Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Alle bronnen

Strafinrichtingen te Utrecht

1 januari 1814 - 1 januari 1978

Literatuur Eggink, J.W., De geschiedenis van het nederlandse gevangeniswezen Assen 1958. Graaff, S.A.L. de, Inventaris van de archieven van de toezichthoudende colleges over de gevangenissen in Alkmaar, Haarlem 1977 tweede uitgave. Hallema, A., Geschiedenis van het gevangeniswezen, ‘s Gravenhage 1958. Rijksen, R., Achter slot en grendel, Alphen aan de Rijn 1972. Hazewinkel-Suringa, D., Inleiding tot de studie van het nederlandse strafrecht, Haarlem 1968. Geschiedenis van het strafstelsel De totstandkoming van de eenheidsstaat na de omwenteling van 1795 opende de mogelijkheid tot eenmaking van het recht en beindiging van de bestaande rechtsonzekerheid en -ongelijkheid. Het na lange voorbereidingen op 1 januari 1809 ingevoerde Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland bracht een voor die tijd zeer humaan en mild strafrecht en betekende een grote vooruitgang vergeleken met de tijd van vóór de omwenteling De doodstraf bleek weliswaar gehandhaafd, maar de wreedheid bij de tenuitvoerlegging werd zoveel mogelijk vermeden. Voor het eerst werd de gevangenisstraf in het zeer uitgebreide strafstelsel een plaats gegeven. Gevangenisstraf kon worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen tijd, welke niet langer mocht zijn dan 20 jaar. Hoewel het slechts twee jaar van kracht is geweest, heeft het Crimineel Wetboek belangrijke invloed uitgeoefend op het nederlandse strafrecht en de strafwetgeving in de 19e eeuw. Over de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf werden in het Crimineel Wetboek regels gegeven. Er waren drie mogelijkheden: 1. De veroordeelde werd geplaatst in een afzonderlijk vertrek, afgescheiden van de andere gevangenen. Dit was de eenzame, later cellulaire opsluiting. 2. De veroordeelde werd geplaatst in de gewone vertrekken van de tuchthuizen of andere daarvoor geschikte plaatsen. Dit betekende dat de oude tuchthuizen, nu als gevangenis, in gebruik bleven. 3. De veroordeelde werd geplaatst in een afzonderlijk vertrek met de mogelijkheid bezoekers te ontvangen, voor zover de goede orde en de veiligheid van het huis dit toestonden. Het betrof hier dus een geprivilegieerde wijze van tenuitvoerlegging voor bevoorrechte personen, moeilijk te rijmen met de leuze van gelijkheid en broederschap. De tenuitvoerlegging van de straf bracht echter grote moeilijkheden met zich mee. Aan de bouw van nieuwe gevangenissen had men niet gedacht. Dit betekende enerzijds, dat als alternatief zeer vaak verbanning werd opgelegd, anderzijds dat de bestaande tuchthuizen overvol raakten, wat op zichzelf aanleiding gaf tot allerlei misstanden. Ten aanzien van de gevangenisstraf bleef er een diepe kloof tussen datgene wat in het Crimineel Wetboek was vastgelegd en datgene wat daar in de praktijk van terechtkwam. Bij dekreet van 6 januari 1811 werden de wetten en besluiten van het franse keizerrijk voor de ingelijfde nederlandse gewesten executoir verklaard. Daardoor werd in ons land de franse Code Pénal van 1810 van kracht in plaats van het Crimineel Wetboek. Deze vervanging betekende een grote achteruitgang. Het franse strafstelsel was zeer hard en de afschrikking speelde daarin een grote rol. In de Code Pénal waren drie vormen van vrijheidstraf voorzien: dwangarbeid, deportatie en plaatsing in een strafinrichting. De laatstgenoemde straf kon worden opgelegd door plaatsing in een tuchthuis voor bestraffing met tenminste vijf jaar en ten hoogste levenslang, plaatsing in een verbeterhuis voor bestraffing met tenminste zes dagen en ten hoogste vijf jaar en plaatsing in een gevangenis voor een straftijd van ten hoogste zes dagen. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 werd de Code Pénal voorlopig gehandhaafd, maar het was te verwachten dat er direkt pogingen werden ondernomen om te komen tot een eigen nationale wetgeving. Politieke ontwikkelingen hebben de totstandkoming van een eigen wetboek van strafrecht echter vertraagd. Dit betekende niet dat de Code Pénal ongewijzigd bleef. De doodstraf bleef weliswaar gehandhaafd, maar de scherpe exekutie werd afgeschaft. De dwangarbeid voor het leven werd vervangen door tuchthuisstraf voor ten hoogste 20 jaar, de tijdelijke dwangarbeid door tuchthuisstraf van ten hoogste 15 jaar. Dit betekende dat in het strafstelsel meer plaatst werd ingeruimd voor de vrijheidsstraf, maar deze accentverschuiving werd niet opgevangen door een behoorlijke organisatie en voldoende outillage van het gevangeniswezen. De oude tuchthuizen bleven in gebruik. Men was van oordeel, dat de gevangenissen zo weinig mogelijk moesten kosten en dat de produktie van de gevangenen zo hoog mogelijk moest worden opgevoerd, zodat het gevangeniswezen zichzelf zou kunnen bedruipen en liefst nog winst maken ook. Bij K.B. van 26 oktober 1821 werd een “Raad van administratie over de gevangenissen in het Koninkrijk” ingesteld. Bij K.B. van 4 november d.a.v. werd de aanwijzing van bepaalde gevangenissen voor bepaalde kategorieën van gedetineerden met de daarbij behorende gevangenisregimes geregeld. Het bleef echter te veel steken in het papieren stadium. De gevangenissen waren feitelijk staatsfabrieken en de gevangenisarbeid werd voor een groot deel benut om leger en vloot goedkoop te kleden en uit te rusten Omstreeks het midden van de 19e eeuw komt in Nederland de vraag aan de orde welk doel met de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, die een belangrijke plaats in het strafstelsel had verworven, werd beoogd. Tot dusver had men op de vraag, welke de uitwerking van de strafoplegging op de delinkwenten was, geen antwoord kunnen geven. De daarmee samenhangende wijze van tenuitvoerlegging had men tot nu toe slechts getoetst aan de maatstaven van uniformiteit en produktiviteit. Denkbeelden over strafexecutie, speciaal in Amerika en in Engeland, zijn van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de opvattingen hierover in Nederland. Men zag zich voor de vraag gesteld welk gevangenisstelsel voor ons land gekozen moest worden: het Pennsylvania-stelsel met zijn eenzame opsluiting, het Auburn-stelsel, waarbij de gevangenen niet volstrekte afzondering, maar wel een spreekverbod werd opgelegd, dan wel een van de progressieve stelsels, waarvan vooral het Ierse de meest aangewezen variant was. Zowel het stelsel van de afzonderlijke opsluiting als het progressieve Ierse stelsel had in Nederland zijn verdedigers. Het eerstgenoemde stelsel ondermeer in het Genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen, de oudste reklasseringsvereniging, opgericht in 1823. Het uitgangspunt daarbij was, dat vóór alles de nadelen van de ongeselekteerde gemeenschap voorkomen moest worden. De zedelijke verbetering van de gevangenen werd immers belemmerd door de invloeden van de slechte elementen in een gemeenschap. Afzonderlijke opsluiting zou dit onderlinge bederf voorkomen en mogelijkheden tot belnvloeding ten goede scheppen. Het Ierse stelsel heeft het moeten afleggen tegen het cellulaire stelsel, waarin men de steen der wijzen meende gevonden te hebben, Daarin, dacht men, zouden alle aspekten, die bij de strafoplegging en strafexekutie tot gelding dienden te komen, tot hun recht komen. De cel werkte immers afschrikwekkend, maar voorkwam tegelijkertijd onderlinge besmetting en maakte het mogelijk de gedetineerden individueel te verbeteren. Bovendien was het mogelijk door de cellulaire opsluiting de strafmaat nauwkeurig in overeenstemming te brengen met de mate van schuld, die de delinkwent door zijn misdrijf op zich genomen had. In 1847 begon men met de bouw van de eerste cellulaire strafinrichting te Amsterdam. De wettelijke bekrachtiging van het cellulaire stelsel volgde op 28 juni 1851. De positie van het celstelsel werd gekonsolideerd in het Wetboek van Strafrecht, dat in 1881 tot stand was gekomen en in 1886 werd ingevoerd. Onder invloed van nieuwe denkbeelden in de kriminologie (Lombroso, Manouvrier, Ferri en Aletrino) werd het celstelsel in het laatste kwart van de vorige eeuw steeds feller bekritiseerd. De cel stompte de gevangene af, de grauwe eentonigheid was de slechts denkbare sfeer om tot opvoeding te komen. Aletrino keerde zich niet alleen tegen de cel omdat die vervreemdt van het gewone leven, maar ook tegen de uniforme tenuitvoerlegging van de celstraf. In 1881 had men de cel juist aangeprezen wegens de mogelijkheden tot individuele verbetering der gevangenen. In de praktijk was daar echter weinig van terecht gekomen. Het celstelsel is tenslotte doorbroken in 1918. Het grote aantal tot vrijheidsstraf veroordeelden in de oorlogsjaren had een nijpend gebrek aan ruimte in de gevangenissen veroorzaakt. De wet van 22 november 1918, de zgn. Noodwet, bepaalde dat iedere gevangenisstraf in gemeenschap kon worden ondergaan. In 1946 stelde de minister van justitie een “Commissie voor de verdere uitbouw van het gevangeniswezen” in onder voorzitterschap van W.A.J.M. Fick, ten einde na te gaan, welke organisatorische maatregelen op het terrein van het gevangeniswezen en de reklassering, voor zover deze laatste in de strafinrichtingen plaatsvond, voor een goede en doelmatige tenuitvoerlegging voor vrijheidsstraffen gewenst waren. Deze kommissie bracht in 1947 rapport uit. De grondslagen van de daarin uiteengezette nieuwe opzet van het gevangeniswezen zijn met enige wijzigingen in 1951 vastgelegd in de nieuwe Beginselenwet Gevangeniswezen. Deze beginselenwet is met de Gevangenismaatregel, waarin een aantal onderdelen uit de wet nader is uitgewerkt, in 1953 van kracht geworden. Het is de wettelijke basis waarop de huidige tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen berust. De drie belangrijkste pijlers, waarop het huidige gevangenisstelsel is gebouwd, zijn: cel en gemeenschap, selektie en differentiatie, behoud van het karakter van de straf maar met gelijktijdige voorbereiding van de terugkeer in de samenleving. Het cellulaire stelsel wordt in de Beginselen wet niet aanvaard. Dit betekende echter niet, dat men terug wilde naar de nauwelijks geselekteerde gemeenschap met alle daaraan verbonden nadelen, Het ging om te komen tot een synthese. Artikel 11 van het wetboek van strafrecht zegt hierover: Gevangenisstraf wordt naar gelang van de persoonlijkheid van de veroordeelde in algehele of beperkte gemeenschap dan wel in afzondering ondergaan. De selektie van de gevangenen wordt na 1953 een essentieel punt. Degenen die storend of bedervend op de gemeenschap der gevangenen kunnen werken moeten daaruit verwijderd worden. Selektie, het onderbrengen der veroordeelden in verschillende kategorien, heeft alleen zin bij verschillende gevangenisregimes, waarbij elk regime is aangepast bij de kategorie gevangenen, bestemd voor die gevangenis. Naast de vraag “cel of gemeenschap” en het beginsel van “selektie en differentiatie” heeft de derde en wellicht belangrijkste pijler betrekking op het doel dat met de exekutie van de gevangenisstraf wordt beoogd. Artikel 26 van de Beginselenwet zegt: Met handhaving van het karakter van de straf of maatregel wordt hun tenuitvoerlegging mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer der gedetineerden in het maatschappelijk leven. Historisch overzicht In 1810 waren er te Utrecht twee stedelijke gevangenissen: het tuchthuis in het voormalige S. Nicolaasklooster in de Tuchthuissteeg en de gevangenis op het stadhuis. Het tuchthuis was een stedelijke instelling. Het zou volgens koninklijk dekreet van 1810 bij de nieuwe organisatie van de rechterlijke macht door het rijk worden overgenomen, maar stond nog onder het beheer van het stadsbestuur. Het diende tot onderbrenging van personen die waren veroordeeld door het stedelijk gerecht, door het departementaal gerechtshof, door gerechten van andere steden en door militaire vierscharen. Het gevangenisgebouw zelf was zeer uitgebreid. Het omvatte 24 kamers en een strafhok voor de mannen en twee kamers, een ziekenkamer en een slaapvertrek voor de vrouwen. Een apart gedeelte was ingericht als barakken voor veroordeelde militairen. In totaal konden meer dan 100 gevangenen worden geherbergd. De mannen, die met tweeën of meer in een kamer waren ondergebracht, werden van tijd tot tijd op de binnenplaats gelucht. De vrouwen verbleven overdag in een gemeenschappelijke ruimte. Er waren ook gevangenen die geheel afgezonderd van de anderen waren geplaatst: veelal waren dit personen die op wens en kosten van de familie werden gedetineerd. Alle gevangenen waren verplicht om zoveel als mogelijk met spinnen de kost te verdienen. Men droeg alle mogelijke zorg voor de gezondheid van de gedetineerden en door godsdienstig onderwijs beoogde men hen zedelijk te verheffen. Onder toezicht van het stedelijk gerecht werd het bestuur van het gesticht uitgeoefend door de inwonende tuchthuisvader. Deze genoot een jaarlijks traktement van 1.000 gulden van het rijk, waarvan hij 300 gulden moest betalen aan het stadsbestuur als huur voor zijn dienstwoning. Het rijk betaalde ook zijn drie knechten, die ieder 150 gulden ontvingen. Daarnaast had hij nog twee meiden en iemand voor de boodschappen in dienst. De op de tweede verdieping van het stadhuis aangebrachte gevangenishokken dienden tot onderbrenging van kriminele gevangenen die nog moesten worden gevonnist, hetzij door het departementaal gerechtshof, hetzij door het stedelijk gerecht. Ook civiele gegijzelden werden hierin ondergebracht. In de verschillende vertrekken en cachots was plaats voor 46 gevangenen. Aan het hoofd van de gevangenis stond een cipier, die een jaarwedde ontving van 600 gulden, zonder verdere emolumenten. Hij moest voor voedsel en onderhoud zorgen, terwijl de stad jaarlijks 36 zakken turf en 50 pond kaarsen leverde. Hij was niet verplicht knechten te houden. De gijzelkamer of maison d'arret ressorteerde onder het departementaal bestuur. Zij diende tot opsluiting van nalatige rekenplichtigen, achterstallige belastingbetalers of van gezeten burgers, die van misdaad werden verdacht, maar tegen wie nog geen apprehentie corporeel (inhechtenisneming) was verleend. Deze afdeling telde vier kamers, die overigens zelden alle bezet waren. Nog in de napoleontische tijd werden plannen uitgewerkt om de gevangenis op het stadhuis te doen inrichten als maison de police municipale, maison d'arret en maison de justice . De departementale gijzelkamer werd bestemd tot maison de correction voor kortgestraften. Misdadigers, berecht voor het Hof van Assizen, zouden worden opgesloten in het tuchthuis. Het Koninklijk Besluit van 4 november 1821 nr. 16 vereiste de oprichting in de hoofdplaatsen der provincies van burgerlijke en militaire huizen van verzekering. Door het verbouwen van het stadhuis in 1824 kon de gevangenis voor de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement Utrecht daar niet langer blijven. Het werd met het provoosthuis verenigd in het tuchthuis. Hiertoe was het tuchthuis uitgebreid met een deel van een kazerne, de zogenaamde Claasbarak. De aanwezige kriminele gevangenen bracht men over naar Den Bosch. De naam van het gewezen tuchthuis werd veranderd in verenigd huis van arrest en provoosthuis. Bij het Koninklijk Besluit van 27 juli 1839 kreeg deze gevangenis de naam van burgerlijk en militair huis van verzekering. In 1852 werd een aanvang gemaakt met de bouw van een cellulaire gevangenis. Tot dat einde was door het rijk het bolwerk Wolvenburg van de gemeente aangekocht voor de som van 14.000 gulden. De cellulaire gevangenis, voorlopig alleen bestemd voor veroordeelden tot eenzame opsluiting en voor gegijzelden om schulden, bevatte 116 cellen en werd op 1 juli 1856 in dienst gesteld. Het bouwvallig huis van burgerlijke en militaire verzekering zou nog slechts een paar jaren zijn tegenwoordige bestemming moeten dienen en dan vervangen worden door het aanbouwen van een vleugel bij de cellulaire gevangenis. Het politiehuis, bestemd als huis van bewaring van veroordeelden wegens overtredingen strafbaar gesteld in het vierde boek van de Code Pénal en in plaatselijke strafverordeningen, werd opgeheven bij beschikking van de minister van Justitie van 14 juni 1861, 4e afdeling nr. 132. In het huis van verzekering werden op last van de minister enige lokalen tot kantonnale gevangenis ingericht. Deze verandering voerde men in juli 1861 in. Opheffing van een aantal provinciale gerechtshoven en arrondissementsrechtbanken leidde er toe dat bij Koninklijk Besluit van 19 september 1877 nr. 24 het burgerlijk en militair huis van verzekering werd opgeheven en bestemd tot huis van arrest en huis van bewaring. Bij een volgend Koninklijk Besluit van 11 juni 1886 nr. 30 werd het huis van arrest en van bewaring huis van bewaring en de cellulaire gevangenis strafgevangenis en tevens hulphuis van bewaring. Op 1 november 1897 werd het nieuwe huis van bewaring gelegen aan de Gansstraat in gebruik genomen. Het oude gebouw werd overgedragen aan de gemeente Utrecht. In de periode 1940-1945 had de bezetter onder andere de gevangenis aan het Wolvenplein en het huis van bewaring aan de Gansstraat geannexeerd. Deze deden respektievelijk dienst als Deutsche Untersuchungs- und Strafgefängnis en Kriegswehrmachtgefängnis. Laatstgenoemde instelling ressorteerde onder de Wehrmacht, terwijl de overige gevangenissen binnen het ressort van de Duitse politie vielen. Na de laatste reorganisatie van het gevangeniswezen zijn in Utrecht gevestigd: het huis van bewaring aan het Wolvenplein en de psychiatrische observatiekliniek aan de Gansstraat. Deze laatste instelling is in 1949 opgericht en heeft formeel de status van huis van bewaring. Concordantie op inv.nrs. 1-673 in Aanvullingen op de inventarissen 1-50 door WJ.H.M. Janssen (51-11) Addendum In het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies wordt de collectie Gevangenissen in Nederland over 1940-1945 (toegangsnr. 250b) bewaard. Het betreft een bruikleencollectie van het Nationaal Archief waarin stukken zijn opgenomen betreffende de gevangenissen waar de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog arrestanten opsloot. In deze collectie bevinden zich ook stukken met betrekking tot de Untersuchungs- en Strafgefängnis aan het Wolvenplein en het Huis van Bewaring annex Kriegswehrmachtgefängnis aan de Ganssstraat. Diverse daarvan zijn te beschouwen als archiefstukken van de voornoemde instellingen, zodat besloten is om de beschrijvingen van die betreffende stukken in onderhavige inventaris te integreren. Daarbij is steeds in de bijbehorende notabene aangegeven dat de originele stukken zich in het NIOD bevinden, gevolgd door een verwijzing naar het betreffende inventarisnummer van de collectie Gevangenissen in Nederland. Utrecht, 2021 Bewerkingsgeschiedenis Het archief van de strafinrichtingen te Utrecht is in 1979 beschreven in Inventarissen van de archieven van de toezichthoudende kolleges op de strafinrichtingen te Utrecht, Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede 1811-1944 door W.B. Heins, als deel 18 in de serie gedrukte inventarissen van het Rijksarchief Utrecht. In 2001 is besloten het archief in een afzonderlijke toegang te beschrijven en de oorspronkelijke toegang te bewerken Utrecht, 2010 Archief en inventarisatie In 1973 en 1974 werden de archieven van de strafinrichtingen te Utrecht, omvang 22 m, aan het Rijksarchief overgedragen door de geneesheer-direkteur van het selektie-instituut en de direkteur van het huis van bewaring I. In 1979 en 1982 werden circa 8 m aanvullende archiefbescheiden overgedragen. Deze aanvulling bestond voor een belangrijk deel uit archivalia over de periode 1945-1951. In dat laatste jaar vond er een reorganisatie van het gevangeniswezen in Utrecht plaats. Vooruitlopend op de uitvoering van de Beginselenwet gevangeniswezen van 21 december 1951 SB 596, kreeg de strafgevangenis aan het Wolvenplein in dat jaar reeds de status van huis van bewaring I. Het oorspronkelijke huis van bewaring aan de Gansstraat, voortaan huis van bewaring II genoemd, behield formeel deze status, maar funktioneerde vanaf 1949 al als psychiatrische observatiekliniek. De Gevangenismaatregel van 23 mei 1953 SB 237, voortvloeiende uit genoemde Beginselenwet, bevestigde de nieuwe situatie. Behalve een chronologisch vervolg bevatte de genoemde aanvulling ook een aantal archiefbescheiden, daterend vanaf 1866, die in de bestaande inventaris R18 zou moeten worden geïntegreerd. Dat zou betekenen dat de aanvullingen middels een a-nummering moesten worden ingevoegd. Hier werd om verschillende redenen van afgezien. De grote omvang van het in te voegen gedeelte resulteerde in dit geval bijvoorbeeld in nummers als 533-mm. Dit werd een minder fraaie oplossing geacht, die bovendien verwarrend op de raadpleger van de inventaris had kunnen overkomen. Ook bleek het aanvullende gedeelte in vele gevallen moeilijk in te passen in het indelingsschema van de bestaande inventaris. Bovendien werd, vooral door de omvang der aanvullingen, een duidelijker beeld verkregen van de archiefstruktuur van de Utrechtse strafinrichtingen. Een en ander had tot gevolg dat bij de samenstelling van de aanvullingsinventaris R51 in 1987 besloten werd om het gedeelte van inventaris R18 dat betrekking had op de strafinrichtingen te Utrecht in zijn geheel te herzien. De herinventarisatie ervan hield in dat er behalve een nieuwe ordening tevens een nieuwe nummering werd gemaakt. De oude nummering kwam te vervallen. De nieuwe inventaris R51-11 (p.49-70) onderscheidde het kollege van regenten, de direkteur van de strafgevangenis en de direkteur van het huis van bewaring als afzonderlijke archiefvormers. Dit in tegenstelling tot de oorspronkelijke inventaris R18, die het geheel van archieven gevormd door een toezichthoudend kollege en de instellingen binnen één gemeente beschouwde als één komplex. Binnen elk van de drie hierboven genoemde archieven werd een ordening aangebracht die in grote lijnen dezelfde was als die in inventaris R18. Dit wil zeggen een verdeling in algemeen en bijzonder en een nadere onderverdeling in hulpmiddelen voor de uitvoering van de taak en uitvoering van de taak. In 1988 is een tweede aanvulling overgedragen, betrekking hebbende op de periode 1942-1978. Deze aanvulling, omvang 1,3 m, bestond uit archiefbescheiden van de strafinrichtingen te Utrecht en had geen betrekking op de strafinrichtingen te Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede. Tenslotte zijn in hetzelfde jaar door het Rijksarchief in Groningen verscheidene archiefstukken (omvang 0,2 m), die aangetroffen werden in de groningse gevangenisarchieven, aan het Rijksarchief overgedragen. De archiefbescheiden hadden betrekking op de periode dat de inrichting aan het Wolvenplein door de Duitse Wehrmacht in gebruik was als Kriegswehrmachtgefängnis, en zijn vermoedelijk in Groningen terecht gekomen doordat de commandant van de gevangenis bij zijn overplaatsing van Utrecht naar Groningen de stukken heeft meegenomen. Bij de samenstelling van de nieuwe aanvullingsinventaris R100 is besloten om deze tweede aanvulling met inventaris R51-11 te integreren tot een nieuwe inventaris 18-4. Dit zou wederom resulteren in een aanzienlijke hoeveelheid subnummers, zodat gedeeltelijk een nieuwe nummering gemaakt is: de inv.nrs. 1-260 bleven ongewijzigd, vanaf inv.nr. 261 is echter geheel opnieuw genummerd. Het indelingschema van de nieuwe inventaris is ten opzichte van de oude inventaris R51-11 verder gespecificeerd. De nieuwe inventaris onderscheidt het kollege van regenten 1814-1952(1976), de direkteur van de strafgevangenis aan het Wolvenplein 1856-1954, het huis van bewaring I aan het Wolvenplein 1951-1978, het huis van bewaring aan de Gansstraat 1858-[1969], vanaf 1953 huis van bewaring II en tevens (psychiatrische) observatiekliniek en de Kriegswehrmachtgefängnis aan de Gansstraat ca. 1942-1945. Deze onderverdeling is gebaseerd op de instelling van de huizen van bewaring I en II in 1949 en op het verkrijgen van de officiële status van beide instellingen door het van kracht worden van de Gevangenismaatregel van 1953. Daarnaast zijn de archiefbescheiden betreffende het functioneren van de strafinrichting aan de Gansstraat als Kriegswehrmachtgefängnis voor de Duitse Wehrmacht als apart onderdeel opgenomen, omdat het functioneren van de strafinrichting zich in die periode onderscheidt van andere fasen. Strafinrichtingen te Utrecht Concordantie op inv.nrs. 1-536 in Inventarissen van de archieven van de toezichthoudende kolleges op de strafinrichtingen te Utrecht, Amersfoort, Rhenen en Wijk bij Duurstede 1811-1944 door W.B. Heins Wettelijke regelingen 1811-1838 Tegelijkertijd met de invoering van de Code Penal werd het Arrêt sur l’organisation des prisons van kracht. Dit besluit regelde de organisatie van het gevangeniswezen. Er waren vijf typen gevangenissen in voorzien: 1. Maison de police municipale, gevestigd in elk van de distrikten der vrederechters. Het kon eventueel worden ondergebracht in een afgezonderd gedeelte van een maison d’arflt, Hierin werden ondergebracht de door de politierechter veroordeelde personen, verdachten en passanten. 2. Maison d’arrêt in ieder gemeentelijk arrondissement. Zij die een berechting door een korrektionele rechtbank of door het hof van assizen te wachten stond werden hier in ondergebracht. 3. Maison de justice, gevestigd in ieder departement. Hier werden de onder 2 genoemden ingesloten na hun veroordeling. 4. Maison de correction, minstens één in elk departement. Hierin werden ondergebracht korrektioneel veroordeelden, gegijzelden wegens schulden, onhandelbare kinderen en prostituées. 5. Maison de détention, vergelijkbaar met onze strafgevangenis. In het decreet van 20 oktober 1810 waren voor de zeven departementen drie vestigingsplaatsen aangewezen: Amsterdam, Groningen en Munster. Zij waren bestemd voor de tot meer dan één jaar veroordeelden. Het opzicht over de gevangenissen werd uitgeoefend door de prefekt, in wezen de onder-prefekt, van elk departement. De dagelijkse inspektie was opgedragen aan een conseil gratuit et charitable des prisons, naderhand kommissie of raad van weldadigheid genoemd. Deze was samengesteld uit vijf leden, door de minister op voorstel van de prefekt benoemd, onder voorzitterschap van de burgemeester. Toegevoegd lid waren ambtshalve de prokureurs van de keizer, later de officieren van justitie. In 1814 verscheen een Provistonele instruktie voor de kolleges van regenten over de gevangenissen in de Verenigde Nederlanden. De kommissies van weldadigheid werden omgezet in kolleges van regenten. In elke plaats met een of meer gevangenissen werd er één ingesteld, Voorzitter was de burgemeester. Overige leden waren de officier van de rechtbank en vijf personen met een roep van menslievendheid en die uit hoofde van hun beroep hiervoor extra gekwalificeerd werden geacht. Naast vele andere bezigheden diende men minstens eenmaal in de maand zitting te houden in de gevangenis voor het horen der ingeslotenen. 1838-1886 De reorganisatie van het gevangeniswezen van 1821, die overigens pas in 1838 van kracht werd, bracht de volgende veranderingen met zich mee. De gevangenissen werden onderverdeeld in drie klassen: 1. Huizen van correctie, bestemd voor de opname van korrektioneel gestraften tot meer dan 4 á 6 maanden gevangenisstraf. 2. Huizen van reclusie en tuchtiging, tot opsluiting van krimineel veroordeelden. Militairen die tot een onterende gevangenisstraf waren veroordeeld en niet meer in de militaire stand konden worden gehandhaafd werden eveneens hierin geplaatst. 3. Huizen van militaire detentie, bestemd voor militairen uitgezonderd de bovengenoemde kategorie. Behalve deze gevangenissen waren er: 4. Huizen van arrest. 5. Huizen van justitie. 6. Provoosthuizen. 7. Huizen van bewaring. De huizen van arrest, de huizen van justitie en de provoosthuizen dienden tot het in verzekerde bewaring stellen van personen die van misdaad of wangedrag werden beschuldigd. Waar de drie huizen in één en dezelfde stad voorkwamen werden zij zo mogelijk samengevoegd tot een burgelijk en militair huis van verzekering. Dit gekombineerde huis diende tevens voor burgelijke en militaire gevangenen, die tot minder dan 4-6 maanden waren veroordeeld en voor disciplinair gestrafte militairen. De huizen van bewaring, waartoe ook de maison de police municipale, maison de passage en maison de sûreté gerekend werden bleven dienen voor dezelfde doeleinden als vroeger. Gevangenen met een vonnis van maximaal één maand, gegijzelden wegens schulden en personen, op verzoek van de familie in hechtenis genomen wegens verkwisting of wangedrag werden eveneens hier ondergebracht. Onder de supervisie van het departement van justitie oefenden de provinciale gouverneurs toezicht uit over alle gevangenissen en huizen van bewaring in hun ressort. Iedere gevangenis werd door een kollege van regenten of, voor de grotere, door een kommissie van administratie bestuurd. Bij Koninklijk Besluit van 21 oktober 1822 werd een instruktie voor deze kolleges en kommissies vastgesteld. Ook de positie van het personeel werd geregeld. Het reglement van organisatie en bezoldiging van het personeel der gevangenissen, vastgesteld bij K.B. van 11 december 1822, gaf bepalingen over de samenstelling van het personeel. In de burgelijke en militaire huizen van verzekering was een cipier en per 75 man een knecht of bewaarder. De huizen van arrest kenden eveneens een cipier en verder een knecht of bewaarder, mits er minimaal tien gevangenen waren. De cipiers werden benoemd door de koning op voordracht van de minister van justitie en na voorafgaande nominatie door de gouverneur, Voor de overige posten doen de kolleges van regenten voorstellen aan de gouverneur. Vanaf 1856 heetten de cipiers in de huizen van verzekering in de hoofdplaatsen van de provincies direkteur, vanaf 1886 allen gestichtshoofden. Van 1816 tot 1823 ressorteerde het gevangeniswezen onder het departement van justitie. Daarvoor en van 1823 tot 1842 onder dat van binnenlandse zaken. Met ingang van 1 juli 1842 kwam het blijvend onder justitie. 1886-1953 Het nieuwe Wetboek van Strafrecht uit 1886 bepaalde in artikel 22: De Wet wijst de gestichten aan waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan. De inrichting en het beheer van deze gestichten, de verdeling van de opbrengst van de verplichte arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht worden naar beginselen bij de wet te stellen geregeld bij algemene maatregel van inwendig bestuur. Hier werd de grondslag gelegd voor de Beginselenwet van 14 april 1886 en de Algemene Maatregel van Bestuur van 31 augustus 1886. De gevangenissen werden onderscheiden in: 1. strafgevangenissen a. gewone strafgevangenissen, bestemd voor de tenuitvoerlegging van de burgelijke en militaire gevangenisstraf. b. bijzondere strafgevangenissen, bestemd voor de tot meer dan vijf jaren gevangenisstraf veroordeelden (te Leeuwarden voor mannen, te Rotterdam voor vrouwen); voor de veroordeelden tot drie maanden minimum, vijf jaren maximum, ouder dan 60 jaar of ongeschikt voor cellulaire opsluiting (te ‘s Hertogenbosch voor mannen, te Eindhoven voor vrouwen). 2. Huizen van bewaring, waarin opgenomen zij die straffen van hechtenis of van militaire detentie moesten ondergaan; zij, waarvan vastzetting, aanhouding, gevangenneming of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking geschiedt; doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen. 3. Passantenhuizen, bestemd tot verblijf van doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende gevangenen. Strafgevangenissen konden niet gelijktijdig dienen als huizen van bewaring of passantenhuizen. In ieder arrondissementshoofdplaats was een huis van bewaring en, waar nodig, een gewone strafgevangenis. Er zou nader worden bepaald op welke andere plaatsen huizen van bewaring of passantenhuizen zouden worden gevestigd. Volgens de Beginselenwet van 1886 berustte het opperbeheer van de gevangenissen en werkinrichtingen bij de minister van justitie. Het beheer was opgedragen aan een direktie onder de bevelen van een bestuur, kollege van regenten geheten, waarvan de leden door de koning werden benoemd. na 1953 In de Beginselenwet van 1951, welke in 1953 van kracht werd, worden de volgende strafinrichtingen onderscheiden: 1. Gevangenissen, bestemd tot opname van tot gevangenisstraf veroordeelden, in bijzondere gevallen van hen die hechtenisstraf of militaire detentie moeten ondergaan. 2. Huizen van bewaring, bestemd voor het uitzitten van hechtenisstraf of militaire detentie; tot opname van hen die krachtens rechterlijke uispraak of beschikking of door het openbaar gezag van hun vrijheid zijn beroofd, voor zover geen andere plaats voor hen is aangewezen; tot verblijf van doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen. Bovendien kunnen ook worden opgenomen veroordeelden met een werkelijke straftijd van niet meer dan drie maanden. Huizen van bewaring en gevangenissen zijn afzonderlijke gestichten. 3. Rijkswerkinrichtingen, bestemd tot opname van diegenen, die tot de bijkomende straf van plaatsing in een rijkswerkinrichting zijn veroordeeld. 4. Rijksasiels voor psychopaten. Het toezicht op de gestichten ressorteert onder het ministerie van justitie, waarvan de afdeling direktie gevangeniswezen speciaal met de zorg ervoor is belast. Het beheer van een gesticht is in handen van een direkteur, die tevens voorzitter is van de gestichtsraad. Deze raad, die tot taak heeft het adviseren van de direkteur, bestaat verder uit de adjunkt-direkteur het hoofd van de arbeid, de sociaal ambtenaar, het hoofd van de bewaking en de aan het gesticht verbonden geestelijke verzorgers, artsen en onderwijzers. Aan elk gesticht is een kommissie van toezicht toegevoegd, waarvan de leden worden benoemd door de minister van justitie voor een periode van vijf jaar. Deze kommissie oefent toezicht op alle aangelegenheden die het gesticht betreffen, in het bijzonder de behandeling van de gedetineerden en de naleving van de voorschriften. Zij kan advies uitbrengen aan de minister en de Centrale Raad van Advies en suggesties doen aan de direkteur. Zij bezit echter geen beslissingsbevoegdheid.

Collectie
  • Archieven Utrecht
Type
  • archief
Identificatienummer van Het Utrechts Archief
  • 18-4
Trefwoorden
  • Justitie en rechtspraak
Disclaimer over kwetsend taalgebruik

Bij bronnen vindt u soms teksten met termen die we tegenwoordig niet meer zouden gebruiken, omdat ze als kwetsend of uitsluitend worden ervaren.Lees meer

Ontvang onze nieuwsbrief
De Oorlogsbronnen.nl nieuwsbrief bevat een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Vijzelstraat 32
1017 HL Amsterdam

info@oorlogsbronnen.nlPers en media
Deze website is bekroond met:Deze website is bekroond met 3 DIA awardsDeze website is bekroond met 4 Lovie awards