Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Beekbergen, 'De Woeste Hoeve'

Het monument 'De Woeste Hoeve' bij Beekbergen (gemeente Apeldoorn) is opgericht ter nagedachtenis aan de 117 mensen (voor het merendeel verzetslieden) die hier op 8 maart 1945 door de bezetter zijn gefusilleerd. Op 6 maart 1945 hadden de Apeldoornse Binnenlandse Strijdkrachten een tip ontvangen dat de Wehrmacht de volgende ochtend bij een slachterij in Epe 3000 kilo vlees zou ophalen. Omdat er voedselschaarste was, kreeg de verzetsgroep van Geert Gosens de opdracht deze partij vlees te bemachtigen. Gosens had het plan opgevat om met een vrachtwagen van de Wehrmacht het vlees bij de slagerij in te laden. De BS-groep kampte echter met een ernstig transportprobleem. Gosens besloot om nog diezelfde avond met zijn groep een vrachtwagen buit te maken. De groep BS'ers bestond uit: Henk de Weert, Karel Pruis, Wim Kok, twee gedeserteerde SS'ers Sepp Köttinger en Herman Kempfer, en Geert Gosens. Om ongeveer half tien 's avonds vertrokken de zes mannen per fiets richting Arnhem. Bij herberg 'De Woeste Hoeve' legden zij hun fietsen in de berm en verscholen ze zich, bewapend met stenguns. Omstreeks middernacht naderde de BMW-cabriolet van de meest gevreesde man in Nederland: SS-Obergruppenfuhrer und General der Waffen-SS und der Polizei, Hanns Rauter. De leden van de verzetsgroep, die ten onrechte een vrachtauto meenden te horen, openden het vuur. Na de schietpartij waren de verzetslieden ervan overtuigd dat de inzittenden gedood of stervende waren. Rauter was zwaargewond en ving enkele woorden op, waaruit hij ten onrechte concludeerde dat de aanslag speciaal voor hem was opgezet. Geen van de verzetslieden had echter een vermoeden omtrent de identiteit van de Duitse militairen. Ook konden zij niet vermoeden dat hun daad een van de zwaarste represaillemaatregelen tot gevolg zou hebben. Rauters taak werd overgenomen door SS-Brigadeführer Schöngarth. Na een ontmoeting met Rauter overlegde Schöngarth met Seyss-Inquart over de represaillemaatregelen. Het was gebruikelijk om bij een dergelijk incident zogenoemde 'Todeskandidaten' (politieke gevangenen) te fusilleren. Op 8 maart werden 53 gevangenen uit Amsterdam zonder enige vorm van proces op het terrein van het theehuis Rozenoord geëxecuteerd. Zes Todeskandidaten uit Utrecht werden naar Fort De Bilt gebracht en daar geëxecuteerd. Elf gevangenen uit de cellenbarakken te Scheveningen werden samen met 27 Todeskandidaten op de Waalsdorpervlakte geëxecuteerd. 49 Todeskandidaten in Kamp Amersfoort werden aan het einde van de schietbaan geëxecuteerd.  117 mannen uit diverse gevangenissen werden in vijf groepen van twintig en één van 17 bij Woeste Hoeve op de plaats van de aanslag geëxecuteerd. Jarenlang is aangenomen dat een Duitse Oberwachtmeister der Ordnungpolizei die weigerde te schieten ook ter plekke als 117e slachtoffer zou zijn doodgeschoten, maar dit is niet juist. Diverse bronnen bevestigen dat er een 'weigeraar' is geweest, maar dat hij een dag later op onbekende plaats is doodgeschoten in opdracht van Befehlshaber der Sicherheitspolizei Schöngarth. De identiteit van het 117e slachtoffer is daarmee nog altijd onbekend. Vele jaren was er ook een tweede onbekend slachtoffer. Ondanks een lange zoektocht sinds 1991 en de vermelding van zijn naam op het monument in 1996, is pas in november 2008 door middel van DNA door het Nederlands Forensisch Instituut vastgesteld dat het om de Poolse oorlogspiloot Czesław Oberdak ging. Naast de Pool/Tsjechoslowaak Helmuth Seyffardt is er dus nog een niet-Nederlands slachtoffer gevallen bij Woeste Hoeve'  Tot de opdracht voor de vergelding is de middag na de schietpartij met Rauter besloten door Schöngarth en Rijkscommissaris Arthur Seyss-Iquart tijdens een overleg in Apeldoorn. Schöngarth werd door een Britse militaire rechtbank ter dood veroordeeld en in april 1946 opgehangen in Hameln, maar dat had niets met zijn rol bij Woeste Hoeve te maken. Hetzelfde geldt voor de ophanging van Seyss-Inquart in Neurenberg in oktober 1946. De enige Duitser die voor Woeste Hoeve in de Nederlandse cel heeft gezeten is Oskar Gerbig, de SD-commandant van Apeldoorn. Hij kreeg in 1950 in cassatie tien jaar cel voor het laten wegvoeren van de gevangenen naar Woeste Hoeve en het organiseren van de executies, al woog de Bijzondere Raad van Cassatie mee dat Gerbig met tegenzin had gehandeld. Gerbig kreeg gratie en werd in 1951 vrijgelaten. Wel aangeklaagd maar niet veroordeeld wegens gebrek aan bewijs waren vier andere Duitsers. Onder andere Hans Kolitz, hoewel hij als rechterhand van Schöngarth de taak had om voldoende Todeskandidaten voor executie bij elkaar te krijgen. Hanns Rauter overleefde zijn ernstige verwondingen en werd na de oorlog in Duitsland opgepakt. Hij stond in 1948 terecht voor het Bijzonder Gerechtshof in Den Haag, waar hij voor zijn terreur tijdens de Tweede Wereldoorlog op 4 mei 1948 de doodstraf kreeg. Hij verloor de zaak in cassatie en werd op 25 maart 1949 geëxecuteerd in de duinen bij Scheveningen. Van de mannen behorend tot de verzetsgroep werden Karel Pruis en Herman Kempfer een week na de aanslag doodgeschoten door leden van een Duitse patrouille, al is het lichaam van Kempfer nooit gevonden. Gosens en zijn mannen hebben de volledige verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich genomen. In 1946 verscheen hun verhaal in een boek over het Apeldoorns verzet getiteld ' Ik draag U op ' door historicus Johan Middelbeek. Uitgebreid recent archiefonderzoek door journalist Richard Schuurman voor het boek ' Spoor naar Woeste Hoeve ' toont echter aan dat de lezing in dit boek onvolledig is en nog veel vragen oproept, die zich nog niet hebben laten beantwoorden. In de optiek van Schuurman staat niet vast dat Gosens bij toeval op Rauter stuitte en dat er wel degelijk argumenten zijn voor een bewuste aanslag op de SS-generaal. Het onderzoek hierna gaat door.  Onthulling Op 21 juli 1945 is op de fusilladeplaats het eerste monument onthuld. Dit was een initiatief van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten uit Loenen. De eerste jaren na de oorlog werden bij de Woeste Hoeve op 8 maart of op 4 mei herdenkingen gehouden, die werden georganiseerd door de Reünistenvereniging van Oud-Illegale Werkers. Op 4 mei 1947 was koningin Wilhelmina bij de herdenking aanwezig. In 1948 lieten nabestaanden weten dat zij graag een plaquette met namen van de gefusilleerden bij het monument geplaatst wilden hebben. De gemeenteraad besloot op 9 december 1948 het volgende: 'De raad acht het wenselijk geen namen bij het monument te publiceren e.e.a. terwille van een drietal niet nader te noemen personen.' Wel werd enige tijd later het houten bordje met opschrift vervangen door een bronzen plaats met een gewijzigde tekst. Op 8 maart 1970 (25 jaar na de fusillade) werd de (voorlopig) laatste officiële herdenking bij de Woeste Hoeve gehouden. Op 8 maart 1985 (40 jaar na de fusillade) werd toch weer een herdenking georganiseerd. Op 21 september 1991 vond in Arnhem een bijeenkomst plaats van een aantal nabestaanden van de slachtoffers. Er werd besloten tot oprichting van Stichting Monument Woeste Hoeve. Doelstelling van de stichting was verbetering van het monument en vooral het aanbrengen van plaquettes met namen. Op 4 mei 1992 onthulde de Commissaris van de Koningin in Gelderland, dr. J.C. Terlouw het nieuwe monument met de namen van de slachtoffers. Hoewel zij de uitvoering graag anders hadden gewild, is het huidige monument er vooral gekomen dankzij de inspanningen van de heer en mevrouw Hemelrijk.
Blijf tweewekelijks op de hoogte
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media