Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

De Korenschoof te Utrecht

Bestuursleden van de Stichting "De Korenschoof" N.B. Het Bestuur van de Stichting "De Korenschoof" werd gevormd door de Directeur en de Raad van Commissarissen van "De Korenschoof" N.V. (Art. 3 der Statuten van de Stichting) Het Bestuur van de Stichting "De Korenschoof" werd gevormd door de Directeur en de Raad van Commissarissen van "De Korenschoof" N.V. (Art. 3 der Statuten van de Stichting) Boschloo, Ir.G., 1960-1970 Mees, J.-(P.R.zn.), 1960-1963 Pit, Mr.S.J., 1960-1965 Remmert, G., 1966-1970 (opvolger van Mr. S. J. Pit) Ruys, Mr.A., 1963-1970 (opvolger van J.Mees P.R.zn.) Verloop, Mr.W.H.-(J.W.zn.), 1960-1970 Vos, Ir.F.E., 1960-1970 Wal, Dr.G.van der, 1960-1970
Addendum Tijdens de inventarisatie van het archief van de Korenschoof N.V. in 1980 is besloten het in het archief aangetroffen beeldmateriaal op te nemen in de collectie van de Topografisch-Historische Atlas van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht, nu de collectie Beeldmateriaal van Het Utrechts Archief. In 2004 is het grootste gedeelte van dit beeldmateriaal in de catalogus beschreven en toegankelijk gemaakt. Enkele foto's die voor voornoemde collectie minder interessant waren, zijn weer bij het archief gevoegd en beschreven in onderhavige inventaris onder nrs. 70-a, 80-a, 82, 83-a, 83-b, 170-a, 183-a-183-d, 266-a, 361-a, 361-b, 362-a-362-d, 364-a-364-c en 366-a-366-g.
Voorafgegane firma's Een driekwart eeuw voordat de N.V. "Maatschappij, gezegd de Korenschoof" werd opgericht kan men al spreken van industriële vestiging op de plaats waar van 1857 af het hoofdbedrijf der N.V. werd uitgeoefend. Op 11 oktober 1779 namelijk verleende de Vroedschap van Utrecht aan Abraham Welsingh en Adriaen Swartendijk, onder zekere voorwaarden, vergunning tot het oprichten van "eene machinale spinderije" en tot het gebruiken van het water uit de stadsgrachten teneinde in hun onderneming een waterrad aan te drijven Inv.nr. 1; G.A. Utrecht, Bibliotheek over Utrecht nr. 2217 4x (49-53); Archief der stad II nr. 810. . Naar deze vergunning verwijzen B. en W. van Utrecht uitdrukkelijk, in antwoord op een rekest van de N.V. naar aanleiding van de afbraak in 1906 van dit waterrad, dat vanaf 1812 de meelfabricage heeft gediend Inv. nr. 3. . De rivier de Vecht stroomt vanuit de Utrechtse stadsgrachten naar het noorden. Tussen deze grachten en de Vecht bestaat een peilverschil van een meter, dat in 1608 tot stand is gebracht door de aanleg van de Weerdsluis R. Blijstra, 2000 jaar Utrecht, Utrecht/Antwerpen 1969, p. 138. De Weerdsluis, vernieuwd in 1822, en de O. Weerdsgracht zijn nog te zien; de W. Weerdsgracht is bij de aanleg van de Oudenoord ca. 1950 overkluisd. . Behalve door deze sluis hebben de stadsgrachten verbinding met de Vecht door twee waterlopen aan weerszijden van de rivier, die de Utrechtse wijk Bemuurde Weerd omvatten. De door de sluisaanleg ontstane stroom door deze waterlopen werd tot aandrijfkracht voor verscheidene watermolens; één zo'n rad diende sedert 1681 de zijdegarenfabriek "Zijde Balen" J.H. van den Hoek Ostende, Watermolens aan de Vecht bij Utrecht; in: Jaarboekje "Niftarlake" 1964, Utrecht z.d. (1965), p. 2; S. Muller Fz., Zijdebalen, Utrecht 1912. . Bovengenoemde voorwaarden van de Vroedschap nu verplichtten Welsingh en Swartendijk om met "Zijde Balen", vooral wat het watergebruik betrof, niet in concurrentie te treden Inv.nr. 1. . In 1780 lieten Welsingh en Swartendijk door het daartoe gekochte land G.A. Utrecht, Archief S. nr. 414, protocol nots. J.T. Blekman, koopakte 1779 dec. 11; Archief der stad II nr. 3420, register van transporten in de Bemuurde Weerd, transportakten 1780 jan. 24., 1781 mrt. 7. tussen de W. Weerdsgracht en de Vecht een dwarsgang met stuwbassin graven, waardoor zij genoemd peilverschil industrieel konden toepassen J.H.van den Hoek Ostende, op. cit., p. 6. . De firmanten, "fabriqueurs in zijde en halve zijde stoffen", vestigden hun onderneming ten einde "daar op meestal fijne catoene, litijne en quinette gaarens midsgaders zijdepluis en florette gaarens te laten schrobbelen, kaarden en spinnen" R.A. Utrecht, Archief der Staten 1325-1813 nr. 234, resolutie Staten 1780 febr. 16. . Dit geschiedde in een voor die tijd zeer modern bedrijf dat de eerste mechanische spinnerij in Nederland was, ingericht met de machine van Arkwright, het "waterframe", negen jaar na de eerste toepassing hiervan te Cromford in Engeland Z.W.Sneller, Een mechanische katoenspinnerij in Nederland in het laatst der 18e eeuw; in: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 7de reeks I, 's-Gravenhage 1931, p. 167-169, 172-176. . De Utrechtse fabrikanten stelden hun spinnerij onder de directie van John en Charles Thompson uit Bensal, Derbyshire, die mogelijk hun kundigheid in Arkwright's spinning-mill hebben verworven Inv.nr. 1. . Staten 's Lands van Utrecht, "deze entreprise als loffelijk aanziende", verleenden Welsingh en Swartendijk in 1780 voor 25 jaar exclusief octrooi binnen het gewest en vrijdom van alle belastingen R.A. Utrecht, Archief der Staten 1325-1813 nr. 234, resoluties Staten 1780 apr. 9, mei 3; G.A. Utrecht, Archief der stad II nr. 121, resolutie Vroedschap 1780 mei 1. . Er moet werk geweest zijn voor enkele tientallen arbeidskrachten, een voor die tijd niet gering getal Z.W. Sneller, op. cit., p. 176; vgl. noot 9. . Al spoedig beperkte de onderneming zich tot het spinnen van katoen G.A. Utrecht, Archief S. nr. 412, protocol nots. L. Swartendijk, testament ds. Michaël Swartendijk 1782 nov. 14. Vgl. inv.nr. 1, bezwaarschrift weduwe Zijdervelt. . In de Korenschoof-archieven ontbreekt uit deze vroege periode vrijwel iedere getuigenis van de bedrijfsvoering. Zelfs enkele eigendomsoverdrachten van de fabriek moesten worden gereconstrueerd aan de hand van andere archieven. In 1790 verkochten Swartendijk, de weduwe Welsingh en de mede-eigenaren de "catoen-reederij" en bijgebouwen voor fl. 20.000,- alsmede de gereedschappen, machines en waterwerken voor fl. 9.400,- aan Shadrach Munnings te Rotterdam G.A. Utrecht, Archief S. nr. 414, protocol nots. J.T. Blekman, koopakte 1790 apr. 9; G.A. Leiden, Notarieel Archief nr. 2649, protocol nots. G. Verheik, akte van procuratie 1790 mrt. 26. , die John Lever als bedrijfsleider lieten optreden G.A. Utrecht, Archief S. nr. 461, protocol nots. M.J. van Buuren, koopakte 1792 juni 2; vgl. ibidem akte van procuratie 1791 dec. 12. . In 1791, toen Munnings naar Brussel was verhuisd, verkocht hij zijn recht op transport van eigendom door aan Thomas Marten G.A. Utrecht, Archief S. nr. 461, protocol nots. M.J. van Buuren, koopakte 1792 juni 2; Archief der stad II nr. 3420, register van transporten in de Bemuurde Weerd, transportakten 1792 juni 5; advertentie Utrechtsche Courant 1792 apr. 2. . Op zijn beurt vertrok Marten in 1793 metterwoon naar Engeland G.A. Utrecht, Archief der stad II nr. 2051, manuaal der 100ste penning van 1793, VII nr. 204 Bemuurde Weerd. - ook de gebroeders Thompson zijn toen uit het gezichtsveld verdwenen G.A. Utrecht, Archief S. nr. 461, protocol nots. M.J. van Buuren, akten van procuratie en van executeurschap 1792 okt. 29; vgl. noot 18. - na het fabriekscomplex voor fl. 15.000,- en de machines voor fl. 8.105,- verkocht te hebben aan Hendrik van Dooren, Jan Otto en Otto Ruysch van Dugteren en Wouter Casteel Inv. nr. 4; G.A. Utrecht, Archief der stad III nr. 548, register van transporten in de Bemuurde Weerd, transportakte 1799 aug. 26 (!); advertentie Utrechtsche Courant 1792 nov. 19. . Binnen enkele jaren ontstond onder deze compagnons hevige onenigheid die er op uitliep dat Van Dooren, na een uitspraak van de Raad van Rechtspleging te Utrecht ten gunste van Otto Ruysch van Dugteren, de fabriek in augustus 1799 sloot G.A. Utrecht, Archief der stad III nr. 591, notulen B. en W. 1808 juli 4; III nr. 135, aantekeningen over fabrieken te Utrecht, 1801. . De katoenspinnerij is daarna niet meer in bedrijf geweest. Wel heeft Van Dooren van Breda uit nog geprobeerd de fabriek weer aan de gang te krijgen, blijkens verzoekschriften om financiële steun aan Koning Lodewijk in 1808 en aan de minister van Binnenlandse zaken in 1810, maar vader en zoon Van Dugteren waren inmiddels overleden, hun vele erfgenamen woonden verspreid en de belangstelling van de overheid om in het risico van de onderneming te delen bleek gering te zijn G.A. Utrecht, Archief der stad III nr. 591, notulen B. en W. 1808 mei 23, juli 4, 1810 juli 23, nov. 12; A.R.A., Archief Min. v. Binn. Z., rapport 1808 juli 29 op rekest (rel. nr. la) H.van Doorn te Breda. . Ruim twaalf jaar bleef het grote vijf verdiepingen hoge fabrieksgebouw gesloten Over de inrichting van de spinnerij: inv.nr. 5, akte van veiling van de boedel van Ida van Ruytenbeek, weduwe Otto Ruysch van Dugteren, 1811; A.R.A., Collectie-Goldberg nr. 31, inventaris van de catoen-rederij, 1801, ook gegeven door Z.W. Sneller, op. cit., p. 184-188. . Ultimo 1811 kochten Jan Hubertus Pellekaan en Unico Wilhelm Teutonicus Cazius het vervallen bedrijf voor fl. 13.950,- op Inv. nr. 5. Vgl.: G.A. Utrecht, Archief der stad III nr. 548, register van transporten in de Bemuurde Weerd, transportakte 1801 apr. 20. , en nadat als compagnon was toegetreden Dirk Anthon Reitz Inv. nr. 9. richtten zij de gebouwen in tot "koorn- en cementmolen" Inv. nr. 2. . Hoewel hun recht om koren te malen in 1814 bij Souverein Besluit werd bevestigd tegen de vier voorheen geprivilegieerde korenmolenaars van de stad Inv. nr. 2; G.A. Utrecht, Archief der stad IV nr. 1217. , verkochten Pellekaan en Compagnie het maalbedrijf reeds in 1816 voor fl. 31.100,- aan Remees Floris Elin Modderman en Christian Heinrich Schober, de eigenaars van de lakenfabriek "Elin" Inv. nrs. 10, 11; Ivanof, Honderd jaar Meelfabriek "De Korenschoof", Utrecht 1957, p. 8-12 (autobiografie C.H.Schober). . Deze twee firmanten, van 1816 af handelende onder de naam Remees Floris Elin en Compagnon en sinds 1832 onder de firmanaam Schober en Modderman G.A.Utrecht, Notariële archieven 1811-1842 nr. 232a, protocol nots. P.A. van Schermbeek, akten van compagnonschap 1816 aug. 14 (nr. 2775), 1831 dec. 13 (nr. 11105). , hebben de fabriek in sterke mate uitgebreid. Modderman, telg uit het geslacht van lakenfabrikeurs Elin Centraal Bureau voor Genealogie, Témoignages de l'Eglise Wallone, map 105 no. 14, genealogie Elin. Voor de geschiedenis van deze lakenfabriek vgl.: C. Wiskerke, De afschaffing der gilden in Nederland, Amsterdam 1938, p. 54; W.A.G. Perks, Zes eeuwen molens in Utrecht, Utrecht/Antwerpen 1974, p. 69, 70, 216-221. , bracht de windkoren- en volmolen " 't Schaap" in de Bemuurde Weerd aan het Zwarte Water in G.A.Utrecht, Archief der stad II nr. 121, resoluties Vroedschap 1783 juni 16, 30; Archief S. nr. 653, protocol nots. J.F. Gobius, boedelscheiding 1803 mei 2; S. nr. 656, protocol nots. C. van Hees, koopakten 1808 mei 7. , en gezamenlijk kochten zij vele huizen en terreinen in de Bemuurde Weerd, voornamelijk aan de Kaatsteeg, voor huisvesting van arbeiders en uitbreiding van het bedrijf Inv. nrs. 19, 20. . Tevens verkregen zij in 1821 het recht van gebruik van een tweede watergang, die van de in 1816 opgeheven zijdefabriek "Zijde Balen" Inv. nr. 3. G.A. Utrecht, Archief der stad IV nr. 67, notulen Raad 1821 juni 4, 1824 juni 1, sept. 6; vgl. V nr. 67x, besluit B. en W. 1858 mrt. 3. . De bezigheden van de compagnieschap omvatten in 1816 "het fabriceeren en bereiden van lakenen, het malen van allerhande soorten van granen, mitsgaders van snuiftabak", vijftien jaar later "het malen van kooren, snuif, cement en zagen van hout, het spinnen van wol, mitsgaders eene negotie in houtwaren" G.A. Utrecht, Notariële archieven 1811-1842 nr. 232a, protocol nots. P.A. van Schermbeek, akten van compagnonschap 1816 aug. 14 (nr. 2775), 1831 dec. 13 (nr. 11105); vgl. II nr. 1210, aantekeningen over fabrieken te Utrecht, 1816-1819, fol. 29. . Het lakenvollen was omstreeks 1824 stopgezet G.A. Utrecht, Archief der stad IV nr. 92, notulen Burgemeesteren 1823 mei 13; IV nr. 94, notulen B. en W. 1827 aug. 3; IV nr. 496. , een houtmolen in 1824 aan de Zeedijk (Vecht W. zijde) opgericht R.A. Utrecht, Archief van het Provinciaal Bestuur na 1813, besluit Ged. Staten 1824 aug. 6. . Modderman trad in 1843 uit de combinatie Inv. nr. 22. en Schober werd nu door zijn zoon, mr. Johan Hendrik Schober, bijgestaan Een akte van compagnonschap onder firma van Schober en Zoon is niet aangetroffen. Vgl. Ivanof, op. cit., p. 30. . Uit de grote verscheidenheid van fabricage heeft de firma Schober en Zoon de houtzagerij afgestoten: in 1851 ging de zaagmolen "De Reus" voor fl. 8.800,- over op de firma Jongeneel Inv. nr. 23. , die thans nog aan de Zeedijk is gevestigd. De molen " 't Schaap" werd in 1855 voor fl. 9.000,- verkocht aan Arie Pos W.A.G. Perks, op. cit., p. 72. De koopakte werd t.o.v. nots. Van Beusekom Everts te Utrecht gepasseerd. . De statuten van 1856 der op te richten Naamlooze Vennootschap die naar de Schobers vernoemd zou worden, stellen als bedrijfsdoel vast "het malen van graan, het pellen van rijst door water- en stoomkracht en het voortzetten der (wol)spinnerij" Inv. nr. 36. . Als novum der techniek waren in 1856 stoommachines in het bedrijf geïnstalleerd Inv. nr. 34. , maar de wateraandrijving zou voor het bedrijf nog geruimte tijd van belang blijven Inv. nrs. 3, 28, 33, 184; G.A. Utrecht, Archief der stad IV nr. 94, notulen B. en W. 1844 mrt. 14, apr. 22; IV nr. 522x. . De voornaamste aanleiding tot het omzetten van de firma Schober en Zoon in de N.V. "Maatschappij, gezegd de Korenschoof" was, aldus de firmanten, de afschaffing per 1 januari 1857 van de accijnswet op het gemaal. Voor die tijd kochten nog vele bakkers zelf hun graan in en lieten dat in de fabriek malen. De "vrijheid om zonder wettelijk toezicht" graan tot meel te verwerken zou het inkopen van granen op grote schaal meer lonend voor het maalbedrijf maken. Daartoe was toen uitbreiding van het werkkapitaal noodzakelijk J.H. Schober, Maatschappij De Korenschoof 1857-1881; in: Tijdschrift voor Nijverheid, stuk X, jrg. 1882, p. 1, 2. . Buiten beschouwing bleef de leeftijd van de oudste firmant Schober, immigrant uit Gotha in Saksen, sinds 1804 gepensioneerd luitenant-kolonel in het leger van de Bataafse Republiek, die in 1857 de leeftijd van negentig jaar bereikte Nederland's Patriciaat XI, 's-Gravenhage 1920, genealogie Schober, p. 249; Ivanof, op. cit., p. 8-10, 33. . De fabrieksgebouwen en -installaties der firma werden voor fl. 115.000,- overgedragen aan de N.V. Inv. nrs. 26, 36. De koopakte tussen C.H. en J.H. Schober en de Commissarissen der N.V. werd 1857 juli 21 t.o.v. nots. P.A.van Schermbeek te Utrecht gepasseerd. en mr. J.H. Schober werd statutair tot directeur van de N.V. benoemd Inv. nr. 36. .
Commissarissen van "De Korenschoof" N.V Boetzelaer, Mr.W.C. Baron van, 1876-1882 Boschloo, Ir.G., 1966-1970 Duuring Schuurman, G., 1857-1863 Elink Schuurman, J., 1873 Ewijck, Mr.D.J.van-(van Oostbroek en De Bildt), 1857-1858 Ewijck, Mr.J.H.F.van-(van De Bildt), 1868-1881 Gerlings, Mr.J., 1857-1878 Hajonides van der Meulen, Dr.P., 1919-1935 Hoorn, H.J.van, 1907-1917 Kol, J., 1881-1919 Mees, J.-(P.R.zn.), 1919-1963 Meurs, Mr.C.H.van, 1879-1880 Meurs, J.H.van, 1883-1885 Ooster, Mr.F., 1889-1893 Pit, Mr.A.A., 1889-1925 Pit, Mr.S.J., 1925-1965 Rahusen, H.-(Sr.), 1857-1875 Rahusen, H.-(Jr.), 1882-1883 Rahusen, Mr.W., 1875 Royaards, Mr.H.-(van Scherpenzeel), 1859-1868 Royaards, Mr.W.J.-(van Den Ham), 1874 Ruys, Mr.A., 1963-1970 Sanderson, N., 1875-1879 Schober, Mr.J.H., 1884-1889 Stolk, C.E.van, 1881-1891 Stolk, R.E.van, 1916-1923 Twijnstra, T.J., 1935-1959 Verloop, H.C., 1913-1959 Verloop, W.H., 1886-1912 Verloop, Mr.W.H.-(J.W.zn.), 1959-1970 Verloren van Themaat, Mr.H., 1863-1881 Vos, Ir.F.E., 1957-1970 Vos, P., 1923-1957 Wal, Dr.G.van der, 1959-1970 Wall Bake, H.A.van den, 1857-1873 Wall Bake, J.van den, 1874-1875 Wall Bake, R.W.J.C.van den, 1880-1889 Walré, Mr.J.van, 1889-1906 Willink, J.A.-(W.zn.), 1876 Wit, W.J.de, 1878-1886
Inventarisatie "De Korenschoof" N.V. en de haar voorafgegane firma's hebben zich in hoofdzaak toegelegd op het fabriceren van meel; daarnaast op de vervaardiging van een groot aantal andere fabrikaten, niet steeds graanproducten. Haar oorsprong ligt in een katoenfabriek. Tussen de oprichting van deze machinale spinnerij en het einde van de meelfabricage treffen wij bijna twee eeuwen van industriële bedrijvigheid aan op één en dezelfde plaats, aan de Vecht, in Utrecht's "voorstad" de Bemuurde Weerd. Na de overname van "De Korenschoof" N.V. door Wessanen's Koninklijke Fabrieken N.V. in 1970 zijn de archieven van de Korenschoof in eigendom van het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief te 's-Gravenhage overgegaan. Bij de opheffing van dit fonds van bedrijfsarchieven zijn de Korenschoof-archivalia in 1972 gedeponeerd bij de Gemeentelijke Archiefdienst van Utrecht Over de decentralisatie van het archieffonds van het N.E.H.A. en beheer van bedrijfsarchieven door archiefdiensten van de overheid: R.H. Krans, Bedrijfsarchieven ten gemeentearchieve van Rotterdam - acquisitie en selectie, in: Nederlands Archievenblad, jrg. LXXVIII (1974), nr. 3, p. 211-220. . Niet bekend is, welk gedeelte van het archiefbestand voor de deponering is vernietigd. Stellig zijn archiefstukken afgedwaald in familie-archieven ten tijde dat een koopmansboekhouding veeleer tot de vorming van een persoonlijk archief dan van een bedrijfsarchief bijdroeg. Wessanen N.V. heeft archiefbescheiden uit de laatste jaren overgenomen. Tijdens de inventarisatie zijn slechts afschriften en kopieën van in deze archieven aanwezige stukken vernietigd; bovendien kon een dozijn boeken en brochures worden overgedragen aan de Bibliotheek over Utrecht, die ten gemeentearchieve wordt bewaard. De planklengte van de Korenschoof-archieven bedraagt thans 6 meter. De archiefbescheiden bleken te bestaan uit het archief van "De Korenschoof" N.V. zelf, dat van de Stichting "De Korenschoof" die de kapitaalgoederen der N.V. beheerde, de archieven van drie dochtervennootschappen en twee personeelsorganisaties, alsmede archivalia van een aantal firma's - voorlopers van de N.V. - , die elkaar hebben opgevolgd. Al deze archieven zijn gescheiden, doch beschreven in een doorlopende nummering. Vanuit de bedrijfsadministratie is geen ingang tot de archieven mede overgedragen. De oude orde viel slechts in de financiële jaarstukken te onderkennen. Bij de ordening kon daarom worden gehandeld naar bevind van zaken, overeenkomstig par. 27 - met inachtneming van de par. 15-17 - van de "Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven" door S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th.Az. (Groningen, 1920). "De Korenschoof" N.V. heeft drie centrale organen gekend: de algemene vergadering van aandeelhouders, de raad van commissarissen en de directeur. Onder directie van de laatste heeft de N.V. acht administratief zelfstandige afdelingen gehad. Haar archiefstukken zijn ingedeeld naar de onderdelen van de administratie waar zij gevormd zijn. Zo lag de indeling van het archief van de N.V. zelf in elf afdelingen voor de hand; zij kon echter niet consequent worden toegepast bij die archiefbescheiden, tot het ontstaan waarvan twee of alle drie centrale organen hadden bijgedragen, zodat voor deze een tweedeling: Bestuursorganen/Directie is gevolgd. De statuten, voor welker totstandkoming de medewerking van de functionarissen buiten de N.V. was vereist, vormen de eerste afdeling. De ordening van de andere archieven leverde wegens hun geringe omvang weinig problemen op. Aan het archief van "De Korenschoof" N.V. gaan de retroacta der N.V. - archivalia van vóór 1857 - vooraf. Na het archief van "De Korenschoof" N.V. volgen de archieven van de overige met de N.V. verbonden corporaties. Uit zakelijk oogpunt was, uit historisch oogpunt is het gewenst dat alle belangrijke handelingen van de bedrijven uit de archiefbescheiden blijken. Daar dit uit het archief van vóór 1857 niet wel mogelijk is, wordt aan de periode 1779-1856 een apart hoofdstuk van deze inleiding gewijd. Vervolgens worden aan de hand van de N.V.-statuten de bevoegdheden en het werkterrein van het bestuur en de directie toegelicht. Voor de raadpleging van deze archieven zijn geen beperkende bepalingen gesteld.
"De Korenschoof" N.V Voor de bestuursorganen der N.V. en hun bevoegdheden bevatten de statuten uit 1857 onder meer de volgende regelingen: Voorzover niet anders is aangegeven, zijn de gegevens over de N.V. ontleend aan de statuten, inv. nrs. 36-48, en aan de notulen van de Raad der Commissarissen, inv. nr. 55-60. Het beheer der Maatschappij is opgedragen aan één Directeur, die onder toezicht staat van ten minste vier en ten hoogste zes Commissarissen. Commissarissen worden door de jaarlijkse Algemene Vergadering benoemd uit de aandeelhouders. Elk aandeel, groot fl. 1.000,- geeft recht op één stem; niemand mag meer dan zes stemmen uitbrengen. Elk jaar treedt volgens rooster één Commissaris af, die terstond herkiesbaar is. De Raad van Commissarissen vergadert eenmaal in de maand, in tegenwoordigheid van de Directeur die een adviserende stem heeft. De Directeur vertegenwoordigt de Maatschappij in en buiten rechten. Volgens een door Commissarissen vast te stellen organisatieplan benoemt en ontslaat de Directeur het personeel. Commissarissen benoemen een kassier; de Directeur is voor het doen en laten van de kassier der N.V. niet aansprakelijk. Wij zagen al dat de eerste Directeur statutair werd benoemd; over de wijze van zijn opvolging zwijgen de eerste statuten echter. Aan het eind van ieder boekjaar - dat tot 1882 gelijk loopt met het kalenderjaar - maakt de Directeur de balans op; deze wordt met een memorie van toelichting Commissarissen ter hand gesteld. Na hun goedkeuring wordt de balans - in de praktijk ook een exploitatie-rekening Inv. nrs. 64-66. - aan de Algemene Vergadering ter goedkeuring voorgelegd. De winst wordt, volgens percentages die in de statuten staan aangegeven, verdeeld over de drie bestuursorganen. Daarnaast wordt uit de winst een reservefonds gevormd voor jaren waarin de N.V. verlies lijdt (buiten de jaren 1941-1945 is dit nooit het geval geweest) Inv. nrs. 64-66 en 84. Vgl. inv. nrs. 144-147. , terwijl ook de afschrijving op kapitaalgoederen van de winst werd afgeboekt. "Bij de keuze van Commissarissen zal men zoo veel mogelijk zorgen dat ten minste een van hen met den graanhandel bekend zij." Statuten van 1857, artikel 13(!) Reeds in 1869 wordt statutair de mogelijkheid geopend dat de N.V. zich met het bakken van brood bezighoudt; in 1884 wordt besloten tot de bouw van een broodfabriek aan de Kaatstraat. Het pellen van rijst en spinnen van wol wordt sinds 1860 niet meer bedreven. N.J. ten Bosch, 1856 - N.V. Mij. De Korenschoof - 1931, ms. Utrecht 1932, p. 1, 2. Doordat omstreeks 1875 de molenstenen worden vervangen door porseleinen walsen kan de vergrote maalcapaciteit ook tot het vervaardigen van gries (statuten 1881) worden aangewend J.H. Schober, op. cit., p. 4, 5. . In 1906 worden de statuten zodanig gewijzigd dat de Algemene Vergadering van Aandeelhouders de Directeur kan benoemen en te allen tijde ontslaan. Zij kan in overleg met de Directeur thans ook onderdirecteuren en procuratiehouders benoemen en ontslaan. Het instellen van deze functionarissen had ten doel, de directeurstaak te verlichten. Zo was in 1894 een broodfabriek te Rotterdam gekocht Inv. nr. 172. ; van Utrecht uit viel de directe leiding over die fabriek niet uit te oefenen. In voortzetting hierop wordt in 1922 statutair vastgelegd dat de Algemene Vergadering kan besluiten tot het oprichten van zelfstandige onderafdelingen. Het betrof hier een aantal administratieve afsplitsingen van de afdeling Centrale Boekhouding die in de praktijk reeds waren gerealiseerd: de meelfabriek, de brood- en banketfabrieken en hun hulpafdelingen Grossierderij en Werkplaatsen werden zelfstandig geadministreerd en hun jaarlijkse exploitatie-rekeningen werden door de Centrale Boekhouding als bijlagen bij de door deze afdeling opgemaakte jaarstukken der N.V. gevoegd. In 1906 was het oude waterrad afgebroken en tien jaar later al was de gehele meelfabriek geëlectrificeerd, waardoor ook de stoommachines hun langste tijd hadden gediend Inv. nrs. 3, 185, 186. ; mede hierdoor had de N.V. een grote productie-differentiatie kunnen bereiken. Het doel van de N.V. werd in 1922 verruimd; naast de exploitatie van meel- en broodfabrieken nu ook de exploitatie van winkels ingericht tot de verkoop van brood en banket te Utrecht en Rotterdam. Bovendien werd nu als doel genoemd het oprichten van, het deelnemen in en het ter leen verstrekken van gelden aan vennootschappen met gelijk of aanverwant doel en het beheren van deze vennootschappen. Ook hier werd statutaire sanctie aan reeds lang verrichte bedrijfshandelingen verleend, want in 1914 was begonnen met het bedienen der broodklanten in eigen beheer (niet meer uitsluitend door depot-houders) N.J. ten Bosch, op. cit., p. 5. , waartoe winkelpanden in Utrecht en Rotterdam werden aangekocht die aan de in 1920 opgerichte dochtervennootschap N.V. Maatschappij "De Vecht" werden overgedragen. Een andere dochter-N.V., de in 1916 opgerichte N.V. Motorboot "l'Espérance", stelde de Maatschappij in staat het graan- en meeltransport tussen Rotterdam en Utrecht in eigen beheer uit te voeren; deze onderneming werd als zijnde een traditionele verliespost in 1927 opgeheven Inv. nr. 371. . Van 1928 af werd een percentage van de winst gereserveerd voor de in 1930 opgerichte Stichting "Pensioenfonds van het personeel van de N.V. Maatschappij De Korenschoof". Deze corporatie betrok haar inkomsten voorts uit premies van de leden-begunstigers en rente van effectenbezit. Door het tot stand komen van de bijstandswetten, in het bijzonder de A.O.W., werden in latere jaren uitkeringen van Stichtingswege aan gepensioneerde werknemers der N.V. minder urgent geacht. In 1965 is de Stichting ontbonden Inv. nr. 388. . Na 1937 gaat de N.V. zich uitsluitend op meel- en bloemfabricage toeleggen; alle andere productie-afdelingen van het bedrijf worden opgeheven en de gelden die door de verkoop van de broodbakkerijen vrijkomen, worden besteed aan de bouw van een imposante nieuwe meelfabriek aan de Kaatstraat. Tot haar einde toe, 1970, blijft de N.V. het aldus geïntegreerde bedrijf van meelvervaardiging en meelhandel uitoefenen Voor 1965-1970 zie: inv. nrs. 66, 70. . Sinds 1924 zien wij de tendens zich inzetten dat belangrijke bevoegdheden aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders worden onttrokken ten gunste van de Raad van Commissarissen. In dat jaar: het benoemen en ontslaan van onderdirecteuren en procuratiehouders, het oprichten van zelfstandige onderafdelingen der N.V. en het oprichten van dochterondernemingen. Weliswaar blijft de benoeming van Directeur en Commissarissen aan de Algemene Vergadering voorbehouden, maar dit kan zij na 1934 slechts doen op bindende voordracht, opgemaakt door Commissarissen. In 1951 was een ondernemersovereenkomst tussen de grootste meelbedrijven in Nederland tot stand gekomen die de mogelijkheid tot deelname in en overname van andere bedrijven aan partijen open liet. "De Korenschoof" N.V., een van de twee "open" N.V.'s bij deze overeenkomst, wenste zich tegen een take-over te wapenen. Daartoe besloot de Raad van Commissarissen om naast de 1500 vrij verhandelbare aandelen tien prioriteits-aandelen uit te geven die zonder toestemming van de gezamenlijke houders onvervreemdbaar waren. Deze houders verkregen het recht bindende voordrachten tot de benoeming van Directeur en Commissarissen op te maken; zij kregen ook een zware stem bij ieder voorstel tot wijziging der statuten. De tien prioriteits-aandelen werden in eigendom genomen door de vijf Commissarissen Inv. nr. 54 loopt dan ook vrijwel parallel met inv. nrs. 59, 60. . Dit was blijkbaar nog niet afdoende. De vrees voor onverhoedse overname van het merendeel der aandelen door een combinatie van buitenstaanders inspireerde de oprichting in 1960 van de Stichting "De Korenschoof". Alle onroerende goederen en machines van de N.V. werden aan deze Stichting in bruikleen gegeven; dit bruikleen was door de N.V. onopzegbaar. Het bestuur der Stichting werd statutair gevormd door Directeur en Commissarissen van de N.V. die zoals eerder vermeld niet buiten de bindende voordracht van de Raad van Commissarissen om benoemd konden worden Inv. nr. 369 loopt dan ook geheel parallel met inv. nr. 62. . Hiermee werd bereikt, wat ook beoogd werd, dat de aandeelhouders in de N.V. geen zeggenschap konden uitoefenen in de Stichting H.J. van Haagen, Bedrijfseconomische scriptie, ms., Groningen 1962, p. 27-34. . Deze juridische constructie heeft de Vereeniging voor den Effectenhandel en drie hoogleraren in het vennootschapsrecht aanleiding tot kritische aantekeningen gegeven Inv. nr. 368; W.C.L. van der Grinten, De regels van het spel; in: Naamlooze Vennootschap, jrg. 38, nr. 10, jan. 1961, p. 173-177. . Ten gevolge van demping van de Catharijne- en Weerdsingel en de aanleg van vaste bruggen over de Vecht, omstreeks 1968 gerealiseerd, werden de fabrieken en silo's van de N.V. praktisch onbereikbaar voor de graanaanvoer per schip. Hiervoor gaf de gemeente Utrecht een schadevergoeding van bijna fl. 1,8 miljoen; deze stelde de Stichting in staat om in 1969 een nieuwe silo op het industrie-terrein Lageweide te bouwen Inv. nr. 83. . De afstand tussen fabriek en tarwe-opslag, enkele kilometers per wegvervoer, en de ontwikkeling van de tarwebloem-markt deden het bestuur van de Stichting van mening zijn dat het bedrijf op den duur onrendabel zou worden. Daarom adviseerden Directeur en Commissarissen der N.V. de aandeelhouders in te gaan op een bod op alle aandelen, uitgebracht door Wessanen's Koninklijke Fabrieken N.V. te Wormerveer, van 356% van de nominale waarde. De beursnotering Korenschoof was toen circa 230%. Inv. nr. 70. Op 16 oktober 1970 verscheen in de pers het bericht over de voorgenomen sluiting van het bedrijf en een afvloeiingsregeling voor de werknemers. Einde 1970 werd de meelfabriek definitief gesloten Vgl. berichten in Utrechts Nieuwsblad 1970 okt. 16, p. 1; okt. 24, p. 15; nov. 5, p. 27; nov. 16, p. 9; nov. 28, p. 11; 1971 juli 30, p. 4. De fabrieksgebouwen en silo's aan de Zeedijk en de Kaatstraat N. zijde zijn in januari 1978 afgebroken. . Utrecht, juli 1973 A.N. Beets (herzien december 1974)
Directie van "De Korenschoof" N.V N.B. d. = directeur, o. = onderdirecteur, p. = procuratiehouder d. = directeur, o. = onderdirecteur, p. = procuratiehouder Bekkum, D.van; p. 1951-1967, o. 1967-1970 Blankert, J.C.; o. 1926-1934 Bosch, N.J.ten; o. 1906-1916, d. 1916-1942 Bosch, N.J.ten-(N.J.zn.); p. 1952-1966 Boschloo, Ir.G.; p. 1928-1935, o. 1935-1942, d. 1942-1965 Gerritsen, C.; p. 1937-1945 Hageman, Ir.N.J.E.; o. 1923-1957 Horst, W.H.van der; p. 1966-1970 Kaiser, A.J.B.; o. 1920-1921 Koopmans, R.; o. 1922-1937 Remmert, G.; p. 1942-1958, o. 1958-1965, d. 1966-1970 Rooseboom, J.H.A.; o. 1906-1920 Schober, Mr.J.H.; d. 1857-1884 Schwietert, H.R.; p. 1961-1967 Sikken, H.J.M.; o. 1920-1937 Stolk, C.C.C.van.; o. 1916-1923 Stolk, R.E.van; d. 1884-1916 Uitdenbogerd, J.; o. 1965-1966 Vliegenthart, G.M.; o. 1966 Vliegenthart, W.A.; p. 1961-1964 Vlist, J. van der; p. 1961-1967 Wilk, C.van der; p. 1915-1938 Woudhuysen, M.D.; p. 1920-1936
Voorwoord Voor u, waarde lezer, ligt deel vier van de serie "Gebundelde Inventarissen". Met trots presenteren wij deze reeks van instrumenten, die u als gebruiker van onze archiefschatten de toegang tot veel kennis verschaft. Ook nu weer maken vele kleintjes één grote. Evenals de voorgaande delen is ook dit deel weer samengesteld uit inventarissen van archieven van verwante instellingen, te weten van een aantal bedrijven, die bovendien nog alle familieondernemingen waren. Men proeft hierin die typische 19e-eeuwse sfeer van de welhaast amateuristische werkgever, die in alle rust zijn zaken afhandelde. De stroomversnelling van rationalisatie en automatisering, van "time is money" en van "rücksichtlose" winstmakerij was nog niet in volle hevigheid losgebarsten, al lopen sommige van de archieven tot in deze jachtige periode door. De inventarisatoren mogen trots zijn op hun waardevolle en kundige arbeid. Het archief van de firma Vlaer & Kol werd geordend door Mr. G. van der Beek en Mr.drs. J.C. Andries, de inventarisatie van het archief van de zoutziederij C.M. en A.C.J. van Eelde staat op naam van mevrouw E.E. Richter-van den Bogaard, A.N. Beets hield zich bezig met de archieven van "De Korenschoof" N.V., Mr. G. van der Beek ontfermde zich ook over het kleine archief van de brouwerij "De Aker" en het archief van de N.V. Koninklijke Tabak- en Sigarenfabriek voorheen G. Ribbius Peletier Jr. was aan de zorgen van J.H. Coelingh Bennink toevertrouwd. De eindredactie was in handen van de dames J.N. van der Meulen en J.G. Riphaagen, terwijl mevrouw A.A.H. van Bemmel-'t Hoen de grafische vormgeving verzorgde. De in deze bundel opgenomen foto's zijn vervaardigd door de Gemeentelijke Fotodienst te Utrecht naar afbeeldingen uit de Prentenverzamelingen en de Bibliotheek van de Gemeentelijke Archiefdienst te Utrecht. Wij hopen dat deze nieuwe uitgave bij het geïnteresseerde publiek goed ontvangen zal worden. Mei 1980 de archivaris
Literatuurlijst Blom, G.H.J., Beschrijving van de Korenschoof N.V., gevestigd te Utrecht, ms. Utrecht, 1960. (Kopie aanwezig in de Bibliotheek over Utrecht.) Bosch, N.J. ten, 1856 - N.V. Mij De Korenschoof - 1931, ms. Utrecht, 1932. (Kopie aanwezig in de Bibliotheek over Utrecht.) Coenen, J.J., De Financiering van de Naamloze Vennootschap "De Korenschoof" gevestigd te Utrecht gedurende het tijdvak 1 juli 1938 tot 30 juni 1946, ms. Sittard. 1948. (Kopie aanwezig in de Bibliotheek over Utrecht.) Grinten, W.C.L. van der, De regels van het spel. In: Naamlooze Vennootschap, jrg. 38, nr. 10, januari 1961, p. 173-177. Haagen, H.J. van, Beschrijving van de meelfabricage in Nederland en meer in het bijzonder in "de Korenschoof" N.V. te Utrecht, ms. Groningen, 1962. (Kopie aanwezig in de Bibliotheek over Utrecht.) Hoek Ostende, J.H. van den, Watermolens aan de Vecht bij Utrecht. In: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap "Niftarlake" 1964. Utrecht, (1965), p. 1-12. Ivanof (W.F. van Schaverbeke), De geschiedenis van het graanmalen; met aanhangsel: Van windmolen tot meelfabriek. Utrecht, 1946. Ivanof (W.F. van Schaverbeke), Rondom de maïs. Utrecht, (1948). Ivanof (W.F. van Schaverbeke), De geschiedenis van de meelfabriek "De Korenschoof"/Honderd jaar meelfabriek "De Korenschoof". Utrecht, 1957. Korenschoof Orgaan, Het, jrg. 1-10. Utrecht, 1924-1934. Muller Fzn., S., Zijdebalen. Utrecht, 1912. Perks, W.A.G., Zes eeuwen molens in Utrecht. Utrecht/Antwerpen, 1974. (nr. 52, Het grote rad, p. 237-246; nr. 17, Het Schaap, p. 69-73) Schober, J.H., Toelichting bij de uitnoodiging om deel te nemen in de Maatschappij. In: Statuten der Maatschappij, gezegd de Korenschoof. Utrecht, 1856, p. 1-3. Schober, J.H., Maatschappij de Korenschoof 1857-1881. In: Tijdschrift voor Nijverheid, stuk X, jrg. 1882, p. 1-9. Sneller, Z.W., Een mechanische katoenspinnerij in Nederland in het laatst der 18e eeuw. In: Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 7e reeks I. 's-Gravenhage, 1931, p. 167-188. Stukken betreffende de spinnerij van Welsingh en Zwartendijk en hare verhouding tot de fabriek Zijdebalen, 1779-1790. Rubriek F, nrs. 49-53, in de stukken betreffende de fabriek Zijdebalen. (Opgenomen in de Verzameling losse aanwinsten van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht als inv.nr. 144 (toegangsnr. 802) Verslag over Handel en Fabriekswezen te Utrecht, 1859-1913. Voortgezet als: Verslag van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Utrecht, 1914-, passim. Visser, H.A., Beschrijving van "de Korenschoof" N.V. gevestigd te Utrecht, ms. Papendrecht, 1953. (Kopie aanwezig als bijlage bij inv.nr. 81.) Wiskerke, C., De afschaffing der gilden in Nederland. In: Bijdragen voor Economische geschiedenis. Amsterdam, 1938, p. 47-62.
Datum
1 januari 1779 - 1 januari 1970
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Blijf tweewekelijks op de hoogte
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media