Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Missie tot Opsporing van vermiste personen tijdens de Oorlogstijd (getuigenverklaringen)

Missie tot Opsporing van vermiste personen tijdens de Oorlogstijd (getuigenverklaringen)
Status: Bruikleencollectie Nationaal Archief
Het archief bestaat deels uit getuigenverklaringen afgenomen bij personen die terugkeerden uit werk- en/of concentratiekampen. Ook zijn er getuigenverklaringen van verwanten van vermiste personen. Deze verklaringen werden afgenomen om te achterhalen wat er met de vermiste personen was gebeurd. Het archief bevat ook aantekeningen en rapporten over dit onderwerp en enige correspondentie.
Over het archief: De Missie tot Opsporing van vermiste personen tijdens de Oorlogstijd hield zich in de periode 1947-1951 bezig met het opsporen van personen die vermist waren geraakt tijdens de oorlog. Dit archief bevat verhoorrapporten van ex-gevangenen over hun wedervaren in diverse kampen en de personen die zij daar hebben leren kennen of zien sterven. Ook bevat het verhoorrapporten van verwanten van vermisten die informatie verschaffen over de vermisten.
Geschiedenis

De Missie tot Opsporing van vermiste personen tijdens de bezettingtijd De Missie tot opsporing van vermiste personen tijdens de bezettingstijd (MtO) werd met ingang van 1 juli 1947 ingesteld door de Minister van Sociale Zaken W. Drees. Vanaf augustus 1946 tot 1 juli 1947 had de voorganger van de Missie, de 'Missie tot opsporing van vermiste Nederlandse militairen en agenten' geresorteerd onder het Ministerie van Oorlog. Omdat de behoefte bestond de opsporingsactiviteiten uit te breiden naar andere vermisten dan alleen militairen en agenten, werd besloten de taakstelling te verbreden. In nauwe samenwerking met het Nationaal Opsporingsbureau (NOB) dat was ondergebracht bij het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en dat zorg droeg voor de administratieve taken, toog de Missie aan het werk. De MtO werd ondergebracht bij de Afdeling Repatriëring en Opsporing van vermiste personen van het Ministerie van Sociale Zaken. Kolonel W.Ch.J.M. van Lanschot kreeg de leiding. Het opsporingswerk was tot de instelling van de MtO zeer versnipperd geweest. Door en na de instelling van de MtO was dat probleem niet zomaar opgelost. Tussen de samenstellende delen van de Missie, enerzijds Sociale Zaken en anderzijds het Nederlandse Rode Kruis, boterde het niet en dat zou ook zo blijven tot 1949 toen de MtO en het NOB erin slaagden effectiever te gaan samenwerken

E.G. Vos, Visschen met net en hengel. Organisatie, werkzaamheden en voorgeschiedenis van de Nederlanse Missie tot Opsporing van vermiste personen uit de bezettingstijd juli 1947 - september 1951 (doctoraalscriptie Rijksuniversiteit Utrecht) (Utrecht 1989)

.

In de periode tot en met september 1951 heeft de MtO in Centraal- en Oost Europa opsporingsonderzoeken verricht naar tienduizenden Nederlanders die gedurende de bezettingsjaren waren gedeporteerd, dan wel vrijwillig waren vertrokken en die na het einde van de oorlog vermist waren. Het betrof verschillende categorieën vermisten. De belangrijkste waren in juli 1947 tewerkgestelden (5000), politieke gevangenen (3000), krijgsgevangenen (21) en Nederlanders in Duitse krijgs- of arbeidsdienst (3271). In 1950 werd de MtO ook betrokken bij de opsporing van vermiste Nederlandse Joden. In 1949 werd hun aantal geschat op 20.000.

Vos, Visschen met net en hengel, 2.

In het eindverslag van de MtO dat in 1952 werd gepubliceerd, werd het volgende overzicht van de resultaten van het opsporingswerk gegeven: 'Het resumé der verkregen rsultaten toont aan, dat er van de bij de Missie tot Opsporing in behandeling geweest zijnde cira 5500 individuele dossiers ongeveer 5000 in samenwerking met het Informatiebureau (van het Nederlandse Rode Kruis, KT) werden opgelost of van een eindconclusie voorzien. In ruim 4500 gevallen werd een oplossing bereikt bij het uiterst moeilijke onderzoek naar het lot van 6970 Joodse landgenoten. Door de massatracering werden o.m. 4732 overlijdensacten, 32.671 overlijdens- c.q. grafmeldingen en 415.574 individuele gegevens verkregen.'

Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Missie tot opsporing van vermiste personen uit de bezettingstijd. Eindverslag ('s Gravenhage 1952) 18

.

Het archief Het archief valt uiteen in twee delen. In het eerste deel bevinden zich de verklaringen die ambtenaren van de Missie hebben afgenomen van gedeporteerden uit de zogenaamde 'Cosel-periode'. Deze periode duurde van 28 augustus tot en met 12 december 1942. De periode wordt zo genoemd omdat een aantal transporten die toen op weg waren naar Auschwitz (ook uit België en Frankrijk) op het station van Cosel (ook wel bekend als Kosel of Közle) stopten. Cosel lag ongeveer 80 kilometer ten westen van Auschwitz. Hier werden de, volgens de Duitsers, voor arbeid geschikte mannen tussen de 15 en 50 jaar uit de treinen gehaald. Zij werden via de Durchgangslagers St. Annaberg en Gogolin te werk werden gesteld in de omliggende Zwangarbeitslager für Juden als Blechhammer, Bobrek, Neukirch, Seibersdorf, Schoppinitz, Ottmuth, Niederkirch, Gross-Sarne, Laurahütte, Malapane, Tränke, Bunzlau, Anhalt, Fürstengrube, Gräditz, Langenbielau, Freiburg en Gleiwitz. De omstandigheden in de kampen verschilden sterk

L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 8 tweede helft ('s Gravenhage 1978) 790-802.

.

In de Cosel-periode vonden 29 transporten plaats, dus twee per week. Hiervan werden er achttien in Cosel gesplitst. De elf andere gingen in hun geheel naar Auschwitz. De achttien in Cosel gesplitste transporten omvatten ruim 16000 gedeporteerden. In Cosel werden ongeveer 3500 mannen tussen 15 en 50 jaar geselecteerd voor tewerkstelling. 181 van hen overleefden de oorlog, waarvan 126 in het kamp Blechhammer, dat na de overneming door de SS op 1 april 1944 'relatief draaglijk' werd.

J. Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, 1940-1945 (Den Haag 1985) 411-412. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 7 eerste helft (’s Gravenhage 1976) 352-354.

Het archief bevat 154 verklaringen van mannen die uit Westerbork naar Cosel zijn gedeporteerd en vijf getuigenverklaringen van mannen die uit Frankrijk en België waren gedeporteerd. Dan zijn er nog zes verklaringen van mannen van wie de plaats en datum van hun transport naar Cosel niet zijn genoteerd. Het tweede deel van het archief bevat verhoorrapporten over vermisten die in diverse kampen gevangen hebben gezeten of op diverse plekken te werk zijn gesteld. Deze verhoren zijn over het algemeen afgenomen van verwanten of medegevangenen die zijn teruggekomen uit Duitsland.

periode van ontstaan

Het archief is gevormd in de periode 1947-1951.

Openbaarheid: Deze stukken zijn beperkt openbaar. Zij zijn slechts raadpleegbaar na verkregen toestemming van de directeur van het NIOD. Voor bezoekers die deze toestemming willen hebben, ligt een formulier bij de balie van de studiezaal van het NIOD.
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media