Oorlog voor de rechter’ die naar aanleiding van TRIADO gemaakt is. Je kunt hier door documenten heen zoeken, en bovendien personen en gebeurtenissen aan elkaar koppelen. We kunnen ontzettend veel, maar er zijn ook beperkingen, soms veroorzaakt door een gebrek aan kennis en expertise, soms omdat er geen bereidheid is om data te delen . Maar Klijn benadrukt dat met passie, wil en ambitie ontzettend veel mogelijk is. Kortom, digitale collectieontsluiting moet je gewoon ‘doen’!

 

Edwin Klijn is creatief met collecties

Wat dachten de geallieerde bevrijders echt?

Militair historicus Christ Klep bekijkt oorlogsvoering vanuit hedendaagse en historische bronnen. En die vertellen vaak een verrassend verhaal. Van de Canadese en Amerikaanse bevrijders van Nederland leeft een geromantiseerd beeld: het waren helden die “waardigheid en vrijheid” brachten. Maar de bronnen geven een pragmatischer beeld van de geallieerde soldaten. Vanaf hun inwijding in de militaire dienst, leven ze in een andere wereld dan gewone burgers, naar wie ze dan ook met een zeker dedain kijken. Voor de geallieerde soldaten was de bevrijding van Nederland weinig meer dan een verovering van terrein op Duitsland en de opmaat naar het volgende te veroveren gebied. Hierbij liepen burgers eigenlijk alleen maar in de weg. Dit blijkt uit een survey onder Amerikaanse soldaten uit 1949. Geen enkele soldaat neemt het woord ‘bevrijding’ in de mond. Soldaten vochten vooral om te overleven en uit kameraadschap, aldus Klep.

Een belangrijke bron voor militair historici zijn de zogenaamde ‘operationele dagboeken’ die tijdens militaire operaties worden bijgehouden. Ook bij huidige militaire missies gaan er operationele dagboekschrijvers mee om de strijd te kunnen documenteren. Het is niet de bedoeling dat militairen de missie op eigen houtje vastleggen, al houden ze zich daar niet altijd aan. Klep toont een fragment uit de documentaire Fokking Hell uit 2010, waar op telefoonbeelden van Nederlandse militairen te zien en te horen is hoe ze in Afghanistan vol adrenaline de Taliban onder vuur nemen: “Klerelijers, sterf!”. Klep: “Op deze beelden zie je jongens die de volwassenheid proberen te bereiken, zouden Amerikaanse soldaten zich hetzelfde gedragen hebben? Het zou heel goed kunnen, maar waarschijnlijk willen we dit rauwe ongezuiverde beeld niet accepteren. We zijn zo gewend aan de warme deken van dankbaarheid dat we ons beeld niet los willen laten.”

 

Christ Klep: de meeste Nederlanders hebben een geromantiseerd beeld van de Nederlandse bevrijders
Christ Klep

Gek op digitale data

Toen Perspekt Studio’s hoorde over het crowdsourcing-project ‘De gevangenen van Kamp Vught’, zagen ze direct heel veel mogelijkheden, aldus strateeg en conceptmaker Marièlle Beek. Samen met Netwerk Oorlogsbronnen besloten ze de kampkaarten te ontsluiten. Met gegevens over personen die hebben vastgezeten konden ze een digitaal monument maken voor de 32.000 gevangenen, die zo een gezicht krijgen. Dit digitale monument wordt onderdeel van de vaste tentoonstelling van Kamp Vught die op 28 november 2019 opent voor het publiek. Marije van der Giessen, inhoudsontwikkelaar en projectcoördinator bij Pespekt, legt uit: op een scherm in de tentoonstelling kun kunnen bezoekers persoonlijke gegevens invoeren, zoals leeftijd en woonplaats, en op basis daarvan worden gekoppeld aan een vergelijkbare persoon die in Vught gevangen heeft gezeten. Zo komt de geschiedenis dichter bij de bezoeker.

Vught is een groeiend monument. Perspekt zou graag meer datasets willen aansluiten om te laten zien wat er met de gevangenen is gebeurd na het verlaten van het kamp. Beek hoopt dat meer musea en collectiehoudende instellingen bij hen zullen aankloppen met datasets, want deze kunnen een nieuwe dimensie geven aan een tentoonstelling en helpen een verhaal te vertellen aan een groot publiek. Daarom pleiten Beek en Van der Giessen voor meer aandacht, tijd en geld naar de ontwikkeling van datasets naar publieksontsluiting. Een ontwerpbureau als Perspekt kan helpen met het bedenken van toepassingen voor de datasets en de vertaling maken naar het publiek. Zo kunnen we samen nieuwe verhalen toevoegen en de geschiedenis dichterbij het publiek brengen.

 

Marièlle Beek
Van der Giessen laat de zaal aan het woord

Collecting collections

Janneke Jorna (collectiespecialist Netwerk Oorlogsbronnen) en Michael Hoffmann (hoofd Division Process-Management & New Technologies Arolsen Archives) gingen tijdens hun sessie in op het belang van het verzamelen van digitale Tweede Wereldoorlog-collecties en het koppelen van gegevens. Jorna legt uit waarom internationale collecties Nederlandse verhalen completer kunnen maken: “Materiaal met betrekking tot Nederland kan door Duitse of geallieerde soldaten zijn vervaardigd en in het land van herkomst of in de Arolsen Archives terecht zijn gekomen”. Jorna neemt een voorbeeld uit ‘Oorlogslevens’, een nog te lanceren project van Netwerk Oorlogsbronnen waarmee een zoekingang wordt gecreëerd voor informatie over personen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Jan Aart van Beek komt na zijn arrestatie in Kamp Amersfoort terecht. Waarvoor hij is gearresteerd en wanneer hij in Kamp Amersfoort zat wordt niet duidelijk uit de Nederlandse bronnen. Als de kampkaarten van Arolsen Archives worden geraadpleegd blijkt dat Van Beek wegens contractbreuk van 29 augustus tot 5 september 1944 in Kamp Amersfoort zat. Zonder het koppelen van bronnen, mis je dus veel informatie.

 
Janneke Jorna laat zien waarom je bronnen moet koppelen

Hoffmann gaat in op de naamswijziging van Arolsen Archives dat eerst International Tracing Service heette. “Onze naamsverandering is ook een verandering van taken: van een passieve analoge instelling waar bezoekers fysiek naartoe moeten, naar een naar buiten gerichte digitale organisatie die zijn collectie wil koppelen en naar de mensen en organisaties brengt.” Hoffmann gaat verder: “Arolsen Archives heeft inmiddels 95% van de collectie gedigitaliseerd. Onze volgende uitdaging is onze collectie machineleesbaar en daarmee digitaal doorzoekbaar te maken. Wij zijn ons ervan bewust dat we onze data zo snel mogelijk voor iedereen beschikbaar moeten stellen.” In de collectie van Arolsen Archives zijn ongeveer 200.000 documenten te vinden over de Nederlandse kampen waarin 60.000 personen genoemd worden.

 
Michael Hoffman vertelt over Arolsen Archives

Het mijnenveld van datamining

Bestaat een collectie wel als deze niet gevonden kan worden? Deze vraag staat centraal in de sessie van  Joost Gijselman, die als informatiespecialist bij Netwerk Oorlogsbronnen dagelijks bezig is met collectiedata. De vindbaarheid van collecties is gebaat bij gestructureerde, machineleesbare data, aldus Gijselman. In een geanimeerde workshop exploreren de deelnemers aan de hand van een databestand in Excel zelf het ‘mijnenveld’ van datamining. Zo blijkt onder andere dat spreadsheets in Excel niet met datums vóór 1900 kunnen omgaan. Ook ontstaat er een discussie over onjuiste gegevens in het oorspronkelijke databestand: een van de deelnemers beschikt inmiddels over een flinke hoeveelheid metadata van werken die al voor de geboorte van de kunstenaar tot stand zijn gekomen (prenatale kunst).

Gijselman doet enkele handige tips en trucs van de hand en wijst op het belang om data netjes te normaliseren, analyseren en op te schonen. De belangrijkste lessen zijn: zorg dat je data openbaar en machineleesbaar zijn, kies het juiste datamodel, zorg voor heldere invoerinstructies en zorg dat je kennis van het collectiebeheersysteem up-to-date is. Beter gestructureerde data zorgen ervoor dat collecties makkelijker automatisch gekoppeld kunnen worden. Ook maken goede metadata collecties beter vindbaar op het internet, misschien wel de belangrijkste reden waarom het zin heeft tijd en moeite in beschrijvingen te steken.

Naar aanleiding van de vele vragen en reacties na afloop van de sessie gaat Netwerk Oorlogsbronnen bekijken hoe het de praktische kant van databeheer, kwaliteit en ontsluiting kan belichten. Dit zou bijvoorbeeld kunnen in een serie blogs of workshops.

 
Joost Gijselman over de valkuilen van datamining
De deelnemers mogen zelf aan de slag
ICT-projectmanager Lizzy Jongma helpt mee

Muziek uit de kampen

De dag wordt afgesloten met muziek door harpiste Erika Waardenburg en fluitiste Eleonore Pameijer van de Leo Smit Stichting. De stichting is deelnemer van Netwerk Oorlogsbronnen en er zijn bijna 2400 bronnen (waaronder heel veel bladmuziek) van de stichting opgenomen in de portal. De muziek die wordt gespeeld is gecomponeerd door Lex van Delden (geboren Alexander Swaab) en Marius Flothuis.  Flothuis weigerde zich in te schrijven bij de Kultuurkamer en werd prompt ontslagen door het Concertgebouworkest. Met zijn vrouw Leentje bood hij onderdak aan Joden en gaf hij clandestiene huisconcerten. Op 18 september 1943 werd hij opgepakt en vervolgens gevangengezet in kamp Vught, waar hij muziek schreef voor medegevangenen. Lex van Delden dook onder en werd via het studentenverzet lid van de Persoonsbewijzen Centrale. Ook hij gaf in de onderduik illegale huisconcerten. De Leo Smit Stichting maakt via de website Forbidden Music Regained muziek van vervolgde componisten toegankelijk voor een internationaal publiek. De website bevat meer dan 2.000 composities van bijna 40 vervolgde componisten. Door een koppeling met Netwerk Oorlogsbronnen komt dit – vaak onderbelichte – verhaal over verzet en vervolging tot leven.

De harp die Erika Waardenburg bespeelt, was het eigendom van de beroemde Joodse harpiste Rosa Spier. De Aubade van Flothuis die deze middag gespeeld wordt, heeft hij in Vught in april 1944 geschreven en voor het eerst gespeeld in het mannenkamp. Bij het vallen van de avond is hij naar de afscheiding met het vrouwenkamp gelopen en daar heeft hij het nog een keer gespeeld. Het bleef eerst stil, daarna hoorde hij hoe iemand zachtjes het Ave Maria zong.

 
Fluitiste Eleonore Pameijer en harpiste Erika Waardenburg
Erika Waardenburg op de harp van Rosa Spier