Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Gemeentepolitie Utrecht

Gemeentepolitie Utrecht
De organisatie van de Utrechtse gemeentepolitie De periode tot 1940 Na 1813 wordt de gemeente weer verantwoordelijk voor het handhaven van de rechtsorde. Hiervoor heeft zij 14 man politiepersoneel: 1 directeur, 2 commissarissen, 2 inspecteurs, 8 agenten en 1 administratieve kracht. Het korps is zo klein, omdat de nachtwakers, die de nachtdienst blijven verrichten, niet in de sterkte zijn meegeteld. Pas in 1860 worden zij door politieagenten vervangen. In de periode van 1813 tot 1851 staat de gemeentelijke politiedienst onder leiding van een directeur, daarna van een hoofdcommissaris van politie. In 1860 telt het Utrechtse politiekorps in totaal 90 man: 1 hoofdcommissaris, 2 commissarissen, 1 hoofdinspecteur, 4 inspecteurs, 80 agenten en 2 administratieve krachten. In 1930 is de dienst gegroeid tot 389 man: 1 hoofdcommissaris, 2 commissarissen, 3 hoofdinspecteurs, 18 inspecteurs, 18 brigadiers, 41 hoofdagenten, 298 agenten en 8 administratieve krachten. De Tweede Wereldoorlog Na de capitulatie in 1940 blijft het de taak van de Nederlandse politie om de openbare orde te handhaven, dan echter onder Duits toezicht. Politiemensen die zich al te duidelijk anti-Duits opstellen, worden ontslagen. Anderen nemen ontslag of duiken onder. Veel van de nieuwkomers zijn opgeleid in Schalkhaar, een opleiding die in 1941 door de Duitsers is opgezet. In de Utrechtse politie is twee keer een groep van 25 zogenaamde Schalkhaarders ingestroomd Smeets, p. 25-26 en 49-50, en Vernooij, p. 31. . De afdeling Politieke Recherche, vanaf juli 1942 de afdeling Centrale Controle geheten, is verantwoordelijk voor het ophalen van de Utrechtse joden. Vóór de oorlog moest deze afdeling toezien op staatsgevaarlijke elementen. Zij wordt echter steeds meer Duitsgezind en daardoor een willig werktuig in de handen van de bezetter. Op 31 maart 1942 wordt burgemeester G.A.W. ter Pelkwijk opgevolgd door de NSB'er C. van Ravenswaaij. De nieuwe burgemeester heeft een belangrijk aandeel in het ontslag enkele maanden later van 26 politiemensen, onder wie hoofdcommissaris D. Schuitemaker, wegens hun "deutschfeindliche" houding. Zijn opvolger G.J. Kerlen wordt in september 1943 door het verzet geliquideerd. In een herderlijk schrijven van 21 februari 1943 verbieden de Nederlandse bisschoppen ambtenaren om nog langer mee te werken aan arrestaties in opdracht van de Duitsers. Dit leidt tot het vertrek van 23 Utrechtse politiemensen, van wie de meesten onderduiken. Na de oorlog worden 23 officieren, 4 leden van het middenkader en 56 leden van het lagere kader en de manschappen weggezuiverd. De periode 1945-1982 In 1946 bestaat de Utrechtse politiedienst uit 465 man, onderverdeeld in vier hoofdafdelingen: 1. Bureau van de hoofdcommissaris, bestaande uit het Secretariaat, de Opleiding, de Vreemdelingendienst en de Inlichtingendienst. 2. Algemene Dienst, met als belangrijkste onderdelen de Surveillance en de Verkeersdienst. 3. Administratieve Dienst, met onder meer de afdeling Bijzondere Wetten (zoals de Drank- en Horecawet, de Winkelsluitingswet en de Vuurwapenwet), de typekamer, personeelszaken en comptabiliteit. 4. Justitiële Dienst, met onder meer de Recherche, de Jeugdbrigade en de Zedenpolitie Mouton, p. 86. In 1950 krijgt de Algemene Dienst de benaming Geüniformeerde Politie en is de term Algemene Dienst, voor zover die nog wordt gebruikt, vooral van toepassing op de Surveillance Inv.nr. 194, jaarverslag 1950, p. 16. . De afdeling Bijzondere Wetten wordt in 1953 van de Administratieve Dienst naar de Geüniformeerde Politie verplaatst Inv.nr. 197,jaarverslag 1953, p. 1. . De afdeling Personeelszaken verhuist in 1958 van de Administratieve Dienst naar het Bureau van de hoofdcommissaris Inv.nr. 236, jaarverslag 1958, p. 37-38. . In 1960 bestaat het Utrechtse politiekorps uit 500 mannen en vrouwen. De in 1950 opgerichte Reservepolitie en de Mobiele Afdeling, later Mobiele Eenheid geheten, maken onderdeel uit van de Geüniformeerde Politie. De Mobiele Eenheid komt in 1960 voor het eerst in het jaarverslag voor, maar bestaat al langer. In 1960 wordt de afdeling Voorlichting en Voorkoming van Misdrijven in het leven geroepen. Deze nieuwe afdeling valt onder het Bureau van de hoofdcommissaris Mouton, p. 69 en 86, en inv.nr. 238,jaarverslag 1960, p. 9 en 17. . Nieuwe brigades zijn in 1962 de Hondenbrigade en in 1965 de Bereden Brigade. Beide behoren tot de Surveillancedienst Mouton, p. 66-68, en inv.nr. 243, jaarverslag 1965, p. 39. . In 1963 wordt de Dienst Geüniformeerde Politie gesplitst in de Surveillancedienst en de Verkeersdienst; de gemeentepolitie bestaat dan dus uit vijf diensten Inv.nr. 202, jaarverslag 1968, p. 39. . Het aantal politieambtenaren groeit explosief tot 972 in 1981. Uit het organogram van 1981 komt naar voren dat er binnen de Utrechtse gemeentepolitie nog steeds vijf diensten zijn. Eigenlijk zes, maar het Bureau van de hoofdcommissaris kan dan niet meer als zodanig worden beschouwd, omdat nog slechts de afdeling Voorlichting en Voorkoming van Misdrijven en het Secretariaat als twee afzonderlijke, van elkaar onafhankelijke afdelingen onder de korpschef ressorteren. De afdeling Personeel, die vroeger ook tot het Bureau behoorde, is dan een afzonderlijke dienst geworden. De vijf diensten zijn nu: 1. Beheersdienst, met onder andere de Comptabiliteit en de afdeling Algemene Zaken. De afdeling Algemene Zaken is op zich weer verdeeld in de onderafdelingen Post- en Archiefzaken, Intendance en een Technische Dienst. 2. Dienst Personeel en Organisatie, met onder andere de afdeling Vorming en Opleiding en de afdeling Bedrijfsvoering en Automatisering. 3. Surveillancedienst, met de afdelingen I (Paardenveld), II (Marco Pololaan), III (Kaap Hoorndreef), IV (Tolsteegbrug) en een afdeling Ondersteuning. Onder Ondersteuning vallen onder andere Bijzondere Wetten, de Bereden Brigade, de Hondenbrigade, de Arrestantenbewaking en de Reservepolitie. 4. Justitiële Dienst, met onder andere de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst, de Vreemdelingen- en Inlichtingendienst, de Recherche en de Kinder- en Zedenpolitie. 5. Dienst Verkeerspolitie, bestaande uit een stafafdeling, een afdeling Verkeerstechniek en een afdeling Wetshandhaving. In 1982 wordt de afdeling Bedrijfsvoering en Automatisering overgeheveld van de Personeelsdienst naar de Beheersdienst Inv.nr. 215, jaarverslag 1982, p. 79. . De periode 1983-1994 Per 1 mei 1983 wordt hoofdcommissaris C.S. van Doesburg opgevolgd door J. Wiarda. In datzelfde jaar wordt een stafbureau voor de korpsleiding geformeerd, dat rechtstreeks onder de korpschef ressorteert Inv.nr. 216, jaarverslag 1983, p. 56 en 69. . Wiarda voert driemaal een ingrijpende wijziging door in de organisatie van de Utrechtse gemeentepolitie: één in 1984, één in 1987 en één in 1990. Het doel van de reorganisatie van 1984 is de verbetering van de kwaliteit van het management en de communicatielijnen. Personeelszaken, Beheersdienst en de afdeling Informatievoorziening, Bedrijfsvoering en Automatisering (IBA) worden dan stafafdelingen Inv.nr. 217, jaarverslag 1984, p. 46 en 85. . Vergeleken met 1981 heeft de laatstgenoemde afdeling dan dus informatievoorziening als extra taakgebied gekregen en bovendien heeft zij als stafafdeling een grotere zelfstandigheid. Een andere belangrijke wijziging in 1984 is dat de afdeling Ondersteuning dan een aparte dienst wordt. Onder deze dienst wordt, als de afdeling Bijzondere Verkeerstaken, ook de Verkeerspolitie geplaatst. Verder krijgt de Surveillancedienst de nieuwe naam Algemene Politiedienst (APD). Dit leidt tot de volgende organisatie: onder de korpschef staan de stafafdeling korpsleiding en de stafafdelingen Personeelszaken, Beheer en Informatievoorziening, Bedrijfsvoering en Automatisering. Verder zijn er de afdeling Voorlichting en het Secetariaat. Bovendien zijn er dan drie grote diensten, die elk een eigen stafafdeling hebben: 1. Justitiële Dienst. Hieronder ressorteren de Recherche, de Kinder- en Zedenpolitie, de Vreemdelingen- en Inlichtingendienst en de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst. 2. Algemene Politiedienst, bestaande uit de vier afdelingen van de voormalige Surveillancedienst. 3. Dienst Ondersteuning, bestaande uit de afdeling Bestuurlijke Ondersteuning (waaronder onder andere Bijzondere Wetten valt), de afdeling Centrale Ondersteuning (met als taak onder andere arrestantenbewaking), de afdeling Bijzondere Verkeerstaken en de afdeling Parkeren. Het korps bestaat in 1984 uit 1027 mannen en vrouwen Inv.nr. 217, jaarverslag 1984, p. 86. . In 1985 is aan elke dienst een personeelsmedewerker toegevoegd en zijn er verder nog een aantal minder belangrijke wijzigingen doorgevoerd Inv.nr. 218, jaarverslag 1985, p. 63 en 121. . In 1987 is de reorganisatie gericht op de bevordering van - veiligheid en veiligheidsbeleving van de burgers - hulpverlening - veiligheid en doorstroming van het verkeer - bescherming en verbetering van het milieu - steun aan het functioneren van het bestuur en de rechterlijke macht. De belangrijkste wijziging die dan wordt doorgevoerd, is de instelling van de facilitaire dienst per 1 januari 1988. Deze dienst moet het gehele middelenbeleid van de gemeentepolitie omvatten en dus worden de stafafdelingen Personeel, Vorming en Opleiding, Informatieontwikkeling, Automatiseringssystemen en Materieel beheer hierin ondergebracht. De stafafdeling Vorming en Opleiding wordt dus afgesplitst van de stafafdeling Personeel. Vergeleken met 1984 is verder de stafafdeling Informatievoorziening, Bedijfsvoering en Automatisering gesplitst. De APD verandert niet. Aan de Justitiële Dienst wordt de afdeling Criminele Informatie toegevoegd, een dienst die ten behoeve van de opsporing allerlei gegevens over personen en goederen verzamelt. Zij gebruikt hiervoor het Herkenningsdienstsysteem (HKS). Verder wordt de Technische Opsporings- en Herkenningsdienst omgedoopt in de afdeling Recherche Ondersteuning. Bij de Dienst Ondersteuning wordt de afdeling Parkeren samengevoegd met de afdeling Bijzondere Verkeerstaken tot één afdeling Verkeer. Bovendien wordt daar een afdeling Paraatheidszorg ingericht, die het politieoptreden moet coördineren Inv.nr. 220, jaarverslag 1987, p. 19, en inv.nr. 123. . In 1988 wordt er een stafafdeling Financiële en Economische Zaken gevormd, die onder de Facilitaire Dienst wordt geplaatst Gemeentelijke organisaties, p. 38. . De Dienst Ondersteuning is in 1989 als hoofdafdeling Executieve Ondersteuning onder de APD gesteld Overzicht gemeentelijke organisatie, p. 49. . De afdeling Paraatheidszorg is echter daaruit losgemaakt en afzonderlijk onder de APD gesteld. De laatste ingrijpende wijziging in de organisatie van de gemeentepolitie vindt plaats per 1 januari 1991. De dienst wordt gedecentraliseerd, zodat er acht divisies ontstaan. Dit zijn de vier districten (I hoofdbureau; II Marco Pololaan; III Kaap Hoorndreef; IV Tolsteeg) en verder de Recherche, het Facilitair Bedrijf, de Centrale Executieve Ondersteuning en de Bestuurlijke Executieve Ondersteuning. Bovendien is er een Budgeteenheid waartoe behoren: de korpsleiding en de nieuw geformeerde stafafdelingen Beleidsondersteuning (SBO), In- en Externe Betrekkingen (SIEB), het Bureau Regionale Samenwerking en een aantal adviseurs. In 1993 telt het korps van de Utrechtse gemeentepolitie 1158 personeelsleden. In G. Mouton, Van Schout tot Wout wordt de geschiedenis van de gemeentepolitie tot 1985 behandeld. In dit boek zijn lijsten van burgemeesters, directeuren van politie en (hoofd)commissarissen en van de personeelssterkte van het Utrechtse korps opgenomen. Dergelijke lijsten blijven daarom hier achterwege. In Beelden door B. van Baarle uit 1993 vindt men een terugblik op het werk van de dienst. Specifiek over de Utrechtse politie in de Tweede Wereldoorlog gaan J. Smeets, Tussen plicht en geweten en A. Vernooij, Grenzen aan gehoorzaamheid. De organisatie van de Utrechtse politie tot 1918 komt uitgebreid aan de orde in J.N. Fernhout, "Analyse van het taakonderdeel 'Gemeentepolitie' van het archief van het gemeentebestuur van Utrecht 1814-1918".
Het archief In 1995 besloot de Dienst Gemeentepolitie het archief van de Utrechtse gemeentepolitie te laten inventariseren, opdat het in goede en geordende staat overgedragen kon worden aan de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht (GAU), nu Het Utrechts Archief. De werkzaamheden werden begeleid door de GAU en deze inventaris is daarvan het resultaat. Het door de regiopolitie overgedragen archief bestaat voor het overgrote deel uit dossiers, die geordend waren volgens de Basis Archief Code (BAC). Een goed bijgewerkte dossierinventaris is mee overgedragen Inv.nrs. 140-158. . De code bleek redelijk consequent te zijn toegepast, zodat de oude ordening in grote lijnen gehandhaafd kon blijven. Het archief is in 1997 overgedragen aan de GAU. Het heeft na de vernietiging van 40 m2 een omvang van 30 m2 en loopt over de periode 1905-1994. De archiefvormer is opgeheven op 1 april 1994 en opgegaan in de regiopolitie Utrecht. Het archief tot 1945 is vrijwel geheel verloren gegaan. De oorzaak hiervan is onbekend. Ouder materiaal van de politie is aanwezig in het archief van de directeur, na 1852 hoofdcommissaris van politie. Het betreft hier een gering aantal stukken dar door een oud-medewerker van de politie aan de GAU is geschonken. Daarnaast blijkt er in de periode voor de overdracht in 1997 in het archief van na 1945 op uitgebreide schaal te zijn vernietigd. Lijsten van vernietigde stukken zijn bewaard gebleven Inv.nrs. 159-167. . De dossiers die door de Politieke Opsporingsdienst en haar opvolger de Politieke Recherche Afdeling zijn aangelegd over personen die verdacht werden van fout gedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog, vormen een onderdeel van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Dit berust in het Nationaal Archief in Den Haag. Naar aanleiding van een aanvulling, in 2002 geschonken door de Historische Vereniging Boskoop, werden in 2003 de nrs. 1371-1378 toegevoegd. Het betreffen archivalia, afkomstig van brigadier W. Benschop, onder meer in diens hoedanigheid als lid van de Zuiveringscommissie van de gemeentepolitie. Uit het archief van de hoofdcommissaris van politie, bewaard in Het Utrechts Archief, werden de processen-verbaal van verhoor door de Zuiveringscommissie in nr. 10 van voornoemd archief, overgebracht naar onderhavige inventaris en opgenomen in nr. 1372. Naar aanleiding van een schenking in 2005 werd het nr. 893-a toegevoegd. Naast de 9 foto's in voornoemd nummer waren bij de oorspronkelijke schenking ook nog 37 foto's van onder meer politiefunctionarissen, branden en spoorwegongevallen te Utrecht opgenomen. Deze foto's zijn opgenomen in de collectie Beeldmateriaal van Het Utrechts Archief. In 2005 is het archief voor bewerking tijdelijk overgedragen aan de Gemeentepolitie Utrecht. Hierdoor zijn diverse inventarisnummers komen te vervallen. De oorspronkelijke inventarisnummering 1 t/m 1370 (omvang 30 m) werd teruggebracht tot een inventarisnummering 1 t/m 1007 (omvang 20 m). Het in 2005 toegevoegde inv.nr. 893-a is nieuw genummerd 1009. De in 2002 toegevoegde inv.nrs. 1371-1378 zijn nieuw genummerd 1010-1017. Inv.nrs. 1008-1017 zijn door particuliere schenking verworven door Het Utrechts Archief. In 2013 is door het Hoofd Bedrijfsvoering van de Eenheid Midden-Nederland van de Nationale Politie een aanvulling op het archief van de Gemeentepolitie Utrecht over de periode [1920]-1994 overgebracht. De aanvulling is aangetroffen door medewerkers van het project ‘Archief op orde’ van de Politie Regio Utrecht. Dat project had tot doel het wegwerken van archiefachterstanden van de Politie Regio Utrecht in verband met de vorming van de Nationale Politie per 1 januari 2013. Materiaal dat voor vernietiging in aanmerking kwam volgens de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeentearchieven, is vóór de overbrenging ter vernietiging afgezonderd. Van het te bewaren materiaal is een lijst opgesteld. Na de overbrenging is nog 0,24 m dubbel materiaal vernietigd. De uiteindelijke omvang van de aanvulling bedraagt 1,60 m. In 2014 zijn de beschrijvingen van de aanvulling geïntegreerd in de bestaande inventaris van het archief van de Gemeentepolitie Utrecht. De toegevoegde stukken zijn genummerd 1018-1079. Een beperkte openbaarheid geldt ten aanzien van de volgende categorieën: Lid 1a: vanwege eerbiediging van de persoonlijke levensfeer; Lid 1b: vanwege het belang van de staat. Als gevolg hiervan zijn inv.nrs. 281-284, 292, 294-300, 307, 309-316, 318, 320-321, 324-325, 327-329, 331, 333, 352, 356, 359, 369-370, 399-495, 500-501, 579-582, 671-672, 705-708, 710-711, 733-734, 740-742, 747-774, 779, 782, 792-802, 808, 977, 980-981, 1035-1036, 1053, 1055 en 1078 openbaar na 30 jaar, inv.nrs. 78, 391, 502-508, 521-577, 590-591, 593, 600-620, 622-629, 639-650, 698-704, 716-722, 724-726, 743-745, 777, 780, 807, 810, 826-828, 831-837, 936-938, 950, 963, 987-994, 1056, 1060, 1061 en 1073 openbaar na 50 jaar en inv.nrs. 72-76 en 1011-1016 openbaar na 75 jaar.
Literatuur Baarle, B. van, Beelden. Terugblik op politiewerk in Utrecht. Utrecht, 1993. Broos, I.E.C.M., Bronnenoverzicht voor de geschiedenis van de stad Utrecht in de Tweede Wereldoorlog. Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht, 1994. Elzinga, D.J., P.H.S. van Rest en J. de Valk, Het Nederlandse politierecht. Zwolle, 1995. Fernhout, J.N., "Analyse van het taakonderdeel 'Gemeentepolitie' van het archief van het gemeentebestuur van Utrecht 1814-1918". Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht, 1992. Gemeentelijke organisaties. Concept. Gemeente Utrecht, [1988]. Kavelaars, M.J.B., Handelen met de sterke arm, II, Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein 'politie' 1994. PIVOT-rapport nummer 31. 's-Gravenhage, 1996. Mouton, G., Van Schout tot Wout. Utrecht, 1985. Nota van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inzake herziening Politiewet. 's-Gravenhage, 1970. Overzicht gemeentelijke organisatie. Gemeente Utrecht, afd. Organisatie en Informatie, 1989. Politiewet, bewerkt door J.G. Bos en G.E. Lagerwaard. Schuurman en Jordens, nr. 10. Zwolle, 1986. Smeets, J., Tussen plicht en geweten. Een dilemma van de Utrechtse politie 1940- 1945. Utrecht, z.d. Vernooij, A., Grenzen aan gehoorzaamheid. Utrecht, 1985.
Wettelijk kader Een gelukkige omstandigheid bij het tot stand komen van deze inventaris was, dat juist voor het schrijven van deze inleiding het rapport Handelen met de sterke arm van M.J.B. Kavelaars verscheen. Dit is een verslag van een institutioneel onderzoek betreffende de Nederlandse politie. In dit verslag staat ook nadere literatuur over dit onderwerp. Eveneens is gebruik gemaakt van de tekstuitgave van de Politiewet van 1957 en de Nota van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inzake herziening Politiewet uit 1970. In zijn oorspronkelijke betekenis heeft het begrip politie betrekking op alle overheidstaken. In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt er nog slechts de handhaving van de rechtsorde onder verstaan Nota VNG, p. 7. . Deze taak wordt uitgeoefend door de gemeentepolitie en bevat twee elementen: de handhaving van de openbare orde en de - strafrechtelijke - handhaving van de rechtsorde. "Handhaving van de openbare orde" is de zorg voor de naleving van regels. Dit betreft uitsluitend de regels waarvan het niet naleven tot verstoring van orde en rust in het openbare leven zou leiden. "Handhaving van de openbare orde" omvat ook de daadwerkelijke voorkoming en de beëindiging van verstoringen van de openbare orde. Verder valt hieronder de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op orde en rust in de samenleving. Over de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde schrijft Kavelaars het volgende: "Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is nogal repressief gericht. Zij omvat (...) de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en de berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar ministerie in strafzaken" Kavelaars, p. 21 en 28-29. Kavelaars citeert hier uit Elzinga e.a., p. 4, 41-42 en 85-86. . Na de Franse tijd wordt de politiezorg weer bij uitstek een gemeentelijke taak. Krachtens de gemeentewet van 1851 is de burgemeester hoofd van de plaatselijke (of gemeente)politie. Als zodanig heeft hij onder andere tot taak om de lagere politieambtenaren te benoemen; de benoeming van (hoofd)commissarissen is echter voorbehouden aan de Kroon. In 1851 wordt het Rijkspolitiebesluit uitgevaardigd op grond waarvan in 1856 een rijksveldwacht wordt ingesteld. Er is dan dus ook een rijkspolitie, maar een duidelijke taakafbakening tussen de beide korpsen is er niet. In 1931 wordt de Gemeentewet gewijzigd. Voortaan kunnen kleinere gemeenten op eigen verzoek rijkspolitie binnen hun gemeentegrenzen krijgen. Zo ontstaat er een territoriale scheiding tussen rijks- en gemeentepolitie. In het Rijkspolitiebesluit van 1935 wordt ook bepaald dat koninklijke goedkeuring nodig is voor plaatselijke verordeningen omtrent de organisatie van de politie. Verder staat hierin vermeld dat alle politiezorg die niet tot de gemeentelijke politiezorg gerekend wordt, rijkspolitiezorg is. In de Tweede Wereldoorlog roepen de Duitsers, net als eerder de Fransen, een staatspolitie in het leven. Bij het Politiebesluit van 1945 wordt de vooroorlogse situatie echter hersteld Nota VNG, p. 8-10. . In 1957 komt de Politiewet tot stand. Dit is de wet die het functioneren van de gemeentepolitie tot haar opheffing in 1994 heeft geregeld. Een van de belangrijkste bepalingen van deze wet is dat gemeenten met meer dan 25.000 inwoners gemeentepolitie krijgen en gemeenten met minder dan 10.000 inwoners rijkspolitie. Voor de overige gemeenten is dit per geval vastgesteld. In de Politiewet 1957 blijft de burgemeester hoofd van de gemeentepolitie. Hij blijft ook verantwoordelijk voor de benoeming van lager politiepersoneel. Als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde treedt hij op als hoofd van de plaatselijke politie, ook als sprake is van rijkspolitie Nota VNG, p. 11-12, en Politiewet, p. 97. . De officier van justitie krijgt in de Politiewet van 1957 de taak om de rechtsorde strafrechtelijk te handhaven. Verder wordt hij verantwoordelijk gesteld voor de politie als deze taken ten dienste van justitie verricht Kavelaars, p. 23, en Politiewet, p. 144. . Het algemeen toezicht op de politie legt de Politiewet 1957 voor wat betreft de handhaving van de openbare orde bij de Commissaris van de Koningin en voor wat betreft de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij de procureur-generaal, als fungerend directeur van politie. Voor Utrecht is dit de procureur- generaal bij het gerechtshof te Amsterdam. De Commissaris van de Koningin valt in deze hoedanigheid onder de minister van Binnenlandse Zaken, terwijl de procureur-generaal verantwoording schuldig is aan de minister van Justitie. De minister van Justitie heeft verder ook de leiding over de rijkspolitie en beïnvloedt tevens het beleid van de gemeentepolitie betreffende het toezicht op vreemdelingen en betreffende de recherche Nota VNG, p. 11-12, Kavelaars, p. 23-24, Mouton, p. 20, en Politiewet, p. 129. . Aangezien de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de korpschef alle drie verantwoordelijkheden hebben betreffende de handhaving van de rechtsorde, vormen zij het lokale driehoeksoverleg. De toename van de criminaliteit en de mobiliteit in de samenleving maakte echter een herziening van de Politiewet 1957 noodzakelijk. Dit mondde uit in de Politiewet 1993, die op 1 april 1994 van kracht werd. In deze wet zijn de korpsen van de rijks- en gemeentepolitie samengevoegd tot regiopolitie Kavelaars, p. 25. .
De Utrechtse politiebureaus In het begin van de negentiende eeuw is het hoofdbureau van politie gevestigd in het "Politiehuis achter de Dom", waarin ook het kantongerecht gehuisvest is. Vanaf 1867 zetelt de politie in vier verschillende aaneengesloten panden aan de Ganzenmarkt. In de jaren twintig van de twintigste eeuw wordt dit pand te klein en daarom wordt in 1929 de bouw van een nieuw hoofdbureau aan de Catharijnekade (Paardenveld) en de Waterstraat aanbesteed. In de Tweede Wereldoorlog wordt de aangrenzende openbare lagere school bij het hoofdbureau gevoegd. In 1944 plaatst de Duitse Wehrmacht afweergeschut op het dak en daarom wordt het bureau op 13 oktober 1944 gebombardeerd. Het bureau raakt dan zo zwaar beschadigd, dat het bijna onbruikbaar wordt. Veel politiediensten moeten uitwijken naar andere locaties in de stad. Na de oorlog moet het hoofdbureau herbouwd worden. Tijdens de operatie vindt men onderdak in Catharijnesingel 51/52. Ook na de renovatie blijft het ruimteprobleem bestaan, zodat er een nieuwe vleugel aan de Bergstraat wordt gebouwd en ook weer diensten buiten het hoofdbureau worden gevestigd. In 1974 wordt daarom begonnen met de bouw van een nieuw hoofdbureau op de plaats van het oude. De sloop van de Utrechtse stadspoorten in de 19de eeuw heeft onder meer als nadeel dat het dan ook moeilijker wordt om de toegang tot de stad te controleren. Het stadsbestuur bouwt daarom in de periode 1842- 1873 hulpbureaus van politie annex commiezenhuisjes in de buurt van de vroegere poorten: de Tolsteegbrug, de Catharijnebrug, de Wittevrouwenbrug en de Weerdbrug. In de nieuwe stadswijken komen wijkbureaus. De belangrijkste bureaus, naast het hoofdgebouw waren in 1993: Tolsteeg uit 1927, Marco Pololaan uit 1966 en Kaap Hoorndreef uit 1968. Het bureau Tolsteeg kampte overigens eveneens met ruimtegebrek, reden waarom in 1993 werd begonnen met nieuwbouw aan de Baden Powellweg/Briljantlaan Inv.nr. 380, Mouton, p. 55-58, en Van Baarle, p. 97-99. .
Datum
1 januari 1905 - 1 januari 1994
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media