Back to top

Beste aanwezigen, deelnemers aan het project kenniscentrum oorlogsbronnen.

Welkom Kick-off

Van harte welkom bij deze kick-off van ons project! De term kick-off, ofwel, volgens de definitie van deze term: we treden nu officieel naar buiten, met alle betrokkenen, en gaan vandaag kijken of we het project samen op alle punten volgens dezelfde verwachtingen hanteren.

Dat betekent dat we vandaag op zoek gaan naar wat het project inhoudt. U bent hier allemaal in meer of mindere mate in de voorbereidingsfase bij betrokken geweest. Het resultaat zoals beschreven in het projectplan is de resultante van meer dan een jaar voorbereiding. En eigenlijk van nog langer.

Want om dit project goed te begrijpen, waarom dit project, waarom nu, waar moet het toe leiden, moeten we even wat stappen terug. En dat wil ik nu graag met u doen.

De oorlog

Het kenniscentrum oorlogsbronnen. Het thema betreft de oorlog, en niet voor niets staan we vandaag hier in het NIOD, ongeveer bovenop de collectie van het NIOD, een klein deel van de enorme collectie in Nederland die over de Tweede Wereldoorlog gaat. Geen periode in onze vaderlandse geschiedenis die zo goed gedocumenteerd is als de periode 40-45.

Dat is niet vreemd. De geschiedenis van die oorlog getuigt van de grootste ramp die ons land in de afgelopen decennia heeft getroffen. De schending van de rechtsstaat, de vervolging van bevolkingsgroepen enkel om wat zij waren tast de kern aan waar wij, vandaag nog even hard voor staan. Daarom wordt er vanuit overheidswege veel aandacht besteed om de herinnering betekenis te laten houden.  En dat is de reden waarom op 8 mei 1945 dit instituut werd opgericht, met als doel informatie te verzamelen opdat de geschiedenis van de bezetting kan worden beschreven.

Die periode ligt inmiddels 70 jaar achter ons. Er zijn weinig ooggetuigen meer die het verhaal uit eigen ervaring  kunnen vertellen. Maar de belangstelling voor die periode is onverminderd groot. “Het is een bekend fenomeen; hoe meer de Tweede Wereldoorlog zich van ons in de tijd verwijdert, hoe meer mensen er iets over willen weten en hoe sterker de behoefte aan tastbare sporen en ‘meebeleven’ wordt.  De geschiedenis van stad, wijk of buurt oefent daarbij extra aantrekkingskracht uit.”

Programma Erfgoed van de Oorlog

In 2005, exact 10 jaar geleden, was er een breed besef dat er 60 jaar na de oorlog, een andere fase zou aankomen.  Er kwamen nieuwe generaties, die andere vragen aan de verhalen gingen stellen. De geschiedenis van die oorlog was weliswaar beschreven door Loe de Jong, maar daarmee startte het debat. Lotgenotenorganisaties en professionele organisaties raakten aan het einde van hun functionele taak. Hun nalatenschap, vastgelegd in particuliere archieven, voegde waardevolle informatie toe aan de bestaande documentatie. De zorg voor die nalatenschap en het ontsluiten daarvan werd een speerpunt, en leidde tot het programma Erfgoed van de oorlog.

Ik citeer uit de brief van de staatssecretaris van VWS (destijds mevrouw Ross van Dorp) aan de Tweede Kamer uit januari 2006.

“De Tweede Wereldoorlog is een moreel ijkpunt in onze westerse cultuur. De enorme inbreuk in onze fundamentele vrijheden maakt dat het zo’n groot stempel drukt op de naoorlogse periode. Een dergelijk ijkpunt overstijgt de generaties, het maakt deel uit van het collectieve geheugen.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat we zuinig moeten zijn op onze oorlogsgerelateerde archieven, voorwerpen en sporen in het landschap. Dat betekent voor bepaalde archieven en bepaalde voorwerpen ten minste zorgen dat het op een plek terecht komt waar de condities voor behoud optimaal zijn. Daarnaast zijn er archiefstukken en voorwerpen die dreigen te vergaan indien er niet wordt ingegrepen. De veroudering en het verval slaan onherroepelijk toe. Conserverende maatregelen zijn dan hard nodig. Het enkele behoud van het materiaal is echter niet voldoende. Het erfgoed van de oorlog moet toegankelijk zijn voor publiek, journalistiek, wetenschap en ontwikkelaars van educatief materiaal. Alleen door ontsluiting van het erfgoedmateriaal en door publicaties en educatie op basis van het ontsloten materiaal kan het zijn nut voor huidige en toekomstige generaties behouden.”

De bedoeling van het programma was “via een eenmalige maar krachtige impuls de condities te creëren waaronder organisaties in staat worden gesteld de verantwoordelijkheid te nemen voor een adequaat behoud, ontsluiting en maximaal gebruik van dit materiaal” , aldus een kamerbrief uit 2007.  

Aldus ontstond het programma Erfgoed van de Oorlog, een programma gericht op verschillende sectoren (archieven, museale collecties, monumenten, audiovisuele collecties), met een eenmalige impuls van 24 miljoen euro.

In 2010 eindigde het programma en meldde de staatssecretaris dat “het in het verleden vaker is voorgekomen dat er tijdelijke programma’s werden uitgevoerd, waarvan de resultaten op termijn onzichtbaar of afkalvend bleken. Ik hecht er zeer aan dat dit voor wat betreft het Erfgoed van de Oorlog niet gebeurt”.  Om die reden werd er een “centraal punt Tweede Wereldoorlogerfgoedmateriaal” opgericht, bij ons beter bekend als het netwerk oorlogsbronnen, dat in 2011 haar taken begon.

Het was nu aan het veld zelf, ondersteund door het netwerk oorlogsbronnen, om het geheel verder vorm te geven.

Ontwikkelingen

In 2011 kocht ik mijn eerste i-pad. Het fenomeen was toen net een jaar op de markt: een tablet. Inmiddels kan ik mij een leven zonder i-pad niet meer voorstellen.  De ontwikkelingen in de digitale wereld  zijn de afgelopen jaren heel hard gegaan, en hebben een enorme impact op de erfgoed sector.

Omdat iedereen nu denkt dat de digitale wereld normaal is en al jaren zo bestaat, krijg je dan ook de raarste misvattingen. Zo denken veel mensen dat alle archieven inmiddels gedigitaliseerd zijn en digitaal beschikbaar. Een treurige misvatting. Ook denkt men dat alle informatie beschikbaar is op internet en via 1 klik te vinden. Ook dat is een tragisch misverstand.

Maar het zijn wel deze verwachtingen die leven en waar we als sector mee hebben te dealen. De moderne mens is niet geïnteresseerd in het verschil tussen archieven en boeken, of tussen archieven onderling. De moderne mens heeft een vraag, hij zoekt en wil vinden. En hij wil dan geen 24.000 hits op de term ’verzet’.

De websites die wij allen nog geen 5 tot 7 jaar geleden bouwden zijn nu hopeloos ouderwets, en lijden dan soms ook een ‘verweesd’ bestaan. Maar we kenden toen ook nog geen cloud.

Er zijn steeds meer ontwikkelingen waar we rekening mee moeten houden. Hoe gaan we om met volle depots? Wat betekent nieuw beleid op het terrein van informatiebeveiliging, open access, openbaarheid? Beleidsonderdelen die ieder op zich logisch zijn, maar soms in relatie tot elkaar in tegenspraak met elkaar zijn. Wat betekenen ontwikkelingen op het gebied van digital humanities, welke tools worden ontwikkeld om ‘big data’ te kunnen analyseren? En hoe gaan commerciële aanbieders van bijvoorbeeld zoekmachines om met data?

Iedereen worstelt met deze vraagstukken. En zoals zo vaak wordt de oplossing gevonden in het per kolom dealen met de problematiek. Dus, audio apart, boeken apart. Onze benadering gaat uit van het thema, en niet van de vorm. Het thema oorlog kent vele verschijnselen. Daarmee zijn we terug bij de uitgangspunten van het programma Erfgoed. Het maakt het publiek niet uit of het een boek of een archiefstuk is. Hij zoekt informatie. En wij gaan uit van de vraag in dit project. Niet vanuit het aanbod per kolom of organisatie.

Van netwerk naar kenniscentrum

Omdat de aandacht voor de oorlog onverminderd groot blijft, omdat de ontwikkelingen harder gaan dan wij individueel kunnen bijhouden, omdat het moderne publiek eisen stelt (1 klik), omdat we individueel nooit uit kunnen gaan van het geheel, omdat we willen werken vanuit de vraag, en die dus moeten kennen, is naar ons idee een verdere samenwerking essentieel.

Basis van deze samenwerking is het concept ’thematisch intellectueel beheer’. Hierbij wordt niet meer uitgegaan van een organisatie die de collectie heeft gevormd en beheerd, maar hierbij gaan we uit van het verbinden van collecties (archieven, boeken, voorwerpen, audio etc) die bij de verschillende instellingen liggen en die zo te ontsluiten dat gebruikers weten wat er is en het ook kunnen vinden.

Gezamenlijk gaan we uit van 1 collectie, terwijl ieder de verantwoordelijkheid houdt over dat deel van de collectie die hij beheert. En we bundelen kennis op 1 plek, zodat niet iedere organisatie dat zelf hoeft te doen. We maken gezamenlijke keuzes in wat we strategisch het beste kunnen doen, in plaats van dat iedereen dat zelf doet.

Dit gaat verder dan een netwerk. Om u een voorbeeld te geven, de vraag wat het belangrijkste is om te digitaliseren wordt nu door iedere instelling zelf, vanuit de eigen collectie bekeken. Vanuit het thematische concept zou dan een voorzet kunnen worden gegeven dat collectie x toch het allerbelangrijkste is, gezien de vraag etc. Kort gezegd, het zou kunnen dat in het perspectief van de totale collectie oorlog in Nederland er geen papier meer wordt gedigitaliseerd van het NIOD, omdat andere collecties waardevoller zijn, of behoud nodig hebben.

Dit gaat dus verder dan een netwerk. In een netwerk werk je samen, deel je dingen. In het perspectief van het kenniscentrum laat je dingen over aan anderen, doe je niet alles zelf, redeneer je vanuit het geheel en neem je meer verantwoordelijkheid, namelijk ook voor de collecties van de buren.

We hebben gekozen voor de term kenniscentrum. We zullen in de loop van het project deze term samen invulling moeten geven. Wat is dat dan, dat kenniscentrum?

Uitdaging waar we voor staan

Dames en heren, u denkt dat u bij een kick-off bent van een geheel nieuw project, maar u staat in een traditie van 10 jaar.

Het unieke van wat we gaan doen is: kijken of we een gezamenlijk beeld en gezamenlijke structuur kunnen creëren die collecties ontsluiten voor een grote groep gebruikers, zoeken door kolommen heen, opdat mensen zelf  informatie vinden die zij wensen op het terrein van het thema, de oorlog.

Kunnen wij dat doen zonder dat we een mega-project gaan creëren, maar door dankbaar gebruik te maken van allerlei ontwikkelingen die er al zijn.

Kunnen wij op dit thema informatie dusdanig ontsluiten, dat mensen ook de context begrijpen van de voorwerpen die zij zien, de stukken die ze lezen, de foto’s die ze zien, de geluidsfragmenten die ze horen?

Zijn wij in staat om al die informatie met elkaar in verband te brengen, zodat de gebruiker in een oogopslag ziet wat er op het gebied van voorwerpen, boeken, audio en archieven te vinden valt?

En zijn wij in staat als organisaties om een helder beeld te geven van wat we gezamenlijk zouden willen.

Afronding

In het boek “de oogst van het programma”  wordt in het voorwoord het volgende geschreven:

“ Het resultaat is vooral een verdienste van alle organisaties die zich hebben ingezet om er iets prachtigs van te maken. Maar ‘organisaties’ maken geen websites, digitale toegangen, documentaires en databases. Dat doen mensen.”

Naast een inhoudelijk uitdaging staan we gezamenlijk voor nog een andere uitdaging: zijn wij in staat als weldenkende mensen om te kiezen voor wat het beste is voor het onderwerp. Kiezen is een van de moeilijkste dingen die er is. Kiezen betekent altijd iets verliezen, nl datgene wat je niet kiest. Ik denk dat wij nu voor keuzes staan die onontkomelijk zijn. We kunnen niet meer alles zelf.  De ontwikkelingen in informatiebeheer aan de ene kant en in de toekomst van de infrastructuur van de oorlog aan de andere kant maken dat keuzes noodzakelijk zijn. We zullen moeten samenwerken en dingen aan anderen overlaten. Dat betekent iets verliezen, maar betekent vooral iets winnen aan de andere kant. Ik wens ons allen toe dat wij vanuit een vrije gedachtewisseling, los van gegroeide belangen maar met het oog op een toekomst durven te  kiezen.

Dankwoord

Graag richt ik last, but certainly not least, het woord aan diegenen die dit project financieel mogelijk maken, en zeer geïnteresseerd zijn in de uitkomst. In willekeurige volgorde: het ministerie van VWS, afdeling oorlogsgetroffenen, het V-fonds, Archief 2020 en het prins Bernhard cultuurfonds.

En ik bedank DEN voor het optreden als partnerorganisatie naast het NIOD in de ontwikkeling en realisatie van dit project.
En ik dank u allemaal, dat u uw kennis en ideeën wilt delen in dit project.