Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud
Alle bronnen

Arnhem, 'Dampit-monument'

Het 'Dampit-monument' op Landgoed Bronbeek in Arnhem is opgericht ter nagedachtenis aan de getroffenen uit dit strafkamp dat in 1944 op Oost-Java door de Japanse bezetter werd ingericht voor jongens van 15 tot 18 jaar. De namen van de dertien geëxecuteerde Indische jongens luiden: Max Bodaan, Benny van Dam, Rudy van Drongelen, Walter van Ham, John Hedrich von Wiederhold, Pieter Jeekel, Boy Kitzmann, Frans Ligtenberg, Teddy Monfils, Bert Oosthout, Alex Patty, Carli de Roy van Zuydewijn en Pim Vogelpoel. Groeiende Japanse druk op Indo's vanaf 1943 Tijdens de Japanse bezetting is een groot deel van de Indo's buiten de Japanse interneringskampen gebleven. Dit heeft niet automatisch een betere situatie betekend dan in de kampen. Een aanzienlijk deel van de Indische gemeenschap raakte in armoedige levensomstandigheden. Het werk was overgenomen door Indonesiërs, lonen die voorheen door de Indische overheid en bedrijven werden betaald, waren weggevallen en de greep van de Japanners werd steeds beter voelbaar. Het Japanse beleid beoogde de Indo's als mede-Aziaten mee te krijgen in hun streven naar de Groot Aziatische Welvaartssfeer. Naarmate de oorlog voortging voerden de Japanners de druk op de Indo's op. Ze hadden daartoe het Kantor Oeroesan Peranakan (KOP) opgericht in juli 1943. De bezetter eiste meer arbeidsinzet en voedsel als bijdrage aan de oorlogvoering. In 1943 moesten Indo's zich opnieuw laten registreren en laten indelen in een systeem gebaseerd op de mate van gemengde afkomst. Ook moesten de Indo's zich beschouwen als peranakan (kinderen van het land) en niet als Belanda-Indo. Het Europese element moest geheel worden uitgewist. Het slechtere verloop van de oorlog dwong de Japanners in 1944 meer inzet te eisen van de bevolking. Jonge Indo's werd dringend verzocht mee te doen met de Djawa Hokokai (Organisatie voor Dienstbaarheid aan Java). De aanmeldingen waren zeer klein, een eventuele strijd tegen de Geallieerden bij een inval zagen de jonge Indo's niet zitten. Opmerkelijk is dat de bezetter lange tijd alleen het middel van de overtuiging en propaganda wilde gebruiken, geen harde dwangmiddelen. In de loop van 1944 veranderde dat met verplichte tewerkstellingen in werk- en trainingskampen, met name in Oost-Java. Deze inzet vond plaats onder de noemer latihan (oefening). Ondanks de opgevoerde druk van Japanse zijde en de daarmee samenhangende ontberingen, zijn de Japanners er niet in geslaagd de Indo's te laten opgaan in de Indonesische bevolking. Door min of meer passief verzet bleven de Indo's hun Europese identiteit behouden. Malang onder Japanse bezetting Malang en omgeving had zich vóór de oorlog ontwikkeld tot een welvarend gebied. De bodem leverde een grote productie op van rubber, cacao, koffie, suiker, kapok en groenten. In tegenstelling tot andere regio's waren hier veel planters van Indische afkomst. Malang was ook een bestuurlijk centrum en garnizoensplaats. De stad had in de loop van de twintigste eeuw een herkenbaar Europees karakter ontwikkeld. Het koele klimaat op grotere hoogte was aantrekkelijk voor Europeanen en economische activiteiten. Tijdens de bezetting maakten de Japanners de stad tot een belangrijke militaire plaats. Naar schatting waren er meer dan 3000 militairen gelegerd. De militaire politie Kenpeitai had het hoofdkwartier in de Christelijke MULO-school aan de Smeroestraat. Uit Japanse bronnen is naar voren gekomen dat de Kenpeitai in Malang een afwijkende opdracht had, vergeleken met in andere regio's. Dat had te maken met de Japanse verwachting dat geallieerde landingen op Java op de zuidoostkust zouden kunnen plaatsvinden. Een optimale verdediging betekende dat in ieder geval de streek rond Malang gezuiverd moest zijn van ondermijnende activiteiten. Het bergachtig gebied was zeer geschikt voor guerilla. De relatief grote Europese bevolking, van wie de meeste Indo's nog eens buiten de kampen waren gebleven vormde in Japanse ogen een extra veiligheidsrisico. Dit verklaart waarom de Kenpeitai erg actief was in opsporing en vervolging. In de beginperiode van de bezetting was er inderdaad ook aanleiding voor scherpe opsporing omdat er daadwerkelijke verzetsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Waaraan Indo-Europeanen hebben meegedaan. Er was een groep rond ir. A.G. Koops Dekker, overste J. Steyn van Hensbroek en E. Trouerbach. Contacten zouden er geweest zijn met de grote verzetsgroep van kapitein W.A. Meelhuyzen in Soerabaja. Deze groepen zijn in 1942 en 1943 opgespoord en uitgeschakeld door de Japanners. Deze achtergrond verklaart het enorme Japanse wantrouwen jegens de Indo's. Verplichte arbeid voor Indische jongens Onder het mom van de gezamenlijke opbouw van een nieuwe Javaanse samenleving en bescherming ervan, werden Indische jongens van 15 tot 25 jaar vanaf juni 1944 verplicht tewerkgesteld. Dat zou gebeuren in de vorm van latihan of oefeningen in ondernemingen. Deze bevonden zich in Telogosari, Lawang en op de onderneming Soember Gesing nabij de desa Dampit. In totaal zijn er zes latihan geweest (waarvan 4 in Soember Gesing) in de periode juni tot en met december 1944. De vier latihan waren die van 15 september, 3, 19 en 30 oktober. De groep van de latihan van 19 oktober werd verdeeld over vier groepen, genummerd naar Japanse telling: Dai-It (1), Dai-Ni (2), Dai-San (3) en Dai-Jong (4). Het totaal aantal jongens was ongeveer 250-300. Het vervoer ging per stoomtrein vanaf Malang en eindigde in Dampit. Vandaar was het nog zeven kilometer te voet naar Soember Gesing. Daar aangekomen moesten ze zich kaal laten knippen en werden ze verspreid over twee loodsen. In één loods zaten drie groepen en in het andere de laatst aangekomen groep. De werkzaamheden bestonden uit houthakken en men moest verplicht minimaal één kubieke meter per dag halen. De omstandigheden waren aanvankelijk redelijk, maar verslechterden snel vanaf de tweede lichting, Dai-Ni. Het was in de loodsen heet, er was veel stank door te weinig "toiletten"(tonnen) en daardoor overlopen van de tonnen. De regels werden strenger, het voedsel en water schaarser en de hygiëne ging zienderogen achteruit. Diarree en dysenterie , ondervoeding en uitputting heersten; medicijnen waren er niet. De kampleiding begon meer en strengere straffen uit te delen voor veelal vermeende overtredingen. Het kamp werd meer een strafkamp dan een werkkamp. In de vierde groep Dai-Jong moet de rol van een Europese voorman, L.A. Raas of Raes worden genoemd, zoon van een KNIL-onderofficier. Zijn optreden was hard en hij kreeg de bijnaam "de beul". Na de oorlog is hij veroordeeld tot gevangenisstraf. De gedwongen werkzaamheden op Soember Gesing hielden op per 21 december 1944. De reden hiervoor is niet duidelijk. De uitgeputte en zieke jongens gingen eerst per ossenkar naar Dampit en vervolgens met de stoomtrein naar huis of sommigen naar het ziekenhuis in Malang. De Dampit-affaire: de executie van 13 Indische jongens Het toenemende wantrouwen van de Japanners, waarschijnlijk nog eens versterkt door irritatie en frustratie over de onwilligheid van de Indo's, leidde tot meer beschuldigingen van illegale activiteiten en het oppakken van jonge Indische verdachten. Dat ging gepaard met harde verhoren, al dan niet met martelingen, en uiteindelijk gevangenisstraffen variërend van zeven jaar tot levenslang. In 13 gevallen hebben daadwerkelijk executies plaatsgevonden. Op 17 oktober 1944 hield de Politieke Inlichtingendienst (PID) 's morgensvroeg een razzia in Malang en pakte een groot aantal Indische jongens op. Ze werden ervan beschuldigd lichtsignalen te hebben gegeven aan overvliegende geallieerde vliegtuigen. Ook werden ze ervan verdacht een verzetsorganisatie te vormen. Opmerkelijk is dat er onder de gearresteerden nogal al wat jongens van de september-latihan zaten. Maar er waren ook andere jongens uit Malang opgepakt. Onder hen Benny van Dam, in wie de Japanners de leiding van een verzetsgroep zagen. De gevangenen kwamen terecht in de Lowokwaroe-gevangenis. De schaarse, beschikbare bronnen kunnen niet verklaren wat de precieze aanleiding tot de razzia is geweest. Historica Julika Vermolen geeft als aanleiding een tweetal branden, beide in loodsen op het terrein Soember Gesing. Deze branden waren ten tijde van een luchtalarm, wat de Japanners helemaal deed vermoeden dat ze bedoeld waren als signalen aan geallieerde vliegtuigen. De opgepakte jongens werden gemarteld tijdens de verhoren. Over de duur hiervan is weinig zeker. Zeker is dat zes jongens zijn bezweken tijdens of als gevolg van de verhoren. Hun namen: Jan Alexander Bekker, Rinus Eisbergen, Johnny de Groen, Theresius Willem Jacobus Liefheid, Hermanus Jacobus (Jopie) Mondt en Rudolf Ferdinand Hendrik (Hans) Nicolai. Pas op 4 juni 1945 werd de groep van vijftig arrestanten voorgeleid aan de krijgsraad in het gebouw van de Landraad in de Wilhelminastraat. Ze hadden vooraf afgesproken alles te ontkennen waarvan ze werden beschuldigd. In de Lowokwaroe-gevangenis moesten ze wachten op het verloop na de veroordeling. Van een lijst werden namen genoemd, waarna een dertiental jongens geblindeerd werd afgevoerd in een vrachtwagen, samen met zeventien Javanen, Chinezen en Ambonnezen. Later werd duidelijk dat de dertien zijn geëxecuteerd door onthoofding, waarschijnlijk in de Lowokwaroegevangenis. Julika Vermolen constateerde tijdens haar onderzoek onduidelijkheden zoals de vraag waarom een krijgsraad de zaak heeft behandeld en niet de strafrechter. Het lijkt erop dat de Japanners er een majeure veiligheidszaak van hebben gemaakt. Begrijpelijk gezien het slechte verloop van de oorlog en de dreiging van een geallieerde aanval op Java. De stoffelijke overschotten van de dertien jongens zijn in een massagraf terechtgekomen, dat pas ver na de oorlog is gevonden in Poedjon. In april 1951 heeft bijzetting plaatsgevonden op de erebegraafplaats Kembang Kuning in Surabaya. Oprichting Uit dit kamp zijn nog ongeveer zestig tot tachtig overlevenden bekend. Een aantal van hen heeft in 1995 de Stichting Strafkamp Dampit opgericht. Zij had als doel de Dampit-affaire te laten onderzoeken door een historicus. Dit resulteerde in het boek De Dampit-affaire . Tweede doel van de stichting was de fondsenwerving voor een gedenkteken. Onthulling Het monument is onthuld op 19 oktober 2001 door een familielid van de in het kamp Dampit terechtgestelde Bert Oosthout.

Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media
Deze website is bekroond met:Deze website is bekroond met 3 DIA awardsDeze website is bekroond met 4 Lovie awards