Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Nederlandse Oost Compagnie

Status: Bruikleencollectie Nationaal Archief
Nederlandse Oost Compagnie
periode van ontstaan

Het archief is in de jaren 1942-1945 ontstaan.

Openbaarheid: Enkele inventarisnummers van dit archief zijn beperkt openbaar. Details staan vermeld in de rubriek "openbaarheid".
Over het archief: Op initiatief van Meinoud Rost van Tonningen (archief 169-170) opgericht in het voorjaar van 1942. Het doel was Nederlandse kolonisatie in de door de Duitsers veroverde gebieden in het oosten. Het NOC richtte zich zowel op de agrarische als industriële sector. Vanwege de geringe medewerking van het Nederlandse bedrijfsleven, richtte het NOC zich voornamelijk op de werving van boeren en vissers.
De Nederlandse Oost Compagnie

Met de inval van de Duitse troepen in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 werd ook de roep groter om kapitaal en vooral kundige ondernemers om de veroverde gebieden voor de Duitse oorlogseconomie te exploiteren.

M.M. Rost van Tonningen, Correspondentie van mr. M.M. Rost van Tonningen. Deel II: mei 1942-mei 1945. Ingeleid en uitgegeven door David Barnouw. Rijksinsituut voor Oorlogsdocumentatie: Bronnenpublicaties Documenten; 3 (Zutphen 1993) 10-17. Verder David Barnouw, Oostboeren, zee-germanen en turfstekers. Kolonisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2004).

Ook vanuit het bezette Nederland bleek daarvoor belangstelling te bestaan en gingen boeren aanvankelijk voor de Ostdeutsche Landbewirtschaftungsgesellschaft (ook wel Ostland) in de door de Duitsers veroverde Russische gebieden aan de slag. Hoewel er een zekere animo onder de Nederlandse boeren bestond om te worden uitgezonden was er geen sprake van een massale inzet van Nederlanders. De vooraanstaande NSB'er, secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën en president van de Nederlandsche Bank Meinoud Marinus Rost van Tonningen had daarentegen echter grootse plannen in die richting want hij wilde dat Nederlanders massaal zouden gaan werken in de Baltische staten en de Oekraïne zoals ooit ook Nederlands-Indië door de Nederlanders was gekoloniseerd. Dit verklaart ook waarom dit initiatief na het wegvallen van de Nederlandse koloniën in Indië als gevolg van de Japanse bezetting werd genomen. Rost van Tonningen had daarbij zeker ook eigen belang op het oog.

oprichting en organisatie Op grond van zijn plannen werd op 6 juni 1942 de Nederlandse Oost Compagnie NV (NOC) opgericht nadat Rost van Tonningen op Clingendael te Wassenaar daarover inleidende besprekingen had gevoerd. Rijkscommissaris dr. Arthur Seyss-Inquart, destijds huisheer van het geconfisqueerde landhuis Clingendael, zat de besprekingen voor waaraan naast Rost van Tonningen ook vertegenwoordigers van de Rijksminister en de Rijkscommissaris voor de Oostgebieden, Alfred Rosenberg, deelnamen. Voornaamste doel voor de oprichting van de NOC was de economische opbouw van de zogenaamde bevrijde oostgebieden, te weten de Oekraïne, Estland, Letland en Litouwen. In feite kwam het erop neer dat de NOC door de Duitsers werd gedoogd omdat men verwachtte dat de oorlogsindustrie van het Derde Rijk hiervan zou profiteren. Daarbij werd van Duitse zijde Rost van Tonningen een monopolie-positie op handel in de oostgebieden toegezegd maar in de praktijk werd er ook veel handel door Nederlanders in de bezette gebieden in Rusland gedreven buiten de NOC om. Protesten hiertegen door Rost van Tonningen bij de Rijkscommissaris haalden niets uit.

Bijeenkomst van NOC-leden, waarschijnlijk bij het eenjarig bestaan in juni 1943.

Het hoofdkantoor van de NOC werd gevestigd in de Amaliastraat 1-3 te Den Haag, terwijl in een bijkantoor aan de Anna Paulownastraat 35 de Afdeling Assurantie werd ondergebracht. Naast deze beide vestigingen had de NOC ook nog bijkantoren in Berlijn, Kauen (Kowno), Wilna (Vilnius), Riga, Dorpat, Rowno, Kiev en Minsk. Naast de NOC werdook een aantal dochtermaatschappijen in het leven geroepen, te weten de Nederlandse Oost Visserij NV, de Nederlandse Oost Bouw NV, de Nederlandse Oost Bagger NV, de Nederlandse Oost Baksteen NV, de Nederlandse Oost Turf NV, de Nederlandse Oost Handel Maatschappij NV, de Nederlandse Oost Rederij NV, de Nederlandse Oost Binnenvaart NV en de Nederlandse Oost Binnenwerk NV.

Rost van Tonningen werd door Seyss-Inquart niet alleen tot president van de NOC benoemd, maar hij werd tevens president van de Raad van Commissarissen. Tot algemeen directeur werd de uit Dordrecht afkomstige bankier en NSB'er mr. D. Krantz benoemd terwijl de NSB'er P.S. Heerema een tijdlang mededirecteur was. F.B.J. Gips werd president van de Raad van Toezicht en J.J. Rambonnet thesaurier-generaal van de onderneming. Naast de NOC werd ook het Nederlandse Oost Instituut (NOI) opgericht, eerst als statistiek- en researchafdeling van de NOC, maar later vooral bedoeld als propaganda- en voorlichtingsorgaan van de NOC. Van dit ideologische instituut werd drs. W. Goedhuys directeur. Voor de controle van de zijde van de Duitsers op het reilen en zeilen van de NOC werd het Ostministerium ingeschakeld. Hun vertegenwoordiger, Bereichsleiter Freiherr H. von Puttkammer, kweet zich als Gevollmächtigte des Ostministeriums für die Niederlande van die taak.

Voor het kapitaal van de NOC namen de oprichters, te weten de Staat der Nederlanden, de Nederlandsche Bank, waarvan Rost van Tonningen directeur was, en de gemeenten Amsterdam (bij monde van burgemeester E.J. Voûte) en Rotterdam (bij monde van de NSB'er burgemeester ir. F.E. Müller) gezamenlijk deel in het aandelenkapitaal van de compagnie. Voor de bevoorrading van de manschappen in de oostgebieden werd contact gezocht met het hier te lande actieve Bureau van het Vierjarenplan. Dit bureau zorgde voor het opkopen van voorraden op de Nederlandse markten. De NOC verwachtte van de samenwerking met dit bureau de noodzakelijke voorraden goederen te verkrijgen die nodig waren voor een enigszins goed verloop van de inzet in de oostgebieden.

Vanuit Nederland kregen de uitgezonden boeren voorraden toegestuurd.

tegenwerking De praktijk wees echter anders uit; vergaande controle vanuit Berlijn zorgde ervoor dat de Duitsers, die het rechtstreekse handelsverkeer tussen Nederland en de oostgebieden ontoelaatbaar achtten, er op stonden dat die handel vanuit Berlijn werd georganiseerd. Daarnaast was het in de bezette oostgebieden vrijwel onmogelijk te bepalen welke Duitse instantie waar verantwoordelijk voor was. Bovendien waren bijvoorbeeld het Ostministerium, de Organisation Todt, het Vierjahresplan en de Wirtschafts-Stabes Ost in de oostgebieden elkaars concurrenten. Door deze restricties en de distributie in Duitsland zelf, kwam de goederenstroom voor de Hollanders in de oostgebieden vanuit Berlijn zeer moeizaam op gang en was er geen ruilverkeer mogelijk. Rost van Tonningen had al vanaf het begin in de gaten dat de NOC een doodgeboren kindje zou zijn.

N.J.G. Sikkel, Documentatie, status en werkzaamheid van organisaties en instellingen uit de tijd der Duitse bezetting van Nederland (Amsterdam 1947) 284.

Dit zal er zeker ook mee te maken hebben gehad dat Rost van Tonningen tijdens een studiereis naar het Reichskommisariaat Ostland en de Reichskommissariaten Estland en Letland vlak voor de oprichting van de NOC al had gemerkt dat de Letten bezwaar maakten tegen de komst van Nederlandse kolonisten.

Verder had dit ook te maken met de slechte organisatie van het hoofdkantoor van de NOC aan de Amaliastraat te Den Haag. Lou de Jong beschreef het als volgt: Het hoofdkantoor van de Nederlandse Oostcompagnie werd een janboel. Regelmatig kwam Rost er binnenstuiven om er zijn banbliksems in het rond te slingeren en als steeds, te betogen dat men van zijn schitterende plannen niets terechtbracht. Deskundige leiding ontbrak, deskundig toezicht eveneens. De Raad van Commissarissen werd in '42 niet eenmaal bijeengeroepen en de commissarissen kregen ook nauwelijks informatie over de gang van zaken (drie onder wie Gips en Voûte, trokken zich in de zomer van '43 terug). Er werd met geld gesmeten. Het avontuur kostte de Staat der Nederlanden circa vijftien miljoen gulden - gelden die mede daarom vrijwel niets konden opleveren omdat de voor het Derde Rijk zo typische bureaucratische strijd speciaal ten aanzien van de bezette delen van de Sowjet-Unie met ongekende felheid gevoerd werd. Het was een jungle waarin ook een competent geleide Oostcompagnie nauwelijks iets van betekenis zou hebben tot stand gebracht.

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog VI, juli '42-mei '43, eerste helft ('s-Gravenhage 1975) 449-465.

gestrande idealen Over de dochtermaatschappijen kan worden gezegd dat de Nederlandse Oostvisserij erin slaagde in mei 1943 vissers naar het Peipus-meer op de grens van Estland en Noord-Rusland te dirigeren die daar voor de aanwezige Kriegsmarine vis inmaakten. De Nederlandse Oostbagger voerde met gepacht materiaal op de Dnjepr tussen Kiev en Dnjepropetrowsk baggerwerkzaamheden uit voor de Organisation Todt. De Nederlandse Oostbouw coördineerde de bouwactiviteiten in het oosten maar door de slechte leiding van de later afgezette directeur ir. P.S. Heerema kwam er van de gedane toezeggingen aan Duitse instanties niet veel terecht. Dit lag ook aan de moraal onder de Nederlandse arbeiders die vaak te wensen overliet. De Nederlandse Oostrederij, opgezet om handelsgoederen tussen het oosten en Nederland te vervoeren, stelde zich vrijwel geheel in dienst van Duitse opdrachtgevers. Bovendien had de Oostrederij te kampen met gebrek aan materieel en dit had tot gevolg dat er de hele oorlogsperiode tevergeefs werd gewacht op de levering van nieuwe schepen. Ook van de handelsactiviteiten van de Nederlandse Oost Handel Maatschappij kwam door tal van Duitse belemmeringen weinig terecht. Dit gold tevens voor de veelal uit Drenthe afkomstige turfstekers die voor de Nederlandse Oost Turf NV in het bedrijf Baltoje Voke in de buurt van Wilna in Litouwen werkzaam waren maar niet aan de van te voren opgestelde planning konden voldoen.

Rost van Tonningen, Correspondentie, deel II, 14-15.

Ondanks de idealen bleek de NOC niet een sleutel tot succes.

Rost van Tonningen kwam in september 1943 met een uitgebreid verslag over de werkzaamheden van de NOC en dochtermaatschappijen over 1942. Dit verslag werd overhandigd aan Rijkscommissaris Seyss-Inquart en staat nog bol van de voorgenomen plannen maar verhaalt ook over de tegenwerking die de NOC ondervond van Duitse zijde bijvoorbeeld op het terrein van de verstrekking van de benodigde uitvoervergunningen.

Bericht von Dr. M.M. Rost van Tonningen, Präsident des Aufsichtrates der Nederlandsche Oost Compagnie N.V., gegründet am 6. juni 1942 in Den Haag über dis bisherige und zukünftige geplante Aufbau-Arbeit der Nederlandsche Oost Compagnie N.V. in den besetzten Ostgebieten ('s-Gravenhage, 1943). Zie ook inventarisnrs. 30-32.

De NOC kwam wel haar verplichtingen inzake de salarissen en verzekeringen voor de werknemers in het oosten na en de zorg van in Nederland achtergebleven gezinsleden. Het door de NOC bij Rowno in de Oekraïne gestarte opleidingsinstituut voor boeren bleek ook niet aan de gestelde verwachtingen voldoen. Daarop werd besloten in mei 1943 in het kamp Ommen in Overijssel en later in samenwerking met de Landstand ook in de Rij- en Menschool in Hoofddorp opleidingsinstituten op te zetten.

Met het oprukken van de Russische troepen kregen de Nederlandse kolonisatoren ook te maken met toenemende aanvallen van partizanen. Daarop werd de roep luider om de oostboeren te bewapenen maar een echt fiat hiervoor werd door geen enkele Duitse instantie gegeven. De onvrede onder de bestuurders van de NOC nam toe toen niet alleen de Endsieg uitbleef maar er ook geen noemenswaardige bedrijfsresultaten vielen te melden. Het zwartepieten was begonnen en met name directeur Krantz kreeg het zwaar te verduren. Doordat steeds meer Russisch gebied op de Duitsers veroverd werd, kreeg het bijkantoor van de NOC in Berlijn de handen vol aan het herplaatsen van gevluchte Nederlandse arbeidskrachten. Na Dolle Dinsdag op 5 september 1944 vertrokken veel NSB'ers uit de residentie naar elders in het land. Voor de NOC was er toen geen redden meer aan. Op 28 december 1944 werd Rost van Tonningen door de leider van de NSB Mussert ontslagen. Zijn protesten bij Generalkommissar für Finanz und Wirtschaft dr. H. Fischböck haalden niets meer uit. In maart 1945 vertrok de inmiddels tot de Waffen-SS toegetreden Rost van Tonningen naar het front in de Betuwe. Hij werd op 8 mei door de Canadezen gearresteerd en op 6 juni overgebracht naar de strafgevangenis in Scheveningen waar hij een eind maakte aan zijn leven. Hiermee ontliep hij zijn proces. Na de bevrijding werd de NOC geliquideerd en werd er een proces gevoerd tegen de belangrijkste medewerkers van de NOC.

Rost van Tonningen, Correspondentie, deel II, 15-17.

Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media