Louis Wijnbergen is op 31 oktober 1920 in Den Haag geboren als zoon van Simon Wijnbergen en Geertruida Wilhelmina Truus Knap. Zijn ouders wonen in de Badhuisweg 86, waar ook zijn broertje Jaap wordt geboren. In de zomer van 1925 verhuist het gezin naar de Berglustlaan 7 in Hilligersberg, waar hij in 1931 nog een zusje krijgt, Riejet. In 1933 verhuist het gezin naar de Nieuwe Haven 31, niet ver van de marinekazerne. Als daar tijdens de eerste oorlogsdagen een bom valt, moeten zij het gehavende huis aan de Nieuwe Haven verlaten. Daardoor ontlopen ze het bombardement van 14 mei 1940 maar zijn schoolboeken zijn verbrand. Toch kan Louis enkele weken later op het Erasmus Gymnasium zijn eindexamen doen. Hun huis is onbewoonbaar geworden, dus het gezin gaat terug naar Scheveningen en enkele weken later naar Hillegersberg. Louis heeft een aantal penvrienden, waardoor zijn Engels, Frans en Duits verbetert. Lou gaat chemische technologie in Delft studeren en correspondeert nog steeds met zijn penvriendin in Texas. Hij schrijft haar over de betekenis van de wiekstand van molens, maar die brief valt in Duitse handen. Hij wordt verdacht van spionage maar hij wordt vrijgelaten als hij de krant kan tonen waarin hij daarover had gelezen. Vanaf het voorjaar van 1941 mogen Joden niet meer studeren. Dat kan maar kort, want in het voorjaar van 1941 wordt de hogeschool voor Joden gesloten. In Rotterdam komt een Joodse technische school, waar hij kan lesgeven. Als ze een ster moeten dragen, duikt hij met zijn ouders en broertje onder. Lou, zijn broer Jaap en zijn vader Simon, die reserve-officier is, willen naar Engeland gaan om dienst te nemen. Een organisatie zal hen helpen voor 2.000 gulden per persoon. Als ze in Den Bosch aankomen, blijkt de groep te groot te zijn. Zijn ouders nemen Jaap mee en Lou reist alleen verder. Bij Weert wordt hij over de grens gezet, samen met een echtpaar en een jongen die zich Ernst noemt. In België krijgt hij voor 200 gulden een Belgisch persoonsbewijs. Een priester helpt hen de Franse grens over. Bij Charlesville splitst het groepje zich. De jongens reizen samen verder. In de trein naar Nancy gaan ze in verschillende compartimenten zitten. Bij een controle in de trein wordt Ernst meegenomen. Ze hebben elkaar nooit meer gezien. In Nancy krijgt Lou een Frans paspoort, waarna hij naar Macon gaat. Iemand helpt hem op 30 oktober over de demarcatielijn. Hij loopt naar Lyon en neemt de trein naar Vichy, waar hij zich meldt bij een Nederlands bureau. Hij wordt naar een werkkamp in Châteauneuf-les-Bains gestuurd, waar hij moet houthakken. Op 11 november 1942 bezetten de Duitsers ook het vrije deel van Frankrijk. Lou wordt ziek en kan enkele weken later uit het ziekenhuis ontsnappen. Met Wim Immen, een Duitse Jood, komt hij op 23 december via Narbonne in Perpignan aan. De Nederlander Joop Kolkman, die in Perpignan een huis heeft waar vluchtelingen worden opgevangen, kan hem op dat moment niet helpen, omdat hij door de Duitsers in de gaten wordt gehouden. Ze zijn dus op zichzelf aangewezen. Op donderdag 24 december gaan ze vanuit Martin le Perthus de Pyreneeën over. Het was volle maan. In de vroege ochtend komen ze een herderin tegen, die hen bevestigt dat ze al in Spanje zijn. Ze duiken een hooiberg in en slapen tot de volgende ochtend. Onderweg naar Barcelona worden ze op zondagavond door de Guardia Civil aangehouden. In ruil voor Lou’s horloge en vulpen laten ze de jongens doorlopen. Dinsdagavond worden ze verraden en opnieuw gearresteerd. Met een vulpen en vulpotlood kopen ze weer hun vrijheid. Woensdag komen ze in Figueras aan. Vlak na het station springen ze op een goederentrein en treffen een treinbegeleider die wat Frans spreekt. Deze waarschuwt hen dat er Gerona een controle is maar dat hij hen daar zal helpen. Ze bereiken Barcelona en op 31 december meldt Lou zich bij Ary Kriens, de Nederlandse consul, die hem doorreispapieren geeft op naam van Louis Hendrik Wullings. In Madrid krijgt Lou een Nederlands paspoort op naam van Wullings (zie foto) en met een valse geboortedatum, 6 juni 1926. Hij is daardoor te jong voor de dienstplicht. In Cádiz gaat hij aan boord van de Cabo de Buena Esperanza, die hem op 10 februari 1943 op Curaçao afzet. Hij meldt zich voor de militaire dienst, met zijn echte naam en geboortedatum. Hij wil piloot worden, maar wordt wegens slechte ogen afgekeurd. Op 12 maart wordt hij overgeplaatst naar de Prinses Irene Brigade in Guelph, Canada. Op 24 juni komt hij met de Queen Mary in Liverpool aan. In Londen kiest hij weer voor de luchtmacht. Door een beetje te flirten met het meisje dat zijn ogen onderzoekt, wordt hij goedgekeurd. In Engeland hoort hij dat zijn ouders en broer veilig in Zwitserland zijn aangekomen. Hij komt op 12 juli bij de RAF. Na een eerste training in Scarborough en Desford wordt hij naar Alta in Canada gestuurd voor opleiding tot jachtvlieger. Op 4 juli 1944 wordt hij overgeplaatst naar Saskatoon voor meer training. Daarna gaat hij terug naar Engeland. Als sergeant-vlieger wordt hij naar het bevrijde Zuid-Nederland gestuurd. Hij komt op 5 april 1945 in Hoek van Holland aan en meldt zich op 8 april op vliegkamp Ypenburg. Hij verlaat de RAF in maart 1946. Op 3 september 1947 wordt hij met groot verlof gestuurd. Hij trouwt met Cornelia 'Cocky' Dijkman en krijgt vier kinderen. Tot zijn pensioen in 1985 werkt hij bij het familiebedrijf Mozes Knap & Zn. Lou Wijnbergen is de oprichter van RAFA, een club van Engelandvaarders die RAF-vlieger zijn geworden. In 1986 wordt de Probusclub Rotterdam/Hilligersberg opgericht. Lou wordt vicevoorzitter. Hij is in 1992 ziek geworden en op 21 juni 2000 ingeslapen.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders