Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Bron delenBron delen

Leeuwarden, 'Joods monument'

Het 'Joods monument' in Leeuwarden is opgericht ter nagedachtenis aan de joodse medeburgers die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter zijn gedeporteerd en omgebracht. Tevens wordt met het gedenkteken de joodse Dusnus-school in herinnering gebracht. De Dusnus-school, vernoemd naar opperrabbijn B.B. Dusnus, werd op 26 december 1886 geopend. In overeenstemming met de toentertijd nieuwe wet op lager onderwijs moesten bij gebrek aan middelen vrijwel alle joodse bijzondere scholen worden opgeheven. De leerlingen bezochten voortaan de gemeentescholen. Maar naast het openbaar onderwijs mocht de joodse gemeenschap wel haar eigen godsdienstonderwijs blijven geven (tussen en na normale schooluren). In 1941 kreeg de Dusnus-school een andere functie. Het proces van isolering van de joden van de overige bevolking werd door de bezetter in gang gebracht. Gaandeweg werden steeds meer beperkende maatregelen afgekondigd: ontslagen uit publieke functies, de letter J op de persoonsbewijzen, de vele bordjes op openbare gebouwen die de toegang voor joden verbieden en het verplicht dragen van de davidster. Ook in het onderwijs was de invloed van de bezetter merkbaar. Joodse docenten werden ontslagen en met ingang van 1 september 1941 mochten joodse kinderen niet meer op openbare scholen verschijnen. Zij moesten voortaan naar een eigen school. In de Dusnus-school werd een dergelijke joodse school voor heel Friesland gehuisvest. Niet veel later verhuisde de school als dependance van het joods lyceum in Groningen naar een woning aan de Emmakade. De gemeente Leeuwarden was verantwoordelijk voor de organisatie van de lagere school. De administratie van deze korte fase van de Dusnus-school, met onder meer de absentielijsten, is later opgenomen in het gemeentelijk archief. Vanaf april 1942 verdwenen steeds meer leerlingen: ze werden gedeporteerd of doken onder. In maart 1943 waren alle kinderen verdwenen. Fragmenten van de administratieve gegevens (de snel toenemende absentie en rapportcijfers) zijn verwerkt in het monument. In april 1943 verwoordde A.S. Levisson (opperrabbijn van Friesland en Drente tussen 1935 en 1943) zijn bezorgdheid als volgt: 'Weer wachten ons de dagen van Pesach. Het is weer als in vroegere dagen. Wij leven "in het midden van de nacht". Weer omgeven ons gevaren en dreigt de brand, die om ons woedt, naar eigen huis en hof over te slaan. Gij, Joden, waar ge zijt, laat de ernst van de spanningen om ons - hoezeer deze ons ook vervult - ons niet beheersen en terneerslaan. Thans is de vraag of de tijd ons zal beheersen of wij de tijd. Dit is niet alleen een kwestie, die afhankelijk is van de uiterlijke omstandigheden, waarin men leeft; het hangt in hoofdzaak af van wat de mens in zich draagt. Gij, Jood, gij draagt in U de Eeuwigheid, indien ge U bewust zijt van de waarden, die ge met U draagt sinds de Uittocht uit Egypte [...] Weer is het "in het midden van de nacht". Laat ons ons vertrouwen bewaren. Dat zoals in de dagen van weleer de Verlossing kome!' Opperrabbijn Levisson heeft de oorlog niet overleefd. Via het doorgangskamp Westerbork kwam hij terecht in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Toen de Britten het kamp naderden, werd Levisson op een dagen- en nachtenlang transport gesteld naar Tröbitz bij Leipzig. Daar bezweek hij aan de ontberingen van de reis. Levisson heeft een uitgebreid archief nagelaten, dat zich in het Joods Historisch Museum te Amsterdam bevindt: een dichtgeknoopte bundel papier met als schutblad het schrijven uit april 1940. Deze tekst is verwerkt in het monument. Een brief aan een gemeenschap die voor het overgrote deel ten dode was opgeschreven. Van de 632 joden uit Leeuwarden, hebben 539 de oorlog niet overleefd. Op 8 december 1942 werd de laatste kerkenraadsvergadering in Leeuwarden gehouden. Het was Chanoeka, een joods feest dat herinnert aan de herovering van de tempel door de Makkabeeën in het jaar 164 voor Christus. Dit inwijdingsfeest duurt acht dagen. In 1942 kwamen op de achtste dag om 17.00 uur maar vijf leden van de kerkenraad bijeen. In de notulen werd melding gemaakt van vijf afwezigen: een van hen was ondergedoken en twee verbleven in Westerbork. Ook werd genoteerd dat een kerkenlid tegen zijn wil naar het buitenland vertrokken was. Verder vermelden de notulen: 'Laten we hopen en bidden dat ha-kadosj baroech hoe (de Heilige, geloofd zij Hij) alles ten goede zal doen komen. Moge God met die kleine rest, die hier is overgebleven, een wonder doen als met de kleine rest olie van chanoeka (en) de grote kelal (gemeenschap) van Israël doen behouden en alle weggevoerden doen terugkeren.' Fragmenten van deze vergadernotulen zijn aangebracht op het monument. Onthulling Het monument is onthuld in 1987.
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media