Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Joodsche Raad voor Amsterdam

Geschiedenis Oprichting en organisatie van de Joodsche Raad voor Amsterdam

De Joodsche Raad voor Amsterdam: met de armen over elkaar aan tafel zit Asscher, aan zijn linker zijde zit Cohen.

Onrust in Amsterdam Aanleiding voor de oprichting van de Joodse Raad waren aanhoudende relletjes in Amsterdam, uitgelokt en veroorzaakt door WA'ers

Een uitgebreid overzicht van de toenemende onrust in de hoofdstad wordt geschetst in Sijes, Februaristaking… blz. 62-89. Zie ook Presser, Ondergang… deel I blz. 78-81 & De Jong, Het Koninkrijk… deel 4 blz. 876-881.

. Eind januari 1941 trokken groepen WA-mannen vanaf het Vondelpark de binnenstad in om bordjes "Joden niet gewenst" op te hangen in hotels, cafés en restaurants. Ze lokten opstootjes uit door joodse passagiers uit trams te werken. WA'ers in uniform marcheerden zingend door joodse wijken, molesteerden voorbijgangers en drongen woningen van joden binnen om de inboedel te vernielen of te roven. De eigenaar van café-cabaret Alcazar aan het Thorbeckeplein weigerde het bord "verboden voor joden" op te hangen en moest toezien hoe op 9 februari enkele WA'ers een fiets door de ruiten smeten en de inboedel van zijn zaak vernielden. Tijdens de hierop volgende vechtpartij vielen tientallen gewonden. De stad groeide uit tot een strijdtoneel tussen joodse knokploegen en leden van de WA. Joden werden bijgestaan door inwoners van de arbeidersbuurten Jordaan en Kattenburg; WA wist zich gesteund door Duitse militairen die in sommige gevallen aan hun kant meevochten. Nederlandse politie en marechaussee deden pogingen om tussenbeide te komen, sommige agenten gebruikten zelfs hun dienstwapen, maar zij werden door de Duitse politie tegen gehouden.

Bij gevechten op het Waterlooplein op dinsdagavond 11 februari raakte WA-man Hendrik Koot zo zwaar gewond

Delen van het proces-verbaal zijn gepubliceerd bij www.dedokwerker.nl/hendrik_koot.html

dat hij drie dagen later overleed. De Duitse bezettingsautoriteiten buitten de dood van Koot onmiddellijk uit en dikten de gebeurtenissen nog wat aan. Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter rapporteerde aan zijn Berlijnse chef Reichsführer-SS Heinrich Himmler dat een jood de slagader van Koot had doorgebeten en zijn bloed had uitgezogen

Brief van 20 februari 1941 van Rauter aan Himmler; geciteerd in Sijes, Februaristaking… blz. 89.

. Zijn ondergeschikte, Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD Wilhelm Harster schreef in zijn wekelijks overzicht van gebeurtenissen dat "ein Jude in viehischer Weise in die Kehle seines Opfers verbissen hatte"

Meldungen aus den Niederlanden no. 33 van 18 februari 1941; NIOD-archief 077 Höhere SS- und Polizeiführer inv.no. 354.

. En Hans Böhmcker, Beauftragte für die Stadt Amsterdam, liet Reichskommissar Seyss-Inquart weten dat een jood zich volkomen in het gezicht van Koot had vastgebeten

Volgens Böhmcker had een jood zich "vollkommen in das Gesicht Koot's festgebissen und gebärdete sich wie ein wildes Tier"; geciteerd in Sijes, Februaristaking… blz. 88.

.

Reactie van de bezetter De Duitse reactie liet niet lang op zich wachten: de volgende ochtend om zes uur liet Böhmcker de joodse wijk afgrendelen. Bruggen werden opgehaald en straten afgezet met prikkeldraadversperringen. Diezelfde woensdag nog, om half vijf ’s middags, ontbood hij drie prominenten uit de joodse gemeenschap op zijn kantoor: opperrabbijn D. Francès van de Portugees Israëlitische gemeente, opperrabbijn L.H. Sarlouis van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en de voorzitter van dat kerkgenootschap, Abraham Asscher. De laatste was diamantindustrieel en vanaf 1917 lid van Provinciale Staten van Noord-Holland voor de Liberale Staatspartij. Politieke rugdekking voor deze maatregelen kreeg Böhmcker van Fritz Schmidt, in bezet Nederland de vertegenwoordiger van de nationaal-socialistische partij, die op zijn beurt de instemming van Seyss-Inquart had verkregen

De Jong, Het koninkrijk… deel 4 blz. 882.

.

Böhmcker gelastte de oprichting van een "Judenrat", die hij verantwoordelijk stelde voor de rust en orde in de joodse wijk. Meteen vaardigde hij de eerste opdracht uit: de joden moesten opgeroepen worden hun wapens in te leveren bij de politie. Beide rabbijnen trokken zich terug maar Asscher toonde zich bereid als voorzitter op te treden, en verzocht hoogleraar oude geschiedenis David Cohen als mede-bestuurder aan te stellen. Zij kenden elkaar al jaren uit tal van besturen en commissies en hadden "altijd aan het hoofd gestaan van alle hulpacties". Vanwege deze rol beschouwden Asscher en Cohen zichzelf "als leiders van de joodse gemeente"

De Jong, Het koninkrijk… deel 4 blz. 885.

. Het was, zoals Cohen na de oorlog verklaarde, "eigenlijk een voortzetting van ons werk, dat wij ons gehele leven hadden gedaan"

De Jong, Het koninkrijk… deel 5 blz. 518.

.

Oprichting van de Joodsche Raad Op de bijeenkomst gaf Böhmcker te kennen dat de "Judenrat" uit twintig leden mocht bestaan. Telefonisch polsten Asscher en Cohen enkele relaties die zij vanuit hun bestuursfuncties kenden. Aangezien die contacten voornamelijk geworteld waren in gegoede burgerlijke milieus, bestond het merendeel van de beoogde leden uit joodse notabelen. De enige twee vertegenwoordigers uit arbeiderskringen hadden slechts enkele maanden zitting in de raad: voorzitter I. Voet van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond trad om gezondheidredenen af en ook slager A. Quiros uit de Jodenbreestraat trok zich spoedig terug.

Donderdagochtend 13 februari 1941 om elf uur kwamen twintig mannen bijeen in de fabriek van Asscher. Naast voorzitters Asscher en Cohen verschenen in het pand aan de Tolhuisstraat 127-129

Lindwer, Het fatale dilemma… blz. 229 & De Jong, Het koninkrijk… deel 5 blz. 519 noot 2. Van de aanwezigen weigerde alleen professor Frijda op principiële gronden deel te nemen aan de Joodse Raad. Naast slager Quiros en vakbondsleider Voet verliet in 1941 ook mr. I. Kisch de Joodse Raad. Een jaar later waren de arts dr. I.H.J. Vos en notaris A. van den Bergh inmiddels tot de Raad toegetreden. Na juli 1942 verdwenen enkele leden door deportaties uit de Raad. In februari 1942 nam mr. L.N. Kan ontslag, in de zomer van 1943 verlieten Krouwer en Van Lier de Raad omdat zij in de ogen van de Duitsers geen vol-joden waren. In de lente van 1943 voegde opperrabbijn Dasberg uit Groningen zich bij de Raad. In de zomer van 1943 telde de Joodse Raad, naast Asscher en Cohen, nog elf leden.

: dr. J. Arons (arts) mr. N. de Beneditty (rechter) prof.mr. H. Frijda (hoogleraar) mr. A.B. Gomperts (advocaat) I. de Haan (fabrikant) A. de Hoop (directeur Bioscoopbond) mr. L.N. Kan (voorzitter Nederlandse Zionistenbond) mr. I. Kisch (universitair docent) A. Krouwer (directeur handelsmaatschappij Europa-Azië) mr. S.J. van Lier (gemeentesecretaris Amsterdam) A.J. Mendes da Costa (oud-secretaris Portugees-Israëlitische Gemeente) prof.dr. J.L. Palache (hoogleraar en voorzitter Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap) mr.dr. M.I. Prins (jurist) A. Quiros (slager) opperrabbijn A.L. Sarlouis (opperrabbijn Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge) dr. D.M. Sluys (secretaris Nederlands-Israëlitische Hoofdsynagoge) A. Soep Bzn. (diamantair) I. Voet (voorzitter Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond)

Als naam voor het gezelschap dacht men aanvankelijk aan Commissie van vertegenwoordiging voor de Amsterdamse joden. Uitgangspunt van de commissie zou zijn "dat zij in hoofdzaak een uitvoerende en overbrengende taak zal hebben, doch geen verantwoordelijkheid kan dragen voor de opdrachten die zij heeft over te brengen, en anderzijds niet zoover kan gaan, voor de Joden oneervolle opdrachten te aanvaarden"

Notulen Joodse Raad 13 februari 1941; archief 182 Joodse Raad inventarisnummer 3.

. De twintig oprichters zagen zichzelf dus als een lokale commissie met beperkte bevoegdheden, hetgeen in lijn was met Böhmcker’s voornemen een "Judenrat" in te stellen, "damit für alle Amsterdamer Juden eine verantwortliche Vertretung vorhanden sei"

Sijes, Februaristaking… blz. 91.

. Geen van beide uitgangspunten van de commissie kon echter volgehouden worden. Eind oktober kregen Asscher en Cohen te horen dat het werkterrein moest worden uitgebreid tot het hele land

Mededeling van Böhmcker en Lages op 27 oktober 1941. In het zelfde gesprek deelden zij mee dat de Joodse Raad geen formele statuten zou krijgen; Presser, Ondergang… blz. 170.

, waarna verschillende provinciale bureaus werden opgericht.

Uitbreiding van de Joodsche Raad Tegen die tijd waren macht en invloed van de Joodse Raad danig gegroeid, niet in het minst door Duitse maatregelen. Het verbod op andere joodse organisaties in het najaar van 1941 was een van de oorzaken van die versterkte positie

Hierdoor werd onder meer de Joodse Coördinatie Commissie verboden. De Zentralstelle für jüdische Auswanderung verstevigde de positie van de Joodse Raad door bewust bevoegdheden aan de raad over te dragen; Michman, "De oprichting van de Joodse Raad voor Amsterdam…" blz. 90.

. De Joodse Raad beheerde scholen waar joodse kinderen les konden krijgen en verzorgde beroepsopleidingen voor werkloze joden. Financiële en sociale ondersteuning van armlastige joden werd aangevuld met het bieden van praktische hulp bij gedwongen verhuizingen. Later kwam daar nog het begeleiden bij van joden die een oproep voor deportatie hadden ontvangen. Uiteindelijk zou de Joodse Raad uitgroeien tot een administratieve machine met duizenden medewerkers die in Duitse opdracht het leven van de joden tot in detail regelde

Lindwer, Het fatale dilemma… blz. 20.

.

De Joodse Raad raakte echter ook steeds meer betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van anti-joodse maatregelen en moest het voornemen loslaten om geen oneervolle opdrachten te aanvaarden. De raad werd aangestuurd door de Zentralstelle für jüdische Auswanderung onder leiding van Willy Lages en Ferdinand aus der Fünten. De Zentralstelle dwong de Joodse Raad lijsten op te stellen van niet-Nederlandse joden, later ook van werkloze Nederlandse joden. De distributie van de gele jodensterren verliep via de raad

Dit werd zo snel en efficiënt uitgevoerd dat het bij de Duitsers bewondering opriep; Michman, "Controversy surrounding the Jewish Council…" blz. 254.

. Duitse bevelen en verordeningen werden via het Joodsch Weekblad onder de joodse gemeenschap bekend gemaakt. Naarmate de deportaties op gang kwamen, kreeg de Joodse Raad een steeds invloedrijkere rol bij het verlenen van vrijstellingen voor transport. Een Duits memorandum constateerde in 1942: "es konnte vor allem mit Hilfe dieser Befehlsübermittlungsstellen und mittels Weisungen im zensierten Jüdischen Wochenblatt die Evakuierung gelenkt werden"

Memorandum van Willy Zöpf in 1942; geciteerd in Michman, "Controversial stand…" blz. 25 n. 28.

. Op deze evacuatie, zoals de deportaties in het memorandum versluierd omschreven werden, doelde Lages met zijn opmerking: "Ohne diesen Judenrat hätten wir es nie geschafft"

Getuigenverklaring van W. Lages in het najaar van 1947; geciteerd in Lindwer, Het fatale dilemma… blz. 14.

.

Van het op 13 februari 1941 inderhaast bijeengeroepen comité van twintig mannen was de Joodse Raad uitgegroeid tot een organisatie met tientallen afdelingen en in het gehele land lokale en regionale vertegenwoordigingen. Chroniqueur van de jodenvervolging in Nederland Jacques Presser achtte de Joodse Raad qua omvang een ministerie niet onwaardig en noemde het "een gekrioel van personen, functies, bureau’s met bijbehorende paperasserij". Hij sprak van een "woekergroei": begin april 1943 telde de Joodse Raad achtduizend medewerkers alleen al voor Amsterdam. Nog eens 560 medewerkers waren werkzaam in de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht en de grote steden Den Haag, Rotterdam en Utrecht. De grote razzia’s van mei en juni 1943 hadden echter een "gewijzigde bureaulijst" tot gevolg. Half juli waren er nog geen 1.100 medewerkers over en eind augustus telde de Joodse Raad er nog 92

Presser, Ondergang… blz. 453-455.

.

Ontbinding van de Joodsche Raad Ongewild en onbewust kondigde het Joodsche Weekblad het einde van de Joodse Raad aan met de mededeling dat de bureaus op 30 september en 1 oktober gesloten zouden zijn wegens de joodse feestdag Rosj Hasjana

Joodsche Weekblad 3e jaargang no. 25 van 24 september 1943; http://www.delpher.nl/nl/kranten/view?query=joodsche+weekblad&page=1&coll=ddd&facets%5Bperiode%5D%5B%5D=2%7C20e_eeuw%7C1940-1949%7C1943%7C&identifier=ddd%3A010318389%3Ampeg21%3Ap001&resultsidentifier=ddd%3A010318389%3Ampeg21%3Aa0018

. Op 29 mei 1943 vond de laatste razzia plaats in Amsterdam waarbij de laatst overgebleven prominenten van de Joodse Raad vanuit de Hollandse Schouwburg naar Westerbork werden gebracht

De Jong, Het Koninkrijk… deel 7 blz. 311; alleen Cohen werd niet opgepakt, hij kwam een dag later aan in Westerbork.

. Ook na Rosj Hasjana bleven de kantoren van de Joodse Raad gesloten.

De Joodsche Raad in internationaal perspectief

Wenen en Praag De vroegste concepten van een vertegenwoordigend orgaan voor de joodse gemeenschap lagen al in april 1933 op de burelen van Duitse overheidsambtenaren. Een ontwerpregeling voor de "Stellung der Juden" voorzag in een verplicht lidmaatschap van een "Verband der Juden” en de verkiezing van een 25 leden tellende "Judenrat"

Michman, "De oprichting van de Joodse Raad voor Amsterdam…" blz. 77.

. Verder dan een plan kwam het echter niet; pas de Anschluss van Oostenrijk bij het Duitse Rijk in 1938 bood Gestapo en Sicherheitsdienst de gelegenheid om hun, inmiddels verder uitgewerkte, plannen in de praktijk te brengen. Binnen een maand had Adolf Eichmann alle joodse organisaties ondergebracht in de Jüdische Kultusgemeinde Wien. Deze nieuw gecreëerde organisatie had geen wettelijke basis maar stond onder controle van een speciaal daartoe opgerichte Zentralstelle für jüdische Auswanderung. De Kultusgemeinde moest het door de Duitsers gestelde doel van emigratie van joden bevorderen en mocht onderwijs, cultuur en sociale hulp voor joden uitvoeren. Omdat tachtig procent van de Oostenrijkse joden in Wenen woonde, waren de joodse gemeenschappen in de rest van het land al gauw afhankelijk van de hoofdstedelijke organisatie. Een vergelijkbare lokaal georiënteerde joodse vertegenwoordiging werd ook in Praag opgericht

Michman, "De oprichting van de Joodse Raad voor Amsterdam…" blz. 78-80. Het Reichprotektorat Bohemen en Moravië kreeg "ein ähnliches System wie in Wien", namelijk een "reorganisierte örtliche jüdische Gemeinde ohne besondere Rechtsgrundlage, die einer Zentralstelle direkt unterstellt war"; Michman, "Judenräte..." blz. 299.

.

Berlijn De situatie in het Duitse Rijk was anders dan in Tsjechoslowakije en Oostenrijk. In het Altreich woonde de joodse gemeenschap niet voornamelijk in de hoofdstad maar had zich door het hele land verspreid. Sinds 1933 bestond een landelijke organisatie waarbij joden zich op vrijwillige basis konden aansluiten. Deze Reichsvertretung der deutschen Juden was zonder dwang van de nationaal-socialistiche regering uit de joodse gemeenschap zelf voortgekomen

Esh, “Reichsvereinigung der Juden…” blz. 20.

. Hoewel de nazi’s meteen na de machtsovername plannen maakten voor een verplichte joodse organisatie, kwam die er pas na de Kristallnacht van 10 november 1938. Vrijwel alle religieuze en niet-religieuze joodse organisaties gingen op in de Reichsvereinigung der Juden in Deutschland. Rijksminister Göring vaardigde op 24 januari 1939 een bevel uit om een “verstärkten Auswanderung” van joden voor te bereiden onder meer door een “geeignete jüdische Organisation ins Leben zu rufen”

Michman, “Judenräte...” blz. 298.

. De enig toegestane joodse krant, het Jüdisches Nachrichtenblatt berichtte op 17 februari 1939 dat de omvorming van de Reichsvertretung in de Reichsvereinigung zijn voltooiing naderde. Voorzitter was rabbijn dr. Leo Baeck, zijn plaatsvervanger was Heinrich Stahl, de leider van de joodse gemeenschap in Berlijn

Esh, “Reichsvereinigung der Juden…” blz. 25-26.

. Het doel werd formeel vastgelegd bij verordening van 4 juli 1939. De Reichsvereinigung moest emigratie van joden bevorderen en scholing en sociale steun verzorgen

Esh, “Reichsvereinigung der Juden…” blz. 30.

.

De Gestapo, die in het Duitse Rijk belast was met de afhandeling van joodse zaken, ontbond de Reichsvereinigung op 10 juni 1943. Op dat moment waren er nog geen tienduizend joden over van de driehonderduizend die in 1939 in Duitsland woonden

Esh, “Reichsvereinigung der Juden…” blz. 32, 34, 37-38. Alleen een Restvereinigung der jüdischen Mischehepartner bleef bestaan om de eigendommen van de oude organisatie aan de staat over te dragen.

.

Polen In Polen, het eerste door krijgsgeweld veroverde land, richtten de Duitsers in vrijwel elke joodse gemeenschap een Jüdische Ältestenrat op, bestaande uit rabbijnen en andere notabelen. De bedoeling hiervan zette chef van het Reichssicherheitshauptamt Reinhardt Heydrich uiteen in een bevel aan de commandanten van de Einsatzgruppen

Schnellbrief van 21 september 1939 van Heydrich aan de commandanten van de Einsatzgruppen; geciteerd in Berenstein, Faschismus, Getto, Massenmord… blz. 37-41.

. Onder uitdrukkelijke waarschuwing dat de "geplanten Gesamtmassnahmen" streng geheim gehouden moesten worden, liet Heydrich weten dat het onderbrengen van de Poolse joden in de grote steden de belangrijkste voorwaarde was voor de "Erfüllung dieses Endzieles". Hij stelde de Judenräte verantwoordelijk voor het registreren van de joodse bevolking en hun vertrek naar de steden. Daar aangekomen, moesten de Ältestenräte zorg dragen voor een "geeignete Unterbringung". Tenslotte wees Heydrich erop dat de joodse raden volledig verantwoordelijk waren voor de prompte en precieze uitvoering van zijn bevelen.

De ingestelde joodse raden waren doorgaans een voortzetting van traditionele joodse organisaties die al voor de oorlog bestonden, of van burgercomités die tijdens de gevechten van september 1939 waren ontstaan

Trunk, Judenrat… blz. 14-16. Een deel van de Judenrat van Lublin bestond uit leden van een vooroorlogs joods gemeentebestuur. De meeste leden van het Joods Burger Comité dat tijdens het beleg van Warschau was opgericht, namen later zitting in de Judenrat van de stad.

. In andere plaatsen kregen rabbijnen de opdacht een joodse raad samen te stellen, of wezen de Duitsers willekeurige personen aan om een joodse raad te vormen

Trunk, Judenrat… blz. 24-25.

.

De omvang van de joodse raden kon variëren. Een grote stad als Lwow met 150.000 inwoners had een joodse raad van aanvankelijk acht en later twaalf leden. Een provinciestad met zevenduizend inwoners had daarentegen een vierentwintig leden tellende joodse raad

Trunk, Judenrat… blz. 29. In het stadje Wadowice woonden tweeduizend joden die vertegenwoordigd werden door een joodse raad van vier leden. Het nabijgelegen dorpje Andrychów had een joodse raad van zes leden op een joodse bevolking van vijfhonderd.

. In sommige gevallen werden overkoepelende joodse raden op districts- of regioniveau ingesteld. Een dergelijke Oberjudenrat kon leden van de lokale joodse raden benoemen of ontslaan en onderhield de contacten met de Duitse instanties

Trunk, Judenrat… blz. 36-37. De "Zentrale der Ältestenräte der jüdischen Kultusgemeinden in Ostoberschlesien" was in maart 1941 bevoegd voor 32 gemeenschappen verspreid over tien districten.

. Het Duitse bestuur zelf was evenmin uniform en eenduidig. Het civiele bestuur streed met SS-instanties om de zeggenschap over het joodse bevolkingsdeel. De Sicherheitsdienst probeerde de bevoegdheden over de joodse raden en joodse aangelegenheden in het algemeen naar zich toe te trekken. Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD Bruno Streckenbach claimde dat de SD het idee van de joodse raden had ontwikkeld omdat ze om "bekende redenen" een groot belang had in het joodse probleem

Trunk, Judenrat… blz. 5, 264 passim.

.

Frankrijk en België De joodse raden in Frankrijk en België kwamen negen maanden na de Joodse Raad van Amsterdam tot stand en kregen een wettelijke basis. Op 21 november 1941 werd de Union Générale des Israélites de France (UGIF) opgericht. Bestaande joodse organisaties werden ontmanteld of opgenomen in de UGIF. Bij wet werd vastgelegd dat het werkgebied van de UGIF zowel het door de Duitsers bezette gedeelte van Frankrijk bestreek als het door het Franse Vichy-bewind gecontroleerde deel. Voorzitter Albert Lévy werd verantwoordelijk gesteld voor het Vichy-gebied, vice-voorzitter André Baur zetelde in bezet Parijs. Deze bestuurlijke scheiding duurde tot half februari 1943, drie maanden nadat de Duitsers ook het Vichy-gebied hadden bezet. Naast de sociale, financiële en medische ondersteuning zorgde de UGIF ook voor onderwijs binnen de joodse gemeenschap. Vanaf begin juni 1943 was de UGIF tevens belast met het innen van een speciale aan de joden opgelegde belasting

Szajkowski, "Glimpses on the History of Jews…" blz. 134, 136, 145. Voorzitter Albert Lévy was voor de oorlog als voorzitter van de Comité d' Assistance aux Refugiés betrokken bij de hulp aan joodse vluchtelingen.

.

Eveneens eind november 1941 verordonneerde de militaire bevelhebber in België de oprichting van de Vereinigung der Juden in Belgien (VJB). Het oprichtingsdecreet bepaalde dat de "Jodenvereeniging" statuten kreeg en onder toezicht stond van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid. Als doel was nadrukkelijk vastgelegd de "uitwijking der joden te bevorderen"

Michman, "De oprichting van de VJB…" blz. 41-42.

. Niet alleen qua naamgeving lijkt de VJB sterk op de Duitse Reichvereinigung, ook de tekst van de oprichtingsverordening vertoont sterke verwantschap met die van de Reichsvereinigung. Chef van de Sicherheitsdienst in België Ernst Ehlers rapporteerde in januari 1942 dat de "Vereinigung der Juden in Belgien nach dem Muster der Reichs-Vereinigung gebildet wird. Sie hat insbesondere den Zweck, Träger der jüdischen Wohlfahrtpflege, der Vorbereitung der Auswanderung und des jüdischen Schulwesens zu sein"

Sonderbericht das Judentum in Belgien; geciteerd in Klarsfeld, Die Endlösung der Judenfrage… blz. 12-13.

.

Judenrat en Judenverein In de Nederland omringende landen bestonden dus grofweg twee modellen van jodenraden. In Wenen, Praag en Polen waren lokaal georiënteerde Judenräte geïnstalleerd zonder wettelijke basis. Deze vorm kwam voornamelijk voor in de gebieden waar SS-instanties een sterke positie hadden

Michman, "Judenräte…" blz. 300; ook de Sovjet-Unie, Hongarije, het Griekse Saloniki en tot op zekere hoogte Tunesië kregen te maken met dit model.

. In gebieden waar de SS in een machtstrijd verwikkeld was met andere rijksinstanties kwamen doorgaans Judenvereinigungen naar Duits voorbeeld van de grond. Deze kregen wel een wettelijke status en hadden het gehele land als werkgebied, zoals in België en Frankrijk

Michman, "Judenräte…" blz. 299-300; rekent ook Roemenië en Algerije tot deze groep, evenals in zeker opzicht Danzig.

. Daarnaast waren er door de Duitsers gecontroleerde gebieden waar geen joodse raad werd opgericht, zoals Noorwegen en Denemarken

Blom, "Persecution of the Jews"… blz. 347.

, Italië

Michman “Judenräte…” blz. 304.

en Kroatië

Michman, "De oprichting van de VJB…" blz. 31.

.

Nederland Nederland kreeg een civiel bezettingsbestuur onder leiding van Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, waar de SS een grotere invloed kon uitoefenen dan in Frankrijk en België. De sterke positie van Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter weerspiegelt dit. Bovendien was hij, evenals Seyss-Inquart en diens Generalkommissare Hans Fischböck en Friedrich Wimmer, afkomstig uit Oostenrijk

Blom, "The persecution of the Jews…" blz. 338

. Zij hadden in 1938 van dichtbij meegemaakt hoe Eichmann omging met de Weense joden. Daarnaast was Seyss-Inquart van september 1939 tot mei 1940 tweede man in het bezette Polen geweest. Ook de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, Wilhelm Harster, nam zijn ervaring uit Oostenrijk en Polen mee naar Nederland

Na de Anschluss in maart 1938 werd Harster naar Oostenrijk overgeplaatst en vanaf oktober 1939 was hij Befehlshaber der Sicherheitspolizei in Polen; Michman Uniqueness... blz. 375-376.

.

De Joodse Raad die in Nederland het licht zag, vertoont in een aantal opzichten verwantschap met het Poolse model, zoals het ontbreken van een wettelijke verankering, de initiële taak om rust en orde te handhaven en de in aanvang plaatselijke zeggenschap

Als andere overeenkomende elementen kunnen genoemd worden de naam Judenrat zelf (in tegenstelling tot Judenvereinigung), de persoonlijke opdracht van Duitse autoriteiten aan rabbijnen en notabelen, het aantal leden en de zeggenschap van een centrale raad over regionale raden; Michman, "De oprichting van de Joodse Raad voor Amsterdam…" blz. 88, 91 en 93.

. Er zijn echter ook significante verschillen aan te wijzen. De meest in het oog springende is dat de Joodse Raad niet op initiatief van een SS-instantie tot stand is gekomen maar op last van de civiele bestuurders Böhmcker en Schmidt. In tegenstelling tot de joodse raden in Wenen, Praag en Polen werd de Joodse Raad van Amsterdam niet direct na de bezetting opgericht maar pas negen maanden later. Deels zijn deze verschillen toe te schrijven aan de specifiek Nederlandse omstandigheden: binnen het Reichskommissariat was een competentiestrijd gaande tussen de SS-vertegenwoordigers (Rauter, Harster) en de NSDAP-afgevaardigden (Seyss-Inquart, Schmidt, Böhmcker)

Voor een uitgebreide analyse van de competentiestrijd tussen de Duitse autoriteiten in bezet Nederland zie onder meer Houwink ten Cate, "Heydrich's Security Police…" en Michman, "Planning for the final solution…"

.

Opmerkelijk in dit verband is dat Seyss-Inquart een poging deed een vertegenwoordigend joods orgaan oprichten dat geënt was op de Reichs-Vereinigung in Duitsland zelf. Hiermee ging hij in tegen de harde lijn die Rauter en Harster voorstonden. Seyss-Inquart liet plannen uitwerken voor een "jüdische Zwangsorganisation" die het sociale en culturele leven van de joden moest kanaliseren en controleren. Naast deze "Reinigung des Kultur- und Vereinswesens von artfremden Einflussen" lag ook de "Förderung ihrer Auswanderung" in zijn bedoeling. Dit plan, dat vooral een zet was in het schaakspel om de macht, is echter nooit de status van concept ontgroeid.

Michman, "Planning for the final solution…" blz. 149 noot 8. & Michman, "Jüdenräte…" blz. 302.

.

In het gewoel van de machtstrijd binnen het Reichskommissariat zochten voorzitters Asscher en Cohen naar speelruimte. Met het schrikbeeld voor ogen van de jonge joodse mannen die in februari 1941 waren opgepakt en enkele maanden later naar Mauthausen werden gedeporteerd, verkozen zij de samenwerking met Böhmcker boven het strengere bewind van SS en Sicherheitsdienst

Houwink ten Cate, "The security police..." blz. 389-390.

. Vanwege de vele dilemma’s waarvoor de Joodse Raad zich zag gesteld, is de opdracht van Asscher en Cohen ooit vergeleken met een moeizame voettocht door de woestijn met "vóór zich niet veel anders dan een fata morgana, een spiegeling van optimisme tegen een hemel van hoop"

Herzberg, Kroniek… blz. 151.

.

De coöperatieve houding van de Joodse Raad ligt in de lijn van de meewerkende instelling van de joodse gemeenschap in het algemeen. Dankzij hun lange traditie van integratie en assimilatie in de Nederlandse samenleving reageerden de joden op vergelijkbare wijze als het merendeel van de Nederlandse bevolking op de Duitse bezetting: met acceptatie en coöperatie

Blom, "The persecution of the Jews…" blz. 348-349 stelt dat de goed georganiseerde Joodse Raad naadloos aansloot bij de min of meer coöperatieve en dociele houding van de joodse gemeenschap in Nederland.

.

beheersgeschiedenis/overbrenging naar het RIOD

Het archief van de Joodsche Raad is niet in zijn geheel bewaard gebleven. Al tijdens de bezetting zijn delen door de Duitsers in beslag genomen en vernietigd

Lindwer, Het fatale dilemma... blz. 32.

. Ook zijn verslagen van gesprekken die voorzitter D. Cohen had met Duitse instanties, vermoedelijk verloren gegaan. Cohen dicteerde deze verslagen in het geheim aan zijn secretaresse juffrouw F.D. de Lange

Presser, Ondergang... deel 1 blz. 453.

. Evenzeer ontbreken notulen van de Joodsche Raad over de periode 13 februari tot 26 juni 1941

Vergelijk Houwinck ten Cate, "Security police..." noot 3.

.

Het archief dat medewerkers en afdelingen van de Joodsche Raad gevormd hebben, is nooit op één centrale plek bewaard. Ten eerste komt dat omdat de afdelingen van de Joodsche Raad verspreid waren over verschillende locaties in de stad. Bovendien bewaarden de provinciale vertegenwoordigers hun archief op hun eigen secretariaat.

De gevolgen van deze decentrale bewaring zijn te merken bij de ontvangst door het RIOD. In de meeste gevallen is niet meer te achterhalen hoe en wanneer het RIOD de stukken verwierf. Voor zover is na te gaan, zijn de volgende stukken, verspreid over meer dan twintig jaar, aan het RIOD overgedragen. De eerste overdracht vond plaats in 1953 door voormalig voorzitter David Cohen

Jaarverslag RIOD 1953.

. Hij schonk het archief van de voorzitters "met enkele andere bescheiden". In het verslag over dat jaar is sprake van de "bewaard gebleven stukken", wat erop duidt dat het overgedragen archief incompleet was. Niettemin werd het voorzittersarchief getypeerd als een "aanwinst waarvan de betekenis voor de documentatie van de Jodenvervolging in Nederland niet hoog genoeg aangeslagen kan worden". Een jaar later vulde Cohen zijn schenking aan met aantekeningen van zijn gesprekken met vertegenwoordigers van de Sicherheitspolizei

Jaarverslag RIOD 1954.

. In 1962 ontving het RIOD vier pakken met stukken van de afdeling Groningen, drie jaar later gevolgd door driekwart meter materiaal van de afdeling Zutphen

Jaarverslagen RIOD 1962 en 1965.

. Tenslotte maakt het jaarverslag over 1975 melding van de ontvangst van een map circulaires over de periode augustus 1942 tot januari 1943.

Over het archief: De Joodsche Raad werd in februari 1941 opgericht na een aantal gesprekken met de Beauftragter des Reichskommissars für die Stadt Amsterdam, Hans Böhmcker. De Joodsche Raad, onder voorzitterschap van Abraham Asscher en David Cohen, vertegenwoordigde de joodse gemeenschap bij de Duitse en de Nederlandse overheid. Verder was de Raad belast met een deel van de uitvoering van de maatregelen ten aanzien van joden die door de Duitse autoriteiten werden afgekondigd. Hoewel de naam anders doet vermoeden, vertegenwoordigde de Joodsche Raad alle Nederlandse joden. De Raad had een afdeling in het Judendurchgangslager Westerbork (collectie 250 i).
Joodsche Raad voor Amsterdam
Openbaarheid: Enkele inventarisnummers van dit archief zijn beperkt openbaar. Details staan vermeld in de rubriek "openbaarheid".
Status: NIOD-KNAW collectie
Het archief bestaat uit correspondentie, circulaires en financiële bescheiden van de voorzitters van de Joodsche Raad en de verschillende afdelingen en bureaus. De stukken geven inzicht in zowel het door de Duitse bezetter gevoerde beleid als de lotgevallen van individuele joden.
periode van ontstaan

Het archief is gevormd in de periode 1941-1943.

Engelstalige toegang:: Van deze toegang is ook een Engelstalige versie beschikbaar
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media