Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Collectie Utrechts verzet

Landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), opgericht Doel De Duitse machthebbers te beroven van Nederlandse arbeidskrachten voor hun oorlogsindustrie. Werkwijze Onderduikadressen, bonkaarten en financiële steun verschaffen aan mannen die zich aan de verplichte Arbeidsdienst of tewerkstelling in Duitsland wilden onttrekken. Organisatie De LO was een landelijke organisatie, verdeeld in afdelingen die een provincie omvatten, soms met een aangrenzend gebied. Aan het hoofd van elke afdeling stond een Provinciale Leider. De provincies waren weer onderverdeeld in districten, de districten in plaatselijke afdelingen. Catharinus Slomp (schuilnaam "Cary") was de eerste leider van de provincie Utrecht en de Betuwe. Na zijn arrestatie in oktober 1943 volgde Henk Das ("Ruurd") hem op. Hun gebied telde de volgende districten: Utrecht-stad, Betuwe, Driebergen, Harmelen, Amersfoort, Vinkeveen, Veenendaal en Zeist. De eerste districtsleider van Utrecht-stad was Anton Das, die na zijn arrestatie werd opgevolgd door Gerrit Westdijk ("Bob"). De provinciale leider en de districtsleiders kwamen regelmatig bijeen om een regeling te treffen voor personen die wilden onderduiken en zich bij hen hadden aangemeld. Daarnaast vond lange tijd in Zwolle een wekelijkse bijeenkomst plaats van alle provinciale leiders om onderduikers die men in het eigen gebied niet kon plaatsen, in een ander deel van het land onder te brengen. Toen de werkzaamheden in de zomer van 1943 toenamen door het snel stijgende aantal onderduikers en de reizen naar Zwolle riskanter werden door de steeds scherpere trein- en straatcontroles, besloot men het aantal bezoekers aan de landelijke bijeenkomsten te beperken tot slechts enkele personen, die de LO-Top gingen vormen en die voortaan op wisselende locaties bijeenkwamen. Ieder van hen vertegenwoordigde meerdere provincies en fungeerde als intermediair tussen de leiders daarvan en de landelijke Top. Zuid-Holland en Utrecht werden vertegenwoordigd door Teus van Vliet ("Hugo"). In verband met de verwachte spoorwegstaking die de onderlinge contacten aanzienlijk zou bemoeilijken, werd de werkwijze in juli 1944 opnieuw aangepast met de instelling van een Centraal Bureau (CB). Dat werd bemand door drie leden van de landelijke Top (onder wie "Hugo"). Zij werden vrijgemaakt van ander werk en kregen uitsluitend tot taak de contacten met de provinciale leiders in stand te houden en hen middels een wekelijks rondschrijven-Mededelingen Topleden-van het landelijke beleid op de hoogte te brengen. Het CB was aanvankelijk in Hilversum gevestigd, later in Amsterdam. De Provinciaal Leider van Utrecht en de Betuwe zond op zijn beurt elke week een getypt blaadje-Mededelingen van het CB der LO-aan de districtsleiders en andere belanghebbenden in zijn rayon met specifieke informatie over het eigen gebied. De districtleiders hielden hem per brief op de hoogte van hun plaatselijke ervaringen. Deze brieven en mededelingenblaadjes werden, evenals de bonkaarten en geldelijke ondersteuning voor de onderduikers, overgebracht door een aantal koeriersters die daarvoor dagelijks lange fietstochten ondernamen. "Ruurd" had inmiddels een assistent gekregen in de persoon van Dirk Borger ("Zwarte Dirk"), die als plaatsvervangend Provinciaal Leider ging optreden toen "Ruurd" eind 1944 tevens met de leiding van de CID-centrale werd belast.
Lijst van afkortingen LO: Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers CB: Centraal Bureau van de LO PL: Provinciaal leider van de LO DL: Districtsleider van de LO KP: Knokploegen LKP: Landelijk Knokploegen CID: Centrale Inlichtingen Dienst RVV: Raad van Verzet OD: Orde Dienst GC: Gewestelijk Commandant OD DC: Districtcommandant OD KC: Kwartiercommandant OD GAC: Grote Advies Commissie VC: Vaderlands Comité NC: Nationaal Comité NBS: (Nederlandse) Binnenlandse Strijdkrachten DC: Delta Commando LSC: Landelijk Sabotage Commando GSC: Gewestelijk Sabotage Commando SC: Stadscommandant FC: Falsificatie Centrale NVH: Nederlands Volks Herstel Stichting: Stichting 1940-1945 TD: Tweede Distributiestamkaart PB: Persoonsbewijs In de stukken van de LO is onder meer sprake van de volgende, niet in de inleiding genoemde personen: Dolf = Dolf Edelman (uit Bodegraven) Kees = Kees Pruis F = Fernhout Henk = Henk van Riessen Bob = Bob Scheepstra
Lijst van personen die stukken hebben afgestaan voor de verzetscollectie Ordedienst Ir. F.H. Fentener van Vlissingen H. Das Universiteit en studentenverenigingen Mr. A. de Waard Drs. C.P. van Strien Dr. S.G. Lijftogt T. Spaans-van der Bijl Het Utrechts Kindercomité H. Voûte Landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers H. Das W. van Aken-Knipschild Centrale Inlichtingen Dienst H. Das E. Veen Nationaal Comité van Verzet Drs. C. Groen Vrouwenverzet Mr. A. de Waard Knokploegen P. Mostert J. van Uitert E. Minjon W. van Aken-Knipschild C. Been Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten Ir. F.H. Fentener van Vlissingen J. van Uitert P. Bosselaar E. Minjon Brieven tijdens en na gevangenschap K. de Mol C. Been Ir. F.H. Fentener van Vlissingen Onrechtmatig verkregen en vervalste documenten Mr. A. de Waard P. Mostert en H. Mostert-Been C. Been E. Minjon Overige stukken P. Mostert Drs. C. Groen Drs. R. Matthijsen Mr. A. de Waard J. van Uitert Ir. F.H. Fentener van Vlissingen A. Stuy
Centrale Inlichtingen Dienst (CID) Doel Verzamelen en doorgeven van informatie die voor illegale werkers van vitaal belang was in een later stadium tevens: verzorgen van het landelijke berichtenverkeer van enkele grote verzetsorganisaties. Werkwijze De verkregen informatie aan belanghebbenden doen toekomen middels persoonlijke berichtgeving door koeriersters, publicatie in illegale bladen, per post of telefoon. Organisatie De Centrale Inlichtingen Dienst, nauw verbonden met de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), stelde zich aanvankelijk ten doel gegevens te verzamelen omtrent medewerkers van het Duitse opsporingsapparaat zoals personeel van de SD, V-Männer en andere verraders. In 1944 groeide de CID uit tot een organisatie die een groot deel van het berichtenverkeer van de LO en de LKP verzorgde. Toen met de spoorwegstaking niet alleen koeriersdiensten-over-lange-afstanden daarvan de dupe werden, maar ook het postverkeer nagenoeg werd lamgelegd, moest het illegale telefoonnet aanzienlijk worden uitgebreid om een snelle uitwisseling van berichten mogelijk te maken. In de loop van september 1944 werden met de hulp van technici van de PTT-telefoondienst zo'n 30 telefooncentrales van de CID in het land gevestigd, die dag en nacht bemand waren. Deze centrales kregen de bijnaam "het Klooster" omdat degenen die met de leiding waren belast, het pand waar de centrale zich bevond niet mochten verlaten. In de stad Utrecht kreeg Henk Das ("Ruurd") de leiding van de CID-centrale, die onderdak vond in het vrijgekomen pand Brigittenstraat 20. Hij bleef weliswaar tevens Provinciaal Leider van de LO, maar zijn assistent en plaatsvervanger Dirk Borger ("Zwarte Dirk") nam een groot deel van de LO-werkzaamheden over. "Ruurd" nam zijn intrek in de Brigittenstraat, samen met vijf koeriersters die de binnenkomende berichten naar de plaats van bestemming brachten. De CID-centrales hadden ieder een beperkt aantal directe telefoonverbindingen met andere centrales in den lande, zodat een bericht vaak via meerdere centrales op zijn eindbestemming kwam. "Ruurd" had vijf toestellen waarmee hij contact kon opnemen met respectievelijk het hoofdkantoor van de CID in Amsterdam, met de "kloosters" in Den Haag en Amersfoort, met een post in Ermelo en met een eigen dépendance in het Utrechtse Tuindorp. Deze laatste werd bemand door Pim Huydecoper van Nigtevecht en Ernst Veen, die op hun beurt weer een aantal stadslijnen ter beschikking hadden. Daarnaast had de Utrechtse centrale een telexverbinding met Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. Rekening houdend met de mogelijkheid dat de centrale in de Brigittenstraat bij een overval zou kunnen worden ontmanteld, werd in een pand in de Homeruslaan een nevenpost ingericht die in dat geval de werkzaamheden zou kunnen voortzetten. De aldaar gestationeerde CID-medewerkers brachten een groot deel van hun tijd door met de registratie van "foute" stadgenoten en typten tevens de Mededelingen van het CD der LO voor de LO-districtsleiders in de provincie Utrecht en de Betuwe.
Overzicht van de knokploegen in de stad Utrecht In een aantal stukken van Ad Hazevoet uit de eerste maanden van 1945 (zie onder KP) staan voor- of schuilnamen genoemd van knokploegleden. Hieronder zijn deze namen aangevuld met hun achternamen, voor zover deze nog achterhaald konden worden bij nog in leven zijnde mede-ploegleden. Uiteraard betreft deze opgave de samenstelling van de ploegen van begin 1945. KP 1 (omgeving Oudwijk): Frans, Eduard, Wim, Piet, Dings, Bram, Jack KP 2 (omgeving Tuinwijk of Hoograven ?): Henk, Klaas, Wim, Wout, Adé, Leunus, Piet, Ton, Kees, Johan, Frits KP 3 (omgeving Kanaalstraat): Piet (Plantinga), Wim (Strik), Henk (Dijkers), Flip (Pennings), Jan, Ad, Gerard, Hans (de Caes), Jo (Siljade), Gerrit (van Stokkum) KP 4 (Zuilen en omgeving): "Nico" (Jo van Uitert), Karel (Steinfort), Bep (Bertus Steinfort). Henk (Brands), Gerrit (de Zwart), Wim (de Zwart), "Lange Joop", "Kleine Joop" (John Vermeer), Theo (Ted Vermeer), Jan (van Deutekom) KP 5 (binnenstad): "Kleine Cor" (Cor de Kogel), Ab (de Boer), Aart (Ligterink), "René" (Jelle de Jong), Andries (Lit), Kees (Maris), Bé (Willekens), Arie (Rampen), Wim (Strik) KP 6 (Tolsteeg): Herman (Benschop), Henk (van Bommel), Wim (van Os), "Jan OK" (Jan Snijders), Bouk (Boersma), Kees (Kool), Dolf (Landzaat), "Kleine Jan" (Jan Stenvers), Frans, "Lange Wim", Emiel, Ernst, Charles, Ed KP 7 (Rivierenwijk): "Ouwe Joop" (A. de Wit), Job, Theo, Wil, Hans, Kees, Jan, Evert, Peter, Dirk, Dick, Adrie, Cor, Myke (Van deze ploeg zijn weliswaar de volgende achternamen en voorletters bekend maar onduidelijk is, bij welke van de bovenstaande voornamen zij horen: J. van Bijsterveld, D. van Bijsterveld, C. van Bijsterveld, P. van Bijsterveld, L. Maas, W. van Veldhuizen, W.G. Mansveld, J. Mansveld, W.H. Verloop, C.A. van Zanten) KP 8 (bewapeningsploeg): "Theo" (Piet Mostert), Fred (Helsdingen), Wim (Kuisten), Bert (van Veen), Ko (Tichelaar), Piet (Kraaimaat), Henk (van Egdom). Bij deze ploeg waren ook twee broers Eyffies werkzaam.
Knokploegen (KP), opgericht Doel Aanvankelijk: onderduikorganisaties van bonkaarten voorzien door middel van het plegen van overvallen op distributiekantoren. Naderhand ook: bevrijdingsoperaties ten behoeve van gearresteerde verzetsstrijders en joden, en liquidatie van verraders. Vanaf oktober 1944 tevens: het in ontvangst nemen, vervoeren en opslaan van gedropte wapens, vernietiging van Duits oorlogsmateriaal en onklaar maken van spoorweglijnen. Werkwijze en organisatie De acties werden aanvankelijk uitgevoerd door zelfstandig opererende knokploegen die elk bestonden uit een klein groepje mannen van wie één met de leiding was belast. Toegang tot het pand dat het doelwit was van de actie, werd soms verkregen met medewerking van een aldaar werkende ambtenaar, soms door inbraak. Na verloop van tijd kwam er enige samenwerking tot stand tussen diverse KP's: wanneer een ploeg voor een geplande onderneming niet over voldoende mensen beschikte, werd het team uitgebreid met leden van andere knokploegen. De acties beperkten zich niet tot de plaats waar de ploegleden woonachtig waren, maar bestreken ook de wijde omgeving. Om effectiever te kunnen werken, verenigden de afzonderlijke knokploegen zich tenslotte in de LKP (Landelijke Knokploegen) waarbij de functies van landelijk leider en provinciaal leider in het leven werden geroepen. In Utrecht werd Cor Been Provinciaal Leider, terwijl de uit Hilversum afkomstige Ad Hazevoet Stads KP Leider (SKPL) werd van Utrecht-stad. Onder hem ressorteerden acht knokploegen, elk met een eigen leider (KPL 1 t/m 8). Bij de Delta-vorming in de herfst van 1944 (de samensmelting van de organisaties die voornemens waren gewapenderhand aan de strijd deel te nemen met als doel het formeren van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) gingen de LKP, de RVV en de OD het strijdend en het bewakings-gedeelte vormen. De knokploegen voegden zich als "stormtroepen" bij het strijdend gedeelte en de stads KP leider werd Commandant Stormtroepen Utrecht (CSU). Vanaf die tijd werden de werkzaamheden uitgebreid met het in ontvangst nemen, vervoeren en opslaan van gedropte wapens en het onklaar maken van Duits militair materieel. Bij de wapendroppings in de provincie Utrecht werd steeds dezelfde man (Maarten Verheij) belast met de leiding op het afwerpterrein terwijl knokploeg 8 onder leiding van Piet Mostert ("Theo") zorgde voor de opslag en verdeling van het afgeworpen materiaal. In het laatste halfjaar van de bezettingstijd werd het plegen van sabotage de belangrijkste activiteit van de knokploegen. Met de coördinatie van deze werkzaamheden in gewest 8 werd Rein van der Haar ("Frits") belast, die Cor Been ("Grote Cor") was opgevolgd na diens arrestatie in november 1944. Toen de vorming van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten ook in Utrecht tot stand was gekomen, werd "Frits" Gewestelijk Sabotage Commandant (GSC), terwijl Ad Hazevoet vanaf die tijd met Districts Sabotage Commandant (DSC) werd aangeduid en de leiders van de acht onder hem ressorterende knokploegen met Ploeg Sabotage Commandant (PSC 1 t/m 8). De PSC 8 komt in de stukken ook voor als "bewapenings-officier" en zijn ploeg als "bewapeningsploeg" vanwege de hun toevallende taak om voor de opslag en verdeling van de gedropte wapens te zorgen. De opeenvolgende functie-aanduidingen kunnen voor enige verwarring zorgen, temeer omdat ze tot het eind van de oorlog door elkaar werden gebruikt. In de onderlinge berichtgeving bleef Ad Hazevoet voor de KP-ers de SKPL, terwijl hij buiten deze kring vanaf begin 1945 met CSU werd aangeduid. Laatstgenoemde benaming werd na de instelling van de sabotage-commando's door sommigen gehandhaafd, terwijl anderen hem als DSC aanschreven, Alle berichten die gericht zijn aan of verzonden door Ad Hazevoet als SKPL, zijn bij de stukken van de KP gevoegd, omdat deze organisatie zichzelf als een apart geheel bleef zien, ook nadat zij formeel in de Binnenlandse Strijdkrachten was opgegaan. Documenten, uitgaande van of ontvangen door Ad Hazevoet als CSU of DSC zijn bij de stukken van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten ondergebracht, omdat zij betrekking hebben op de werkzaamheden van de Binnenlandse Strijdkrachten als geheel en in mindere mate op het aandeel daarin van de knokploegen.
Collectie Utrechts verzet
Nationaal Comité van Verzet (NC) Doel - Stimuleren van het verzet van bedrijven en overheidsinstellingen; - het bevorderen van een eensgezind optreden van Nederlandse bestuurlijke instanties jegens de bezetter; - het tot stand brengen van een landelijke samenwerking van de verschillende-vaak plaatselijk opererende-verzetsorganisaties. Werkwijze - Informatie verzamelen over op handen zijnde Duitse maatregelen door middel van relaties bij de departementen en in het bedrijfsleven; - richtlijnen opstellen om de uitvoering van die maatregelen zoveel mogelijk tegen te gaan; - met deze richtlijnen bedrijfsleiders en ambtenaren van gemeentelijke overheidsdiensten benaderen middels de ter plaatse opererende verzetsorganisaties. Organisatie De leiding van het NC berustte bij mr Marie-Anne Tellegen (uit Utrecht), L. Neher en A. van Velsen (beiden uit Den Haag). Eerstgenoemde wist door haar vele relaties met de Utrechtse universitaire wereld een aantal studenten aan te trekken om aan het streven van het NC gestalte te geven. Sommigen van hen onderhielden het contact met betrouwbare ambtenaren van de departementen, anderen met verzetsorganisaties in de diverse provincies. Het NC had zijn hoofdzetel in Den Haag. In Utrecht werd een koerierscentrum gevestigd, aanvankelijk in het pand van de Drukkerij Libertas aan de Drift, korte tijd later in het kantoortje van de Vrijzinnig Christelijke Studenten Bond aan de Nieuwegracht. Dit was mogelijk omdat de Duitsers bij de opheffing van de studentenverenigingen vergeten waren ook de VCSB op te heffen. In Utrecht waren de volgende personen voor het NC werkzaam: de vrouwelijke studenten Annetje Verloop, Geerten van Spanje, Mien van de Velde en Ria Klevant. Zij fungeerden als koerierster en haalden in Den Haag de berichten op voor de noordelijke, oostelijke en zuidelijke provincies en voor de provincie Utrecht (de westelijke provincies werden door het "hoofdbureau" in Den Haag "bediend"); daarna brachten voornoemde koeriersters-volgens een vast werkrooster-de berichten naar contactadressen in Zwolle, Maastricht, Den Bosch en Arnhem. Verder waren er de mannelijke studenten Siebe Lijftogt, Otto Backer Dirks, Connie van der Capellen en Reint den Boer, die "inspecteurs" werden genoemd en tot taak hadden de vertegenwoordigers van verzetsorganisaties in de hun toegewezen regio op gezette tijden te bezoeken om de ontwikkelingen aldaar te bespreken. Als "chef de bureau" van het koerierscentrum werd de student Cor Groen aangesteld. Hij was overdag permanent aanwezig als aanspreekpunt voor de steeds komende en gaande koeriersters en inspecteurs. De leiding van het Utrechtse centrum was in handen van Siebe Lijftogt, die tevens als inspecteur de provincies Gelderland en Overijssel bezocht. Hij nam de berichten van de koeriersters en de overige inspecteurs in ontvangst en vulde ze aan met van elders verkregen informatie, alvorens ze door de meisjes naar de plaats van bestemming werden gebracht. Otto Backer Dirks was inspecteur voor de provincie Utrecht. Het bureau bestond van september 1943 tot de oprichting van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (eind september 1944). Hiermee kwam een bundeling van de afzonderlijke verzetsorganisaties tot stand. De stukken betreffende de werkzaamheden van het Utrechtse koerierscentrum werden bewaard in een harmonica-map, teneinde ze bij een dreigende inval in één greep te kunnen meegrissen. In de afzonderlijke vakken werden de stukken naar onderwerp opgeborgen en op de achterflap van elk vak stond dat onderwerp vermeld, t.w. Ambtenaren, Industrie, V.V.O. (= voedselvoorzieningsorganisaties), Middenstand, Arbeiders, Financiën, Medici, Amersfoort, Groningen, C.P. (= centraal punt Den Haag), Waslijst, Kaarten. De overige vakken bevatten alleen een letter en de daarbij nagestreefde ordening van het materiaal is thans niet meer te reconstrueren. De map bevindt zich nog in de staat waarin hij verkeerde toen hij bij de sluiting van het bureau door Cor Groen werd meegenomen, maar tijdens de werkzame periode van het bureau zullen de stukken ten dele door elkaar zijn geraakt. Een groot deel van het materiaal bestaat uit informatie, instructies en adviezen van het C.P. (Centraal Punt in Den Haag). Van belang zijn de gedateerde "waslijsten", te herkennen aan de voor de berichten geplaatste kruisjes (xx). Daaruit blijkt onder meer over welke informatie het C.P. in de periode januari-juli 1944 beschikte. In het vak Waslijst zijn om onbekende redenen ook andersoortige C.P.-berichten opgeborgen. De lange berichtenlijst met bijna 90 punten bevat vermoedelijk een recapitulatie van alle op dat moment nog actuele zaken. Opmerkelijke stukken zijn onder meer: de "Richtlinien für das ZS Kartenverfahren" van 4 februari 1944 en de instructies van het NC hoe daarop te reageren, het levendige verslag van het bombardement op Kleykamp in de waslijst van 22 april 1944 en de inventarisatie van beschikbare valse papieren. Vermeldenswaard is ook de bijzonder rondborstige brief over de voedselsituatie van 30 mei 1944 van ir Louwes (directeur-generaal van de voedselvoorziening) aan de Duitse autoriteiten en zijn rondschrijven van 23 februari 1944 aan zijn inspecteurs en districtshoofden, waarin hij zijn mening geeft over het illegale voedselaanbod (door hem onderscheiden in "zwarte" en "witte" handel). In het archief bevindt zich ook een foto van de beruchte verrader Van der Waals (alias De Wilde) teneinde diens gezicht bij een eventuele confrontatie te kunnen herkennen. De zogenaamde "Vodden" bevatten meer algemene informatie over de bestaande toestand. In de berichten die uitgingen naar de contactadressen wordt het bureau in Utrecht aangeduid met CPU (Centraal Punt Utrecht).
Ordedienst (OD), opgericht augustus 1940 Doel Het tot stand brengen van een gezagsapparaat dat bij vertrek van de Duitsers voor de handhaving van rust en orde zou zorgen tot de wettige regering zou zijn teruggekeerd. Werkwijze en organisatie De oprichting van de OD geschiedde op initiatief van Nederlandse beroeps- en reserve-officieren en had derhalve een overwegend militair karakter. In het hele land werden officieren benaderd om plaatselijke of regionale OD-afdelingen op te richten. Eind 1940 kwam een fusie tot stand met het eveneens uit gewezen militairen bestaande Legioen Oud-Frontstrijders dat ook in de zomer was opgericht. Besprekingen aangaande de organisatiestructuur en het werven van medewerkers (veelal voormalige militairen van lagere rang) waren lange tijd de belangrijkste activiteiten. Naast een landelijke commandant werden gewestelijke, districts- en kwartier-commandanten aangesteld. Getracht werd om ten behoeve van de Engelse bondgenoot inlichtingen te verzamelen omtrent de sterkte van het Duitse bezettingsleger. Pogingen om contact te krijgen met Engeland hadden echter geen succes. Toen bleek dat de OD-leiding zich niet wilde inlaten met actief verzet, verlieten veel jongeren de gelederen om in later opgerichte illegale organisaties daadwerkelijk verzet te kunnen gaan plegen. Als gevolg van de vele arrestaties in OD-kringen en het wegvoeren in krijgsgevangenschap van de beroeps-officieren was het OD-kader in de zomer van 1942 aanzienlijk uitgedund. In de Domstad kwam het niet tot samenwerking met andere illegale organisaties; alleen met de Utrechtse medewerkers van het in 1943 opgerichte Nationaal Comité werden goede contacten onderhouden. Toen het tenslotte mogelijk werd om berichten naar Londen te sturen (via Engelandvaarders, gedropte agenten of de "Zwitserse weg") trachtte de OD-leiding een mandaat te krijgen van de regering-in-ballingschap om bij het vertrek van de Duitse bezettingsmacht het gezag tijdelijk op zich te kunnen nemen. Op de voorstellen en verzoeken dienaangaande werd vanuit Londen echter nooit gereageerd. Bij de oprichting van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten onder opperbevel van Z.K.H. Prins Bernhard kreeg de OD opdracht met andere organisaties te gaan samenwerken, hetgeen tot veel onderlinge geschillen leidde. Gedurende de bezettingsjaren is het oog van de OD hoofdzakelijk gericht geweest op hulp aan de geallieerden bij de te verwachten strijd op eigen bodem en op de noodzakelijk geachte na-oorlogse vernieuwingen in het staatsbestel; met gerichte acties tegen de bezetter heeft de organisatie zich niet beziggehouden. Universiteit en studentenverenigingen Met uitzondering van de groep "Dubbel Zeven" hebben de hoogleraren zich buiten het verzet gehouden, omdat zij vreesden daarmee de belangen van de Universiteit op het spel te zetten. Daarentegen waren de studenten ervan overtuigd dat de bezetter te eniger tijd zou trachten om de nationaal-socialistische beginselen ingang te doen vinden op de universiteiten en dat zonder vrijheid van geest niet meer van wetenschapsbeoefening zou kunnen worden gesproken. Zij achtten het dan ook noodzakelijk om tijdig een sterk bolwerk te vormen om zich tegen een dergelijk ingrijpen van de bezetter te kunnen verweren. De leiders van het "Studentenverzet", een organisatie die aan alle universiteiten en hogescholen in den lande vertegenwoordigers had, stelden zich ten doel de studenten geestelijk weerbaar te maken, hen bijtijds te informeren over voorgenomen maatregelen van de bezetter en de wijze waarop men zich daartegen unaniem zou dienen te verzetten. De opzet slaagde. Toen de Duitsers in 1943 eisten dat elke student een loyaliteitsverklaring moest tekenen om zijn studie voort te mogen zetten, was de weigering zo massaal dat de universiteit moest worden gesloten. Veel studenten gingen illegaal werk doen, hetzij in de reeds bestaande verzetsorganisaties of met een eigen, vertrouwde vriendengroep.
Het Utrechts Kindercomité, opgericht Doel Aan joodse kinderen een veilig onderduikadres verschaffen en hen voorzien van kleding, bonkaarten en-zo nodig-kostgeld. Werkwijze - Door middel van persoonlijke relaties pleeggezinnen zoeken die een joods kind wilden opnemen; - de kinderen (merendeels uit Amsterdam) bij hun ouders ophalen en naar hun onderduikadres brengen; - de pleegouders maandelijks de benodigde bonkaarten en eventuele levensbehoeften in natura brengen; - contact onderhouden met de pleegouders en hulp verschaffen bij optredende gezondheids- of opvoedingsproblemen. Organisatie Het Kindercomité werd op aandringen van dr G.Th. Kempe opgericht door de student Jan Meulenbelt die een aantal mede-studenten bereid vond zich in te zetten voor dit doel. Ieder van hen zocht onderduikadressen in het gebied waaruit hij/zij afkomstig was. Dr Kempe ("Braskamp") bracht het comité in contact met personen die voor kinderkleding en bonkaarten konden zorgen. Het benodigde geld werd aanvankelijk geschonken door bevriende particulieren en door aartsbisschop De Jong, en vanaf eind 1943 verkregen uit de verkoop van de clandestien uitgegeven rijmprent De achttien doden van Jan Campert. Na verloop van tijd gingen de comitéleden zich elk met een bepaald facet van de werkzaamheden bezighouden. De meisjesstudenten namen het ophalen en wegbrengen van de kinderen geheel voor hun rekening en elk van hen onderhield het contact met pleegouders in een bepaalde provincie. De mannelijke studenten, die vanaf april '43 zelf moesten onderduiken, zorgden voor het bijeenbrengen van de bonkaarten, valse papieren, geldmiddelen en onderduikadressen. Elk comitélid had weer eigen hulpkrachten die bij de andere leden niet bekend waren teneinde de grootst mogelijke veiligheid te waarborgen. Het Utrechts Kindercomité hielp zo'n 360 joodse kinderen en een aantal volwassenen aan een veilig onderkomen. Toen het comité in de zomer van '42 al ver over de 100 kinderen onder zijn hoede had genomen, werd het voeren van een eenvoudige administratie noodzakelijk. Hetty Voûte, die verantwoordelijk was voor de verstrekking van bonkaarten, maakte een kaartsysteempje bestaande uit velletjes papier die ze bijeenvoegde in een kleine ordner (22 x 18 x 3 cm) waar ze de losse omslag van Galsworthy's The Assembled Tales op had geplakt, zodat ze het geheel onherkenbaar in haar boekenkast kon bewaren. Op elk papiertje vermeldde ze: - linksboven een nummer, corresponderend met het nummer op een apart opgeborgen lijst waarop de namen en adressen van de pleeggezinnen stonden vermeld; - rechtsboven een aanduiding welk streek- of stads-"kantoor" (= comité-lid) belast was met de bonkaartenvoorziening van het desbetreffende kind; - de naam van het ondergedoken kind; - het nummer van diens distributiestamkaart; - onder "kaart afgegeven" tekende Hetty Voûte vanaf de herfst tot haar arrestatie in juni 1943 aan voor welke maand een bonkaart was uitgereikt; - "over" of "kaart krijgt" gaf aan dat de pleegouders geen bonkaarten nodig hadden zodat ze voor iemand anders konden worden gebruikt. Het kaartsysteempje bevat in alfabetische volgorde de namen van ca. 270 kinderen. Ongeveer 90 zijn er niet in opgenomen omdat ze bij pleegouders kwamen die in staat waren zelf voor alle benodigde voorzieningen te zorgen. Na de arrestatie van Hetty Voûte en haar mede-comitélid Gisela Söhnlein werd het codeboek ondergebracht in de kluis van het aartsbisschoppelijk paleis, waar Annie de Waard regelmatig kwam om er aanvullingen en wijzigingen in aan te brengen. Direct na de bevrijding haalde Annie de Waard het kaartsysteem daar weg en stelde het Jan Meulenbelt ter hand, die bij het Bureau Oorlogspleegkinderen in Amsterdam was geplaatst, dat tot taak had om de uit gevangenschap of onderduik terugkerende ouders met hun kinderen te herenigen. Veel geschreven aantekeningen op de papiertjes dateren uit de weken na de bevrijding.
Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (Gewest VIII, District I), opgericht Doel Om te voorkomen dat de diverse verzetsorganisaties onafhankelijk van elkaar zouden gaan opereren als de strijd tussen het Duitse leger en de geallieerde troepen op Nederlands grondgebied zou ontbranden, gaf de regering in ballingschap op 4 september 1944 via Radio Oranje opdracht tot de oprichting van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. De Delta-vorming ging in Utrecht met veel onderlinge ruzies gepaard, omdat men het lange tijd niet eens kon worden over de aan te stellen commandanten. Pas in de loop van november kwam er overeenstemming, waarna op de 22e van die maand een bijeenkomst van alle leidinggevenden werd belegd in de Kamer van Koophandel. Tijdens dit samenzijn viel de SD het gebouw binnen en werden de aanwezigen gearresteerd. Omdat voor de hun toegewezen functies nieuwe krachten moesten worden gevonden, duurde het tot januari 1945 voordat in Utrecht de Binnenlandse Strijdkrachten vorm kregen. Organisatie Het land werd verdeeld in gewesten en de provincie Utrecht vormde Gewest 8. Elk gewest was weer onderverdeeld in districten, waarbij Utrecht-stad District I werd. De stad werd verder opgedeeld in 7 Kwartieren: Kwartier 1: de binnenstad, Kwartier 2: Croeselaan, Rivierenwijk en omgeving, Kwartier 3: Oog in Al en Utrecht-West, Kwartier 4: Utrecht-Noord en Zuilen (d.w.z. Amsterdamsestraatweg en omgeving), Kwartier 5: Tuindorp, Tuinwijk en Vogelenbuurt, Kwartier 6: Wittevrouwen, Biltstraat en omgeving, Kwartier 7: Wilhelminapark, Abstede en omgeving. Werkwijze Elk kwartier kreeg de beschikking over één of meer gevechtscompagnieën, bestaande uit verzetsstrijders die in het verleden militaire ervaring hadden opgedaan. In de kwartieren 1, 3, 6 en 7 kon één compagnie worden gevormd, in kwartier 5 twee. Van de vijf compagnieën die in kwartier 4 konden worden geformeerd, werd er één aangewezen om dienst te gaan doen in kwartier 2 en één ter versterking van kwartier 3. In totaal zijn de compagnieën driemaal gedurende enkele dagen geconsigneerd geweest, omdat er aanleiding was te veronderstellen dat de geallieerden richting Utrecht zouden oprukken. In die gevallen bleven de bevelvoerenden bijeen ten huize van een "hulpverlener" met een telefoonaansluiting (in kwartier 4 was dat de huisarts Hardy op het Van Beuningenplein), terwijl koeriersters de manschappen waarschuwden en hen van verdere ontwikkelingen op de hoogte hielden. Naast gevechtscompagnieën beschikten de kwartieren over een bevelvoerende staf, ordonnansen en koeriersters, telefonistes en administratieve krachten, een keukenploeg en in enkele gevallen wagenparkpersoneel. Datzelfde gold uiteraard voor het stadscommando. In kwartier 4 legde de administrateur Bert Lankester een compleet kaartsysteem aan van de tot het kwartier behorende verzetsstrijders, dat hij in het laatste halfjaar van de bezetting op een veilig plekje wist te verbergen. Aangenomen mag worden dat hij de kaarten na de bevrijding overtypte en de persoonsgegevens aanvulde. Op de thans nog bestaande kaarten staat namelijk als datum van indiensttreding 7 mei vermeld (de dag waarop de Binnenlandse Strijdkrachten "bovengronds" werden). Bovendien bevatten zij de complete persoonsgegevens van de voormalige verzetsleden en die kunnen Bert Lankester tijdens de bezetting niet bekend zijn geweest. Toen op 7 mei 1945 formeel een einde kwam aan de illegale status van de Binnenlandse Strijdkrachten, betrok elk kwartier in zijn eigen wijk een (school)gebouw, waar tot 8 augustus werd doorgewerkt ter afwikkeling van de voorbije verzetstaken.
Algemeen Evenals elders in den lande ontstonden ook in de stad Utrecht tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatselijke verzetsgroepen en afdelingen van landelijke illegale organisaties, elk met zijn eigen doelstellingen en werkwijze. Al deze groeperingen hebben weinig geschreven stukken nagelaten. Uit veiligheidsoverwegingen werd zo min mogelijk op papier gezet en als dat al onvermijdelijk was, werden de brieven, rapporten en aantekeningen weer snel vernietigd om te voorkomen dat ze bij arrestatie van een betrokkene of bij de huiszoeking in diens woning in handen zouden vallen van de Duitsers. Bovendien vond zowel het onderling overleg als de uitwisseling van berichten in de eerste jaren plaats tijdens persoonlijke contacten. Toen het voor de meeste mannen steeds gevaarlijker werd om zich op straat te begeven, omdat ze zich aan hun wegvoering naar Duitsland hadden onttrokken of wegens deutschfeindliche handelingen door de Duitse opsporingsdiensten werden gezocht, kwamen veel vrouwen de gelederen van de illegale organisaties versterken om als koerierster de berichten mondeling over te brengen. Toen men na de invasie in Normandië grootschaliger ging opereren, moesten de vele en dikwijls gedetailleerde berichten aan mede-verzetsstrijders steeds vaker op schrift worden gesteld omdat ze niet meer in een eenvoudige mondelinge boodschap konden worden vervat. De bewaard gebleven stukken dateren dan ook merendeels uit de periode 1944-'45. Talrijk zijn ze niet, omdat ze doorgaans door de ontvanger werden vernietigd als de desbetreffende zaak niet langer aan de orde was. Toch geven ze een indruk van de illegale acties in oorlogstijd en van de wijze waarop deze werden voorbereid en uitgevoerd. Omdat in deze collectie losse stukken dikwijls weinig verband te bespeuren valt, wordt in deze inleiding enige uitleg gegeven omtrent de organisaties waarvan zij afkomstig zijn. Tenslotte wordt erop gewezen, dat lang niet alle verzetsgroepen die in Utrecht werkzaam waren, documenten hebben nagelaten. Dat geldt met name voor de vele vervalsingscentrales, de inlichtingendiensten, de illegale pers en de groep die zich bezighield met het in veiligheid brengen van geallieerde vliegeniers.
Vrouwenverzet, opgericht Een initiatief van mr. Marie-Anne Tellegen (schuilnaam: "Dr. Max") naar aanleiding van het voornemen van de Duitse autoriteiten om jonge vrouwen verplicht tewerk te stellen in een aantal beroepen die door mannen werden uitgeoefend teneinde deze mannen in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland te kunnen sturen. Tegen het einde van de oorlog verspreidde dit comité ook folders voor meisjes en vrouwen met raadgevingen aangaande de omgang met de mannen van het bevrijdingsleger c.q. met richtlijnen inzake de opvang van uit Duitsland terugkerende huisgenoten. Doel Vrouwen ervan weerhouden, een betrekking te aanvaarden die door een man werd vervuld. Werkwijze en organisatie - Teneinde een landelijk netwerk op te zetten, namen Marie-Anne Tellegen en haar medewerksters contact op met vrouwen die in hun woonplaats een zekere invloed konden uitoefenen (prominente leden van verboden politieke partijen, Soroptimisten, echtgenotes van "goede" burgemeesters, e.d.); - deze vrouwen werd verzocht, contact te zoeken met betrouwbare ambtenaren van het arbeidsbureau in hun omgeving om van deze ambtenaren te vernemen voor welke meisjes en jonge vrouwen verplichte tewerkstelling dreigde; - aan de daarvoor in aanmerking komenden werd een folder toegestuurd waarin uiteengezet werd waarom ze aan de oproep geen gehoor moesten geven en op welke wijze ze zich daaraan konden onttrekken.
Onrechtmatig verkregen en vervalste documenten Gedurende de bezettingsjaren kwamen steeds weer nieuwe groepen Nederlandse mannen in aanmerking voor tewerkstelling in Duitsland, teneinde aldaar te worden ingezet bij de oorlogsindustrie. Van deze Arbeitseinsatz waren tenslotte alleen nog ouderen vrijgesteld en zij die werkzaam waren bij een bedrijf dat voor het functioneren van de bezettingsmacht van vitaal belang was. Laatstgenoemden kregen een Ausweis dat bij straatcontroles moest worden getoond. In toenemende mate bepaalden leeftijd en/of functie of mannen zich redelijk veilig buiten konden ophouden. Illegale werkers moesten dan ook over "goede" legitimatiebewijzen kunnen beschikken, ofwel op hun eigen naam of op een aangenomen naam. Een eerste vereiste was een persoonsbewijs waarop een "veilig" beroep stond vermeld. Verder dienden zij een daarmee overeenstemmend Ausweis te hebben van een bedrijf waar zij-zogenaamd-werkzaam waren. De verzetsorganisaties probeerden blanco exemplaren van laatstgenoemde documenten te bemachtigen (die vervolgens met vervalste gegevens werden ingevuld) via betrouwbare relaties bij het Gewestelijk Arbeidsbureau of bij bedrijven waarvan het personeel was vrijgesteld van tewerkstelling in Duitsland. Doorgaans was zo'n vervalst Ausweis toereikend om een straatcontrole te doorstaan. Als de papieren echt controlebestendig moesten zijn, dienden zij overeen te komen met de personeelsadministratie van het vermelde bedrijf en de gegevens in het bevolkingsregister. Dat laatste was zelden te realiseren, maar bedrijven toonden zich vaak bereid om de desbetreffende persoon op hun loonlijst te plaatsen zonder dat hij er werkzaam was. Naast deze "echte" papieren met onechte gegevens, werd gebruik gemaakt van nagemaakte documenten die door vervalsingscentrales werden vervaardigd. De kundigheid van de falsificateur bepaalde of zijn product inderdaad de gewenste veiligheid bood. Voor vrijstelling van fietsenvordering en het zich op straat bevinden tijdens de speruren waren eveneens speciale vergunningen nodig die, evenals de Ausweise, voortdurend werden gewijzigd, zodat men steeds over de nieuwste versie moest kunnen beschikken. Vrouwelijke leden van verzetsorganisaties hadden deze vergunningen eveneens nodig om hun illegale werkzaamheden te kunnen verrichten. Omdat dergelijke vrijstellingen vooral bedoeld waren voor vrouwen die in de gezondheidszorg werkzaam waren, hadden ook zij dikwijls een vervalst persoonsbewijs nodig waarop het voorgewende beroep stond vermeld, alsmede een werkgeversverklaring van de instantie waar zij zogenaamd in dienst waren. De archiefstukken bevatten enkele voorbeelden van vrijstellingen; deels blanco exemplaren, verkregen of buitgemaakt ten behoeve van de illegaliteit, deels ingevuld ten name van onderduikers en illegale werkers. Van een zestal leden van verzetsorganisaties (de KP-ers Cor Been, Ad Hazevoet, Piet Mostert en Ernst Minjon en de koeriersters Hilda Been en Annie de Waard) zijn de door hen gebruikte legitimatiebewijzen afzonderlijk bijeengevoegd (zie voor een specificatie bijlage 4). T. Spaans-van der Bijl
Collectie De collectie Utrechts Verzet is bijeengebracht door mevrouw T. Spaans-van der Bijl, oud-verzetsstrijdster en auteur van het boek Utrecht in verzet 1940-1945. Zij heeft een groot aantal personen, die actief zijn geweest in het verzet, of nazaten van hen, bereid gevonden om stukken af te staan ten behoeve van de vorming van deze collectie. In verreweg de meeste gevallen betreft het originele stukken, maar soms zijn ook fotokopieën van verzetsstukken in de collectie opgenomen. De stukken zijn door mevrouw Spaans in de jaren 1995-1997 voorzien van gedetailleerde beschrijvingen en in gedeelten overgebracht naar de Gemeentelijke Archiefdienst van Utrecht. Een latere aanvulling is in 2004 in de inventaris verwerkt, evenals een aanvulling uit 2014. De collectie is op archivistische wijze geordend en de beschrijvingen zijn enigszins aangepast. Aan de inventaris zijn enkele bijlagen toegevoegd, evenals een index op persoonsnamen. De rubrieken zijn chronologisch ingedeeld, waarbij is uitgegaan van het tijdstip van het ontstaan van de organisaties en groeperingen die tijdens het verzet actief waren. De omvang van de collectie bedraagt 1,20 m. De inventarisnummers 39, 45 en 168 zijn pas openbaar in het jaar 2005, terwijl op nummer 104 een openbaarheidsbeperking rust tot het jaar 2020. Deze stukken zijn alleen openbaar met toestemming van de directeur van Het Utrechts Archief. G.J. Röhner
Datum
1 januari 1940 - 1 januari 1945
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media