Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Nederlandsch Israëlitische gemeente te Utrecht

Verenigingen en instellingen De overige verenigingen en instellingen zijn in hun beheer onafhankelijk van het bestuur van de gemeente, mits hun reglement door de kerkeraad is goedgekeurd en mits zij niet in strijd met hun eigen reglement of het reglement van de kerkgemeente handelen. Zij zijn rekenplichtig aan de kerkeraad, indien zij een subsidie van de kerkgemeente krijgen. Gesubsidieerde instellingen moeten de wijzigingen in hun statuten door de kerkeraad laten goedkeuren.
Geschiedenis De Israëlietische Gemeente kon pas in 1789 in Utrecht worden gevestigd, omdat de joden voorheen uit de stad geweerd werden. Reeds in 1444 besloot het stadsbestuur "dat gene joden, jodinnen off hoir goede binnen der stadt ofte statvrijheit comen off wesen en sellen noch ergent dair die stat bewynt heeft" Raadsbesluit d.d. 25 november 1444. GAU, SA I, inv.nr. 13, pag. 122 . In een plakkaat van de Staten van Utrecht van 20 januari 1545 werd het de joden bovendien verboden zich metterwoon in de provincie Utrecht te vestigen Groot Utrechts Placaatboek, pag. 411. . Zelfs de bepaling in artikel 13 van de Unie van Utrecht van 1579 "dat men nyemant ter cause van religie zal mogen achterhalen ofte onderdrukken", kon dit verbod niet ongedaan maken. Toch kwamen er wel joden naar Utrecht, al konden zij uiteraard geen synagogediensten houden. Eind 17de eeuw waren er veel Hoogduitse joodse kleine kooplieden, die in de stad Utrecht handel dreven en die zich in Maarsseveen vestigden. Rijke Portugese joden hadden in Maarssen hun buitenverblijven. Volgens een resolutie van de Staten van Utrecht van 30 augustus 1713 moesten de joden uit de provincie geweerd worden, omdat men bang was dat zij besmettelijke ziekten overdroegen Plakkaat van de Staten van Utrecht d.d. 30 augustus 1713. Groot Utrechts Placaatboek, pag. 412. . In 1736 en 1738 werden de joden er door publikaties van de stad Utrecht aan herinnerd, dat zij nog steeds niet welkom waren Plakkaten van de stad Utrecht d.d. 8 oktober 1736 en 27 januari 1738. . Het verbod voor joden om in Utrecht te overnachten, werd nog in 1777 vernieuwd Plakkaat van de stad Utrecht d.d. 5 augustus 1777. . Vermoedelijk op voorspraak van stadhouder Willem V mochten de joden zich vanaf februari 1789 weer in de stad Utrecht vestigen. Volgens de "Artikelen waarop aan de jooden, bij requeste zulks verzoekende, het recht van inwoning binnen de stad Utrecht zal worden vergunt" Plakkaat van de stad Utrecht d.d. 16 februari 1789; SA II, inv. nr. 121, 16 feb 1789, pag. 232/233. , moest men een certificaat kunnen overleggen, waarin de parnassijns (Israëlietische kerkvoogden) bevestigden dat men in de joodse gemeente was opgenomen en dat deze gemeente zich garant stelde voor het geval men armlastig werd. Reeds op 11 mei 1789 richtten enkele joden, te weten Isaac Eliasar van Lier (Isek Ben Leizer Leer), Benjamin Manusz (Benjamin Monisj) en Jacob Samuel Hartog, een verzoek aan de Vroedschap van Utrecht om synagogediensten op Sjabbat en andere joodse feestdagen te houden. Een week later, op 18 mei 1789, verleende de Vroedschap hiervoor toestemming, "mits zulks in alle stilte geschiede, en geenerley overlast aen de gebuuren werde toegebracht." GAU, SA II, inv.nr. 121, d.d. 18 mei 1789, pag. 372 Van 1789 tot 1792 werden synagogediensten gehouden in het huis van Isaac Eliasar van Lier, dat aan de Korte Nieuwstraat gelegen was. Van Lier was afkomstig uit Maarssen, waar hij parnassijn was. Toen de joodse gemeente in 1792 vierentwinig families telde, werd er omgekeken naar een ander huis voor de synagogediensten. Isaac Eliasar van Lier en twee andere leden van de joodse gemeente gingen "voor en ten behoeve van de Joodsche Natie binnen dese stad" op 21 december 1792 een huurcontract aan met Hendrik Hagen, eigenaar van een sinds jaren leegstaand gebouw, dat eerder als Doopsgezinde kerk dienst had gedaan. Dat gebouw stond-enigszins achteraf-aan de Springweg op de plaats van de huidige synagoge. Na vier jaar, op 13 oktober 1796, werd het huurcontract in een koopcontract omgezet. Het oudste reglement van de joodse gemeente dateert van 1794. Vergeleken met de reglementen van 1862 en later was het vrij bescheiden van omvang. In artikel 1 stond dat alleen personen die recht van inwoning in de stad Utrecht hadden, lid van de gemeente konden worden. De leiding van de gemeente was in handen van twee opzichters, van wie de één parnassijn (kerkmeester) en de ander penningmeester heette. Onwil om de functie van parnassijn te aanvaarden, werd bestraft met 25 gulden boete. Curieus is de volgende bepaling: "Niemand zal vermogen in de kerk te komen met beddejakken, japonnen of muylen op poene (boete) van gerevuseerd te worden uyt de kerk door de regeerende parnassijn." Bij ernstige ziekte van een lidmaat had de regerende parnassijn of de penningmeester de plicht te zorgen voor twee wakers. Bij overlijden van een lidmaat zorgde de parnassijn of de penningmeester er voor, dat twee personen en de koster de dode op de joodse begraafplaats ter aarde bestelden. In 1807 kocht de joodse gemeente grond voor een eigen begraafplaats bij de Rodebrug. Voordien werden de doden op het joodse kerkhof te Tienhoven begraven. Intussen waren de gevolgen van de Franse Revolutie ook tot Nederland doorgedrongen. Pas na vele debatten in de Nationale Vergadering was de emancipatie van de joden in september 1796 een feit. In 1798 volgden de scheiding van kerk en staat en de afschaffing van de overheersende positie van de Nederduitsch Gereformeerde Kerk. Tijdens de regering van Koning Lodewijk Napoleon, die de joden goed gezind was, kwamen de centralisatie en reglementering van de joodse gemeenschap tot stand. Bij koninklijk decreet van 12 september 1808 werd een opperconsistorie (hoogste kerkeraad) in het leven geroepen, dat toezicht moest houden op alle "Hollandsche Hoogduitsche Israëlietische Gemeenten". Het land werd verdeeld in consistoriale arrondissementen en Utrecht werd de hoofdplaats van het 5e arrondissement, dat ongeveer dezelfde grenzen had als de tegenwoordige provincie Utrecht. Ten behoeve van de joden liet Koning Lodewijk Napoleon zelfs de wekelijkse zaterdagse markt naar een andere dag verzetten. Keizer Napoleon, die in 1810 de macht in Nederland overnam, was de joden alleen goed gezind wanneer het hem uitkwam. In 1811 liet hij zich bepaald niet vleiend uit over de Hoogduitse joden, die door hun "woekerhandel en gokspelen" heel wat mensen ongelukkig gemaakt zouden hebben. Van Lier, die als leider van de Utrechtse joodse delegatie tijdens een audiëntie deze vooringenomen opmerkingen van de Franse keizer moest aanhoren, was zo verbijsterd, dat hij geen weerwoord had Hodenpijl, Napoleon in Nederland, blz. 62-63. . In 1814, onder het bewind van Koning Willem I, werd het "Israëlietisch Kergenootschap" opgericht. Het rijk werd verdeeld in twaalf synagogale ressorten en in ieder ressort werd een hoofdsynagoge aangewezen. De ressorten werden verdeeld in ringen, bestaande uit ringsynagogen en bijsynagogen. Aan het hoofd van iedere hoofdsynagoge kwam een opperrabbijn te staan, die toezicht hield op het godsdienstige leven in zijn ressort. Er kwam geen centraal lichaam, zoals voorheen het opperconsistorie; de hoofdsynagogen stonden rechtstreeks onder toezicht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Amersfoort werd hoofdsynagoge en Utrecht ringsynagoge. De andere ringsynagogen die onder het synagogaal ressort Amersfoort vielen, waren Maarssen, Wijk bij Duurstede en Veenendaal. Bijsynagogen waren Mijdrecht, Rhenen en IJsselstein. Het dagelijks bestuur van het synagogaal ressort Amersfoort was tevens kerkbestuur van de hoofdsynagoge Amersfoort. De ressortale vergadering werd gevormd door vijf leden van Amersfoort, vijf leden van Utrecht en één lid van de overige gemeenten. In 1870 werd het Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap opgericht, ter onderscheiding van het Portugees Israëlietisch Kerkgenootschap, dat zijn eigen weg ging. Aan het hoofd van het kerkgenootschap kwam een Centrale Commissie te staan, samengesteld uit vertegenwoordigers van alle hoofdsynagogen; drie leden van de Centrale Commissie vormden de Permanente Commissie, die de lopende zaken behandelde. Oorspronkelijk werd tijdens de gehele eredienst Hebreeuws gesproken. Pas in 1836, bij de viering van het 200-jarig bestaan van de Utrechtse universiteit, werd in de synagoge voor het eerst een preek in het Nederlands gehouden. Verontwaardigd lieten veel behoudende joden verstek gaan. Overigens waren de notulen van de kerkeraad-volgens een inventaris uit 1936-reeds vanaf 1817 in het Nederlands gesteld. De synagoge, die in 1819 verbouwd was, begon allerlei mankementen te vertonen. Het gebouw werd gesloopt en op dezelfde plaats werd op 3 juli 1848 met de herbouw van de nieuwe synagoge begonnen. Financiële steun kwam onder meer van Koning Willem II. Op 8 juni 1849 werd de nieuwe synagoge plechtig in gebruik gesteld. Vóór 1817 was in de synagoge een kamer ingericht voor het rituele bad (mikwe). In 1818 werd in een huis tegenover de synagoge een nieuw bad aangelegd. Dit nieuwe bad werd gebruikt door de dames van de geïmmatriculeerde (in het ledenregister ingeschreven) leden. De overige dames gebruikten het oude bad. Omdat op drukbezochte avonden nog wel eens ongeregeldheden voorkwamen, werd in 1827 een reglement opgesteld. Het bad is in de loop der jaren regelmatig verbouwd. Belangrijke mijlpalen voor de Israëlietische Gemeente in Utrecht waren de vieringen van het 100-jarig en 125-jarig bestaan in 1889 en 1914. In 1914 boden de gemeenteleden de kerkeraad de volledige elektrische verlichting van de synagoge als geschenk aan. In 1899 en 1924 vierde men het 50-jarig en 75-jarig inwijdingsfeest van de synagoge. In 1924 gebeurde dit nogal sober, omdat de plannen voor een nieuw te bouwen synagoge naar ontwerp van de architect Harry Elte Ph.Zn. al klaar lagen. Op 19 december 1926 werd de nieuwe synagoge aan de Springweg feestelijk ingewijd. In 1901 telde de joodse gemeente 700 leden. Dit aantal was in 1924 gegroeid tot 1067. Door de verstedelijking werden de joodse gemeenten in de omgeving van Utrecht opgeheven en bij de joodse gemeente van Utrecht gevoegd. Dat gebeurde in 1918 met IJsselstein, in 1920 met Vianen en in 1923 met Maarssen en Wijk bij Duurstede. In de jaren dertig en in de eerste oorlogsjaren kwam een grote stroom vluchtelingen Utrecht binnen, zodat het aantal joden in 1941 explosief gegroeid was tot 1906. Prominent binnen de Israëlietische gemeente in Utrecht waren de families Van Lier en Hamburger. Leden van deze families hebben veel bijgedragen tot de bloei van de joodse gemeente. Het behoeft geen betoog dat de Tweede Wereldoorlog dramatische gevolgen had voor de joodse gemeente. Vanaf 1940, toen de verbodsbepalingen voor de joden steeds talrijker werden, tot de laatste massale deportatie in april 1943, stond de gemeente onder grote druk. In mei 1943 werd de synagoge afgesloten en verzegeld. De Torarollen en rituele gebruiksvoorwerpen waren in Amsterdam en Utrecht in veiligheid gebracht. Op 10 mei 1945 werd de synagoge weer plechtig in gebruik genomen. De meeste Utrechtse joden hadden de oorlog echter niet overleefd. Exacte cijfers zijn niet bekend, maar de joodse gemeente van Utrecht telde in 1946 ongeveer 400 zielen, nog geen 25% van het ledental in 1941. Het merendeel van de overgebleven leden had ondergedoken gezeten; gering was het aantal joden dat de concentratiekampen overleefd had. In 1948 werd op de joodse begraafplaats een gedenkteken onthuld ter nagedachtenis aan de meer dan 1000 Utrechtse joden die in de oorlogsjaren waren omgebracht (zie pag. 51). Langzaam kwam de joodse gemeente na 1945 weer op gang. In 1966 telde Utrecht 412 joodse inwoners.
Functionarissen De kerkeraad benoemt, schorst en ontslaat de "kerkelijke ambtenaren" en stelt hun bezoldiging vast. Hun instructies worden door het kerkbestuur opgemaakt. De verschillende functies kunnen gecombineerd worden. In het reglement van 1862 wordt als een van de kerkelijke ambtenaren de "Predikant of Bagnal Darsan" (rabbijn) genoemd. Hij had onder meer tot taak de huwelijken in te zegenen, geestelijk toezicht te houden op de bakkerijen, de vleeshouwerijen en het rituele bad, advies te geven over zaken die tot zijn geestelijke bevoegdheid behoorden, vragen te beantwoorden en predikdiensten te houden. De functie van rabbijn werd in de 19de eeuw achtereenvolgens vervuld door Leib Glogau (1793-1818), M. Asser (1818-1835), S.L. Blaauw (1835-1874) en J. Hoofiën (1875-1886). De laatste was tevens godsdienstonderwijzer. Na het overlijden van Hoofiën in 1886 werd E. de Wolff, administrateur van het begraafcollege, als opvolger benoemd. In het reglement van 1921 komt de predikant niet meer als kerkelijke ambtenaar voor; wel wordt de opperrabbijn genoemd, die de godsdienstige taken binnen de gemeente overgenomen heeft. Dit zal te maken hebben met het feit, dat Utrecht in 1917 als hoofdsynagoge de standplaats van de opperrabbijn geworden was. De opperrabbijn werd benoemd door het synagogaal ressort (zie pag. 17) en was binnen het ressort de hoogste autoriteit in godsdienstige aangelegenheden. Omdat de opperrabbijn verschillende gemeenten moest leiden en dus niet altijd aanwezig kon zijn, stelde de kerkeraad een vervanger van de opperrabbijn aan. Deze vervanger-meestal leraar genoemd-had ook andere functies binnen de joodse gemeente. Na het overlijden van De Wolff in januari 1923 nam de voorzanger L. Engelsman de functie van leraar waar. In 1928 werd B. Abram aangesteld als onder meer vervanger van de opperrabbijn. Hij werd in 1930 opgevolgd door J. van Gelder, die tevens hoofd van de godsdienstschool en secretaris van de gemeente werd. Van Gelder vervulde deze belangrijke functies, totdat hij in 1970 naar Israël verhuisde. De secretaris fungeert volgens het reglement van 1947 als secretaris in de vergaderingen van de kerkeraad, van het kerkbestuur en van alle commissies die door deze colleges zijn benoemd. Met de betrokken voorzitter tekent hij alle uitgaande stukken van de kerkeraad, het kerkbestuur en de commissies. Verder houdt hij de registers van de gemeente bij, voert hij de correspondentie en zorgt hij voor de notulen en de jaarverslagen. De voorzanger (chazzan) moet alle kerkgangen bijwonen en de diensten leiden. Hij leest uit de Tora en neemt ook de gezongen gedeelten van de diensten voor zijn rekening. De sjocheet is belast met het ritueel slachten van vee en gevogelte. De opperrabbijn houdt hierop toezicht en examineert de sjocheet jaarlijks. Van de overige kerkelijke ambtenaren kan nog de koster genoemd worden; een van zijn vele taken is het samen met de voorzanger als getuige optreden bij de kerkelijke inzegening van ieder huwelijk.
Literatuur Dam, C. van. Jodenvervolging in de stad Utrecht. De Joodse Gemeenschap in de stad Utrecht, 1930-1950. Stichtse Historische Reeks/De Walburg Pers, 1985. Feestelijke herdenking van het honderdjarig bestaan der Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht. Utrecht, 1889. Goldberg, David J. e.a. The Jewish people: their history and their religion. Penguin Books Ltd., 1987. "Het 150-jarig bestaan van de Joodsche Gemeente te Utrecht". Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland, 16 feb 1939. Hillesum, J.M. e.a. Uit de geschiedenis der Joden in het synagogaal ressort Utrecht, 1918. (in: Orde bij de plechtige bevestiging van den Wel Eerwaarde Heer Justus Tal, GAU, archief N.I.G., inv.nr. 837). Hodenpijl, C.F.G. Napoleon in Nederland. Haarlem, 1904. Jansen, Gert-Jan. "De verhouding tussen joden en niet-joden in de stad Utrecht in de periode 1789-1824". Doctoraalscriptie economische en sociale geschiedenis, Instituut voor Geschiedenis, Rijksuniversiteit Utrecht, 1986. Meijer, Jaap, "Bibliografie van de geschriften van Dr. Jacob Zwarts". Bijlage van Habinjan, officieel orgaan van de P.I.G. te Amsterdam, No.3, 4e jaargang, januari 1951. Michman, Jozeph e.a. "Geschiedenis Utrecht uit Pinkas Hakehillot". Nederlandsch Israëlietische Gemeente Utrecht 200 jaar. Utrecht, 1989. Michman, Jozeph e.a. Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Ede/Antwerpen, 1992. Monasch, M. Over het ontstaan, de stichting en de oudste geschiedenis van de Joodsche gemeente te Utrecht. Utrecht, 1914. Nederlandsch Israëlietische Gemeente Utrecht 200 jaar. Utrecht, 1989. N.I.G.UN. Onafhankelijk maandblad: Nederlands Israëlietisch Gebeuren Utrecht Nu. Utrecht, 1982-. Pearl, Chaim e.a. Wegwijs in het Jodendom. Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap, Amsterdam, 1989. Poppers, A. "Uit de geschiedenis van de Joodsche Gemeente Utrecht". Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland, 3 dec 1931. Twee eeuwen joods leven in Utrecht. [Catalogus bij de] Tentoonstelling in het Utrechts Universiteitsmuseum, 1990. Zwarts, Jac. De synagogen te Utrecht, 1926. (GAU, archief N.I.G., inv.nr. 465) Zwarts, Jac. "De oudste geschiedenis der Joden te Utrecht". Jaarboekje Oud-Utrecht 1929. Zwarts, Jac. De archieven berustend onder het kerkbestuur der Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht. Utrecht, [1936]. Zwarts, Jac. "De beide oudste Synagogefeesten van Utrecht". Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland, 16 feb 1939. Zwarts, Jac. e.a. "Bij het 150-jarig bestaan der Joodsche gemeente te Utrecht". Nieuw Israëlietisch Weekblad, 26 mei 1939.
Godsdienst en gebruiken Een jood is diegene die uit een joodse moeder geboren is, alsmede diegene die krachtens de beslissing van een rabbinaal hof jood geworden is. Door de rabbijnen wordt het niet aangemoedigd om als niet-jood tot het jodendom toe te treden. Vóór de eigenlijke toetreding moet de man de besnijdenis ondergaan. Zowel mannen als vrouwen die joods willen worden, moeten zich onderdompelen in het mikwe. Bij synagogediensten wordt op een verhoging (de biema) uit de Tora (Wetsrol, de vijf Boeken van Mozes) voorgelezen, die tijdens de dienst plechtig uit de Heilige Arke gehaald wordt en daar tegen het einde van dienst weer wordt opgeborgen. Voor de Heilige Arke brandt onafgebroken een lamp, die het licht van de Tora symboliseert. Het voorlezen uit de Tora vindt-behalve op feestdagen-plaats op maandag-, donderdag- en Sjabbatmorgen. Pas wanneer er tenminste tien volwassen mannen aanwezig zijn, kan het gemeenschappelijk gebed volledig plaatsvinden. Men spreekt dan van minjan (quorum). Tijdens de synagogediensten staan de mannen en vrouwen van elkaar gescheiden. Gehuwde vrouwen moeten hun hoofdhaar bedekken. Ook de man heeft in de synagoge een hoofddeksel, een kiepa (keppeltje) of hoed. Het joodse jaar is een maanjaar en telt 354 dagen. Om met het zonnejaar van 365 dagen enigszins gelijk te komen (dit is van belang voor de seizoengebonden feestdagen), wordt zeven maal in negentien jaar een maand aan het maanjaar toegevoegd. De belangrijkste joodse feestdagen zijn: Pesach (het Paasfeest, waarmee de uittocht uit Egypte wordt herdacht in maart/april), Sjawoeot (Wekenfeest, waarmee de wetgeving op de berg Sinai en dus de schenking van de Tora wordt herdacht in mei/juni), Soekot (Loofhuttenfeest, waarmee de tocht door de woestijn naar het Beloofde Land wordt herdacht in september/oktober), Rosj Hasjana (Nieuwjaar in september/oktober) en Jom Kippoer (grote verzoendag in september/oktober). Bij de joodse kalender begint de dag niet te middernacht, maar bij het invallen van de duisternis. Sjabbat is een rustdag. Het is dan verboden om vuur of licht aan te maken, eten te koken, zich met vervoermiddelen te verplaatsen en lichamelijke arbeid te verrichten. Belangrijk zijn de Sjabbatvieringen in het huisgezin en in de synagoge. Ieder joods jongetje wordt op de achtste dag na zijn geboorte besneden en daarmee opgenomen in het zogenaamd Verbond van Abraham. Dit gebeurt door de mohel (besnijder) of een arts. Is een joodse jongen dertien jaar oud, dan wordt hij Bar Mitswa (zoon van het Gebod). In de synagoge wordt hij feestelijk opgenomen als volwaardig lid van de joodse gemeente. De jongen mag dan voor het eerst in de synagoge een deel uit de Torarol voorlezen. Bij de huwelijksceremonie staan bruid en bruidegom onder een choepa (baldakijn) of talliet (gebedskleed). Eerst wordt de huwelijksakte, een formulier met de namen van bruid en bruidegom, de verplichtingen van de man tegenover de vrouw en de bijzondere huwelijksvoorwaarden, voorgelezen. Vervolgens worden de zeven zegenspreuken over het huwelijk uitgesproken. Seksuele contacten zijn volgens de joodse voorschriften verboden tijdens de menstruatie van de vrouw en zeven dagen daarna; pas nadat de vrouw zich in het rituele bad heeft ondergedompeld, zijn deze contacten weer toegestaan. Overledenen wordt de laatste eer bewezen door hen te wassen (tahara) en in doodsklederen te kleden. Na de begrafenis rouwen de familieleden zeven dagen en ontvangen zij thuis, gezeten op lage stoeltjes of op kussens, de troostende vrienden. Gedurende de rouwperiode wordt door de rouwende familieleden het kaddiesj (heiliging) gebeden. De overlijdensdag van een familielid wordt jaarlijks herdacht door het ontsteken van een lampje, dat een etmaal blijft branden. De mannelijke rouwenden zeggen dan het kaddiesj-gebed in de synagoge. De spijswetten zijn voor de joodse gemeente van groot belang. Volgens deze wetten is het onder meer verboden bloed te eten en vlees en melk te vermengen; bovendien is het alleen geoorloofd vlees te eten van ritueel geslachte dieren die gespleten hoeven hebben en die herkauwen (bijvoorbeeld koeien en schapen; varkens en paarden zijn verboden).
Leden Om lid van de joodse gemeente te kunnen worden, moet men volgens het reglement van 1947 binnen het gebied van de kerkelijke gemeente wonen en een schriftelijk verzoek bij het kerkbestuur indienen. Men kan geen beroep doen op rechten verbonden aan het lidmaatschap, als men de financiële verplichtingen jegens de gemeente van de vorige woonplaats niet is nagekomen. Personen die niet besneden zijn of die gemengd gehuwd zijn (bijvoorbeeld met een christen) kunnen niet tot ereambten en bedieningen bij de gemeente gekozen worden. Vrouwen worden automatisch tegelijk met hun echtgenoot lid van de gemeente. Bij echtscheiding of bij overlijden van de man blijft de vrouw afzonderlijk lid, totdat zij hertrouwd is. Het recht op een vrije grafstede op de joodse begraafplaats wordt verkregen als men binnen één maand na vestiging binnen de gemeente Utrecht of binnen één maand na meerderjarigheid lid van de joodse gemeente geworden is. Bij verhuizing naar een andere gemeente bestaat de mogelijkheid honorair-lid te worden en op die manier de vrije grafstede op de joodse begraafplaats te behouden. Het onderhoud van de grafzerken is na een eenmalige betaling de zorg van de gemeente. Joodse begraafplaatsen worden niet geruimd, omdat geloofd wordt in de wederopstanding. Het opzeggen van het lidmaatschap kan slechts bij exploit van een deurwaarder. De kerkeraad heeft de bevoegdheid een lid te royeren in geval van wanbetaling of overtreding van een besluit van het kerkbestuur of een verordening van de kerkeraad. Om de begroting sluitend te krijgen, wordt jaarlijks een hoofdelijke omslag (kerkbelasting) geheven, te betalen door ieder lid van de gemeente. De hoogte van het bedrag wordt vastgesteld door de commissie van classificatie, bestaande uit twee leden van de kerkeraad en de penningmeester. Sinds 1976 geldt als hoofdelijke omslag 2% van het belastbaar inkomen. Bezwaarschriften tegen de hoogte van het bedrag worden behandeld door de commissie van doleantie, bestaande uit drie leden van de kerkeraad.
Armenzorg In 1789 had het stadsbestuur van Utrecht bedongen, dat de parnassijns de zorg zouden hebben voor armlastige joden. Er zal bij de joodse gemeente dus al vroeg een armenkas hebben bestaan. Pas vanaf 1846 kan men spreken van een aparte administratie van het armbestuur. Voordien werden de posten van het armwezen in de administratie van de joodse gemeente opgenomen. Het begrip armenzorg was intussen ook wat ruimer geworden. Aan de armen werd turf en brood gegeven. Met Pasen kregen de armen een matze (joods Paasbrood). Voor het bestuur was dit een hoogtijdag. De joodse bakkers konden inschrijven voor de levering van de matzes; de levering werd gegund aan de bakker met het voordeligste bod. De medicijnen voor arme zieken en de begrafeniskosten voor arme overledenen werden uit de armenkas betaald en doorreizende arme joden werden materieel geholpen. Bovendien werd gezorgd voor kosjer voedsel voor militairen en gevangenen. Het armbestuur heeft nauwe banden met de kerkeraad, omdat de drie bestuursleden voor twee jaar uit en door de kerkeraad worden benoemd.
Kerkeraad en kerkbestuur De kerkeraad, het hoogste bestuursorgaan van de joodse gemeente, bestaat volgens het reglement van 1947 uit 7 tot 15 leden, die voor zes jaar gekozen worden. Uit en door de kerkeraad worden een voorzitter en een vice-voorzitter benoemd. De kerkeraad benoemt, schorst en ontslaat de ambtenaren van de gemeente. Verder heeft de kerkeraad tot taak de begrotingen en jaarrekeningen goed te keuren, niet alleen van de gemeente zelf, maar ook van het begraafcollege "Gemieloeth Gasadiem", van het armbestuur en van joodse verenigingen en instellingen die subsidie van de gemeente krijgen. Door de kerkeraad wordt voor twee jaar een commissie van drie dames benoemd, die toezicht houdt op het gebruik van het rituele bad. De kerkeraad stelt ook de retributies voor het gebruik van het bad vast. Het kerkbestuur vormt het dagelijks bestuur en bestaat uit drie leden, die voor twee jaar uit en door de kerkeraad gekozen worden. Daarnaast wordt een assessor gekozen, die als plaatsvervanger van een afwezig lid van het kerkbestuur optreedt. De assessor wordt voor alle vergaderingen van het kerkbestuur opgeroepen en heeft in deze vergaderingen, behalve wanneer hij als plaatsvervanger van één van de drie leden optreedt, een adviserende stem. De drie leden van het kerkbestuur maken onder elkaar uit wie voorzitter, vice-voorzitter en penningmeester is. De voorzitter van de kerkeraad kan gelijktijdig voorzitter van het kerkbestuur zijn. Als dagelijks bestuur heeft het kerkbestuur uiteraard een omvangrijk takenpakket, dat in artikel 62 van het reglement van 1947 omschreven wordt. Een belangrijke taak betreft het beheer van de inkomsten en uitgaven; jaarlijks moeten de begroting en de rekening worden opgemaakt en ter goedkeuring worden aangeboden aan de kerkeraad. Andere taken van het kerkbestuur zijn o.a.: - toezicht op instellingen van weldadigheid en pieuze genootschappen binnen de gemeente, wanneer dat in hun reglementen expliciet is voorgeschreven; - toezicht op alle ambtenaren van de gemeente en het vaststellen van hun instructies; - verantwoordelijkheid voor de handhaving van de orde op de begraafplaats; - verantwoordelijkheid voor de orde tijdens de diensten in de synagoge; - administratief toezicht op het rituele bad.
Archieven Reeds in het oudste reglement van de Israëlietische Gemeente van Utrecht worden de archieven genoemd. Er werd een boete berekend van 25 gulden voor het ten onrechte in bezit hebben van een archiefstuk; toegang tot het archief hadden alleen de beide parnassijns. Jac. Zwarts (1899-1943), voorzanger en onderwijzer van de joodse gemeente, kreeg in 1933 de opdracht de archieven te inventariseren. Hij constateerde daarbij dat enkele (niet nader omschreven) archiefstukken uit het begin van de 19de eeuw, die hij tien jaar eerder nog aangetroffen had, zoek waren GAU, archief N.I.G., inleiding in inv.nr. 258. . Zwarts, die veel over de joodse gemeenschap gepubliceerd heeft Meijer, "Bibliografie van de geschriften van Dr. Jacob Zwarts". , kwam in 1936 met de inventaris gereed. In de oorlogsjaren is het grootste gedeelte van de archieven van de joodse gemeente door de Duitsers in beslag genomen. Gelukkig kwam een deel van dit materiaal in 1949 vanuit Praag terug naar Utrecht Notulen van de vergaderingen van het kerkbestuur d.d. 12 september, 19 september en 21 november 1949, GAU, archief N.I.G., inv.nr. 14, pag. 353, 357 en 363. Jaarverslag over 1949, blz.3. GAU, archief N.I.G., inv.nr. 166. Brief d.d. 14 april 1959 van J. van Gelder aan de Permanente Commissie tot de Algemene Zaken van het Ned. Isr. Kerkgenootschap te Amsterdam, GAU, archief N.I.G., inv.nr. 146 (onder letter P). . Veel belangrijke stukken zijn echter verloren gegaan, zoals het "protocollenboek" over de jaren 1794-1817, de notulen van de kerkeraad over de jaren 1817-1875, 1895-1902, 1910-1917, 1921-1933 en 1938-1949, de ingekomen brieven van het kerkbestuur over de jaren 1821-1850 en 1863-1887, het register van de geïmmatriculeerde leden over de jaren 1851-1901, het "bevolkingsregister" en de "burgerlijke stand" van vóór 1901, en het huwelijksregister over de jaren 1818-1922. In september 1990 besloot de kerkeraad de archieven aan de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht in bewaring te geven. Op 23 januari 1991 werd 20 m archiefmateriaal over de jaren 1789-1965 overgebracht en in september 1992 volgde nog een aanvulling van 7,5 m. Vanuit de bibliotheek van de Gemeentelijke Archiefdienst zijn reglementen en programma's van bijzondere godsdienstoefeningen naar de archieven overgeheveld. In de inventaris zijn eerst de archieven opgenomen van de colleges en instellingen die deel uitmaken van de Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht: kerkeraad en kerkbestuur, armbestuur, godsdienstschool en begraafcollege. De laatste drie instellingen worden expliciet in de statuten van 1947 genoemd. Daarna volgen de archieven van de diverse joodse verenigingen en instellingen, waarbij uit de onderverdeling blijkt of zij al of niet tot de joodse gemeente behoren. De volgorde is chronologisch, dat wil zeggen dat is uitgegaan van het jaar van oprichting of van het oudste archiefstuk. Nadere gegevens over de verenigingen en instellingen zijn-voor zover zij te achterhalen waren-in kopnoten opgenomen. De inventaris eindigt met de archieven van het synagogaal ressort van achtereenvolgens Amersfoort en Utrecht en met de archieven van opperrabbijnen. De archieven van het synagogaal ressort Amersfoort en van de opperrabbijnen M. Monasch (Amersfoort) en A. Schuster (Noord-Brabant) zijn te beschouwen als gedeponeerde archieven. De in de archieven aangetroffen brieven uit 1945 van de afdeling joodse zaken van het plaatselijk comité Utrecht van de Stichting Nederlands Volksherstel zijn overgebracht naar het archief van dit comité, dat eveneens bij de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht berust. Bank- en giro-afschriften, dubbelen en te recente stukken zijn teruggegeven aan de Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht. De uiteindelijke omvang van de archieven bedraagt 25 m. Stukken jonger dan 75 jaar kunnen slechts geraadpleegd worden met schriftelijke toestemming van de kerkeraad van de Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht. Dank gaat uit naar de kerkeraad van de Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht voor de bereidwilligheid om dit bijzondere archiefmateriaal aan de zorgen van de Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht toe te vertrouwen. De Archiefdienst is bovendien veel dank verschuldigd aan de heer J. Cahen van het Joods Historisch Museum voor zijn bemiddeling bij de inbewaringgeving van de archieven en aan mevrouw H. Romijn- Luteraan van de Nederlandsch Israëlietische Gemeente te Utrecht voor haar vele adviezen. augustus 1993, A.B.R. du Croo de Vries
Synagogaal ressort en opperrabbinaat Van 1816-1917 viel Utrecht onder het synagogaal ressort Amersfoort (zie pag. 9). In 1917 werd de hoofdsynagoge verplaatst naar Utrecht en sindsdien is er dus sprake van het synagogaal ressort Utrecht. Het dagelijks bestuur van het synagogaal ressort Utrecht wordt gevormd door de voorzitter, vice-voorzitter en thesaurier van de kerkeraad van de hoofdsynagoge. Het algemeen bestuur van het synagogaal ressort Utrecht is de ressortale vergadering. Naar deze vergadering vaardigen gemeenten met 200 zielen of minder één lid van de kerkeraad of het kerkbestuur af, gemeenten met 201-500 zielen twee leden en gemeenten met meer dan 500 zielen drie leden. Utrecht wordt vertegenwoordigd door tenminste vijf of ten hoogste elf leden. De voornaamste taak van een synagogaal ressort is het benoemen van een opperrabbijn. Deze heeft als standplaats de hoofdsynagoge en het is zijn taak toezicht te houden op het geestelijk leven van de joodse gemeenten binnen het ressort. Amersfoort had in de 19de eeuw slechts één eigen opperrabbijn: L.B. Schaap (1848-1859). Vóór diens benoeming namen S. Berenstein (opperrabbijn van Amsterdam) en diens zoon B.S. Berenstein het opperrabbinaat ad interim waar. Na L.B. Schaap waren er de volgende opperrabbijnen ad interim: J. Lehmans (1859-1876), B.S. Berenstein (1876-1895), T. Tal (1895-1899), T. Lewenstein (1899-1902) en J.D. Wijnkoop (1902-1904). In 1904 werd met het synagogaal ressort Drente overeengekomen om gezamenlijk één opperrabbijn aan te stellen. Opperrabbijn van de ressorten Amersfoort en Drente waren achtereenvolgens S.J.S. Hirsch (1904-1905), M. Monasch (1905-1915) en L. Wagenaar (1915-1917). Op 23 september 1917 werd Justus Tal (1881-1954) benoemd als opperrabbijn van de ressorten Utrecht en Drente; hij werd op 6 januari 1918 geïnstalleerd. Deze opperrrabbijn, die bekend stond als zeer orthodox en als tegenstander van het zionisme, zou het ressort Utrecht leiden in de moeilijke jaren 1940-1942. In 1942 moest hij op bevel van de Duitse bezetter Utrecht verlaten en in Amsterdam gaan wonen. Na de Tweede Wereldoorlog fungeerde hij daar als opperrabbijn. In 1955 werd Utrecht zetel van een nieuw opperrabbinaat voor alle ressorten, met uitzondering van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. In 1988 werd de naam "opperrabbinaat Utrecht" gewijzigd in "interprovinciaal opperrabbinaat"; de zetel van dit opperrabbinaat werd in 1990 gevestigd te Hilversum. Een tweede taak van een synagogaal ressort is het benoemen van afgevaardigden in de Centrale Commissie tot Algemene Zaken van het Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap (het landelijk bestuur), dat sinds 1870 bestaat. In 1986 werd het ressort Utrecht samengevoegd met alle andere ressorten behalve Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.
Begraafcollege "Gemieloeth Gasadiem" Het begraafcollege "Gemieloeth Gasadiem" (het betonen van naastenliefde) is vermoedelijk in 1814 ontstaan. In dat jaar werd namelijk een ambtenaar speciaal voor het college aangesteld. In 1927 werden de reglementen koninklijk goedgekeurd. Het begraafcollege is een onderdeel van de joodse gemeente. De voorzitter en penningmeester van het college zijn tevens lid van het kerkbestuur. Jaarlijks moet rekening en verantwoording worden afgelegd aan de kerkeraad. De statuten en de wijzigingen daarin dienen door de kerkeraad te worden goedgekeurd. Voor het verzorgen van begrafenissen moet het kerkbestuur eerst toestemming verlenen. Tevens bepaalt het kerkbestuur waar de overledene begraven zal worden. De grafzerken moeten aan bepaalde eisen voldoen en de erop aan te brengen tekst moet door het kerkbestuur en de opperrabbijn worden goedgekeurd.
Nederlandsch Israëlitische gemeente te Utrecht
Godsdienstonderwijs Godsdienstonderwijs zal reeds vanaf 1789 bestaan hebben binnen de joodse gemeente. Joden die het financieel goed hadden, lieten dit onderwijs aan huis geven. Speciaal voor de armen werd in 1821 een godsdienstschool opgericht. Men wilde op deze school naast godsdienstonderwijs ook gewoon onderwijs geven, omdat de kinderen dan niet van de ene naar de andere school hoefden te lopen. Op die manier ontstond in 1835 een Israëlietische Armenschool, die door de joodse gemeente werd bekostigd. Drie jaar later werd deze bijzondere vorm van onderwijs door het stadsbestuur van Utrecht erkend en kwam er gemeentesubsidie. De kerkeraad hechtte zoveel waarde aan deze vorm van onderwijs, dat zij van 1830-1848 de kerkekamer als schoolruimte afstond. Daarna werd een andere ruimte bij de synagoge als school ingericht. Omstreeks 1860 begon de belangstelling voor de Armenschool te tanen en veranderde zij weer in een godsdienstschool. In 1863 waren er 54 leerlingen en in 1911 73; in 1939 was het aantal leerlingen gedaald tot 35. De regeling van het godsdienstonderwijs kwam in 1917 in handen van de Vereeniging "De Utrechtsche Israëlietische Godsdienstschool". Deze vereniging moest in 1942 ontbonden worden. Na de Tweede Wereldoorlog benoemde de kerkeraad een Schoolcommissie.
Datum
1 januari 1789 - 1 januari 1979
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media