Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Institutionele toegang

Verantwoording van de bewerking archiefblokbenaming:4e District van de Arbeidsinspectie te Utrecht, 1941-1986 archiefbloknummer:5025-1 archiefbloklocatie:Het Utrechts Archief omvang:0,75 meter bewerkingsjaar:1996 Als uitvloeisel van het raamconvenant afgesloten op 22 september 1994 tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) zijn door de CAS in 1996 archief bewerkt van het 4e district van de Arbeidsinspectie te Utrecht die vallen onder het beleidsterrein arbeidsomstandigheden vallend onder de zorg van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Als basis voor de bewerking diende het rapport institutioneel onderzoek (RIO): ‘Ter bevordering van een menswaardige arbeid; rapport institutioneel onderzoek op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden, 1940-1993’. Voor de selectie werd gebruik gemaakt van het ‘Basis Selectie Document (BSD) beleidsterrein arbeidsomstandigheden, 1940-1993’. Voor de ondersteunende processen kon gebruik worden gemaakt van de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken behorende tot de archieven van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 16 januari 1967. De datering van het archiefblok is begrensd door het jaar waarin de eerste en het laatste stuk werden opgemaakt. Het eerste stuk werd opgemaakt in 1941 en het laatste stuk in 1986. Stukken van vóór 1940 zijn opgenomen in een klassieke inventaris. Voor de materiële staat van het archief is de bewerking uitgevoerd conform de brochure Om de kwaliteit van het behoud, normen ‘goede en geordende staat’, uitgave Beekhuis/Hol 1993 van de Rijksarchiefdienst/Pivot. Van de archiefbescheiden zijn alle metalen hechtmechanismen verwijderd. De oude mappen (omslagen) zijn vervangen door nieuwe zuurvrije omslagen. Op deze omslagen zijn etiketten geplakt waarop het nummer staat dat correspondeert met de nummers van de beschrijvingen in deze toegang. Als te bewaren is 0,75 meter aangewezen. Het te bewaren bestand is na bewerking overgebracht naar Het Utrechts Archief. Het vernietigen bestand is, na verkregen toestemming, conform het Rijksoverheidscontract overgebracht naar Van Gansewinkel Nederland BV en daar op de gebruikelijke manier vernietigd.
Literatuur Binneveld, H. (red.) Een zaak van vertrouwen. Arbeidsinspectie 1890-1990, `s Gravenhage 1991 Discussienota inzake een nieuwe werk- en rusttijdenregeling, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1984. Drongelen, J. van, De ontwikkeling van de Arbeidsinspectie in een veranderende wetgeving, Maastricht 1990 Geers, A.J.C.M., Recht en humanisering van de arbeid, Deventer 1988 Geers, A.J.C.M., J.K.M. Gevers, I.A.C. van Haren en H.J. van Zwam (red.), Arbeidsomstandigheden. Recht en praktijk, Deventer (jaar ?) (losbladig met diverse supplementen) Gier, H.G. de, 'Arbeidsomstandighedenrecht in Europees perspectief. Implementatie van EG-richtlijnen op het vlak van arbeidsomstandigheden en produktveiligheid'. Sociaal- en arbeidsrechtelijke reeks 27, Deventer 1991 Lamers, G., B. Sloot en O. Veldt, Arbeidstijdwetgeving in negen industriële landen. De vernieuwing van de Nederlandse arbeidstijdwetgeving in een internationaal perspectief, Nijmegen 1988 Ministeriële rapport vergunningenbeleid Arbeidswet 1919 (1987). Nederlandse staatswetten, editie Schuurman en Jordens nrs. 31, 49, 57, 107, 130, 141 en 150 Nieuwe grenzen aan arbeidsomstandigheden: Europese richtlijnen en hun invloed op de Nederlandse situatie, Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA), Amsterdam 1990 Roos, A.J. de, 'Honderd jaar Arbeidswet'. In: T. Beckers, H. Helmer en J. van Wezel (red.), De strijd om de tijd. Tijdsordening, politiek en burgerschap, Tilburg 1991 Staatsbladen en Staatscouranten, diverse nummers Steyger, E. 'Internationaal en Europees arbeidsomstandighedenrecht'. In: A.J.C.M. Geers (red.) Schets arbeidsomstandighedenrecht, Deventer 1991 Stoop, J. Geschiedenis van veiligheid en gezondheid in arbeidsomstandigheden in Nederland, Delft 1982 Zoest, A.C. van (red.), Arbeidsomstandighedenwet, `s Gravenhage 1980 (losbladig met diverse supplementen)
Het wettelijke kader Internationale regulering Internationale regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden was er vanaf een vroeg stadium. De langste traditie heeft de ILO. Zij kent drie hoofdorganen: de Internationale Arbeidsconferentie (IAC), de Raad van Beheer en het Internationaal Arbeidsbureau (IAB). De IAC bepaalt het algemeen beleid en is het wetgevend lichaam. Formeel worden de verdragen door de IAC afgesloten, maar het praktische werk wordt verricht door technische commissies. Jaarlijks komen de afgevaardigden van de lidstaten in tripartite delegaties in het kader van de IAC bijeen, maar er worden ook periodieke conferenties georganiseerd. De Raad van Beheer, gekozen door de IAC en eveneens tripartiet samengesteld, stelt de agenda van de jaarlijkse conferentie vast. Het IAB vormt het secretariaat van de permanente organisatie en heeft tot taak de IAC voor te bereiden, de naleving van de verdragen te controleren en voorstellen tot herziening te doen. In verband met de versnelling van het Europese integratieproces is de intensiteit van de Europese regelgeving op het beleidsterrein toegenomen. Uiteraard blijven de nationale staten het eerste en laatste woord houden, maar van belang is dat het gemeenschapsrecht rechtstreekse werking heeft en voorrang heeft boven nationaal recht. In dit verband kunnen worden genoemd het ESH en het Gemeenschapshandvest, maar de richtlijnen die op basis van het EEG-verdrag kunnen worden vastgesteld, blijken de belangrijkste internationale regels aangaande arbeidsomstandigheden. Op grond van het EEG-verdrag kunnen ook verordeningen (supranationale voorschriften die rechtstreeks bindend zijn in alle lidstaten) worden uitgevaardigd. Er zijn geen EG-verordeningen voor arbeidsomstandigheden, wel voor bijvoorbeeld de vervoersector, waarin tevens rij- en rusttijden worden bepaald. De richtlijnen zijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. De procedure voor de totstandkoming van EG-richtlijnen is vastgelegd in het EEG-verdrag. Het dagelijkse bestuur van de EG, de Europese Commissie (of: Commissie van de Europese Gemeenschappen) stelt actieprogramma's vast die de terreinen van het arbeidsomstandighedenbeleid aangeven, die de Commissie van zodanig belang acht dat zij het voornemen heeft om op die terreinen te komen met richtlijnen, aanbevelingen, etc. Richtlijnen moeten worden vastgesteld door de Raad van ministers (Europese Raad), het wetgevende lichaam gevormd door de regeringsleiders van de lidstaten van de EG, maar de Raad mag geen richtlijnen vaststellen zonder voorstel van de Commissie. Een voorgenomen richtlijn gaat na een uitvoerige advies- en overlegronde naar de Raad. Deze neemt een definitieve beslissing na behandeling van het voorstel door het Economisch en Sociaal Comité en het Europees Parlement. In 1980 werd de kaderrichtlijn ter bescherming van werknemers tegen chemische, fysische en biologische agentia aangenomen (Richtlijn 80/1107, Pb. 1980 L 327). Ter uitwerking van deze richtlijn zijn richtlijnen met bepalingen tegen specifieke agentia aangenomen (lood, asbest, lawaai). Sinds 1989 is een nieuwe kaderrichtlijn van kracht waarin de basisprincipes van het arbeidsveiligheidsbeleid zijn vastgelegd (Richtlijn 89/391 Pb. 1989 L 183). De richtlijn is in Nederland al grotendeels geïmplementeerd door de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1980, 664). Inmiddels zijn een aantal specifieke richtlijnen vastgesteld ter nadere invulling van de kaderrichtlijn en op grond van de Arbowet in de Nederlandse wetgeving ingepast. Nationale wet- en regelgeving De omvang van het onderzocht beleidsterrein en het aantal handelingen maakte het noodzakelijk één en ander op te delen in een drietal deelterreinen: - veiligheid, gezondheid en welzijn - veiligheid - arbeids- en rusttijden. Hiervoor is over het algemeen een scheiding aangehouden langs de lijnen van de wet, met andere woorden: de strekking van de wet is bepalend geweest voor de plaatsing van de handelingen die erop zijn gebaseerd. Veiligheid, gezondheid en welzijn Voor de oorlog zijn een aantal wetten tot stand gebracht die tot doel hadden de bescherming van specifieke beroepsgroepen en bedrijfstakken. Het ontstaan van deze wetten was mede te danken aan rapporten van de Arbeidsinspectie over misstanden in de sectoren. De Phosphorluciferwet (Stb. 1901, 133) was de eerste in deze rij. De wet stelt een absoluut verbod op witte fosfor, die de ziekte fosfornecrose veroorzaakte bij arbeiders die ermee omgingen. Alhoewel gedateerd is de wet nog steeds van kracht. Ook de Caissonwet (Stb. 1905, 143) kwam begin deze eeuw tot stand nadat de Arbeidsinspectie had geoordeeld dat een wettelijke regeling voor caissonarbeid nodig was om beroepsziekten te voorkomen . In 1967 werd de werkingssfeer verruimd en de citeertitel aangepast tot Wet op werken onder overdruk (Stb. 1968, 44). Het Caissonbesluit werd krachtens art. 47 van de Arbeidsomstandighedenwet op grond van die wet opnieuw vastgesteld. De Steenhouwerswet 1911 ging de voor de gezondheid schadelijke praktijken van het steenhouwersbedrijf tegen (silicose). De bestaande wetgeving (de Arbeidswet 1889 en de Veiligheidswet 1895) gaf onvoldoende mogelijkheden tot bescherming van de werknemers. Met de Steenhouwerswet 1921 (Stb. 1366) werden de normen aangepast aan de Arbeidswet 1919 en onderging de wet tevens een aantal inhoudelijke wijzigingen. De wet regelde zowel arbeids- en rusttijden als de veiligheidsgezondheidsaspecten. Na de oorlog liet de naleving van de regelgeving weinig te wensen over, hetgeen vooral kan worden toegeschreven aan de doorgevoerde mechanisatie in het steenhouwersbedrijf. In 1971 (effectief: 1 juli 1980) werd steenhouwersarbeid onder de werking van de Arbeidswet 1919 en de Veiligheidswet 1934 (vanaf 1983: Arbeidsomstandighedenwet) gebracht. De Stuwadoorswet (Stb. 1914, 486) heeft betrekking op werkzaamheden betreffende het brengen van goederen in of uit zeeschepen en bepaalde daarmee in verband staande werkzaamheden op het gebied van arbeids- en rusttijden, veiligheid en hygiëne. Bij de inwerkingtreding van de Arbeidsomstandighedenwet in 1983 werd het Veiligheidsbesluit Stuwadoorswet, met daarin bepalingen die veiligheid en hygiëne regelde vastgesteld krachtens die wet. Het Werktijdenbesluit bleef vastgesteld krachtens de Stuwadoorswet (zie het deelterrein arbeids- en rusttijden). De Huisarbeidswet (Stb. 1933, 597) moest naast arbeidsomstandigheden tevens arbeidsvoorwaarden (loonbepalingen) regelen. De wet is voor een belangrijk deel een dode letter gebleven. Met het van kracht worden van het Thuiswerkbesluit op grond van de Arbeidsomstandighedenwet, zal de Huisarbeidswet in 1994 worden ingetrokken. Een opmerkelijk geval in de periode voor de oorlog is de Röntgenstralenwet (Stb. 1931, 299). Door het toenemende gebruik van toestellen die röntgen- en daarmee gelijk te stellen nadelige straling uitzonden, achtte de regering het noodzakelijk om middels een vergunningenbeleid regelend in te grijpen om gevaren zoveel mogelijk te beperken. De wet en het erop gebaseerde Besluit lijken niet in werking te zijn getreden en werden bij de inwerkingtreding van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82) in 1970 ingetrokken. De strekking van de Veiligheidswet 1934 (Stb. 352) was het voorkomen en bestrijden van de gevaren voor ongevallen en het bevorderen van de gezondheid en de hygiëne bij arbeid in ondernemingen. Dit gebeurde door per sector (industrie, landbouw, binnenvaart en de zogenaamde restgroepen) nadere regels vast te stellen. Enkele van deze regels bestrijken alle vier de sectoren. De Veiligheidswet kan worden gekarakteriseerd als een raamwet gescheiden in vier sectoren, waarmee technische uitvoeringsvoorschriften werden vastgelegd in een groot aantal amvb's. Hierin werden specifieke voorschriften met betrekking tot bepaalde sectoren of arbeidsrisico's vastgelegd, die middels periodieke wijzigingen bij de tijd werden gehouden. Aldus ontstonden enige honderden voorschriften. De meeste van de op grond van de Veiligheidswet in de loop der jaren uitgevaardigde besluiten zijn tot op heden van kracht, maar worden sinds 1 januari 1983 geacht te zijn vastgesteld krachtens art. 47 van de Arbeidsomstandighedenwet. Voor arbeid verricht in praktijklokalen van onderwijsinrichtingen en in de vervoerssector is de Veiligheidswet tot onderscheidenlijk 1991 en 1992 van kracht gebleven. De strekking van de Silicosewet (Stb. 1951, 134) was het voorkomen en bestrijden van stoflongziekten, als silicose, veroorzaakt door het inademen van fijn verdeeld kwartsstof afkomstig van bijv. zandstralen of het bewerken van zandsteen, en asbestose, veroorzaakt door het inademen van asbeststof. De Veiligheidswet 1934 en de Steenhouwerswet 1921 kenden een aantal mogelijkheden om werknemers tegen de schadelijke invloeden van het inademen van stof te beschermen, maar zij bleken ondeugdelijk om gevaar voor longziekten voldoende tegen te gaan. De amvb's op basis van de Silicisowet werden krachtens art. 47 van de Arbeidsomstandighedenwet opnieuw vastgesteld. De Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1980, 664) geeft regels ter zake van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers in verband met de arbeid. Het is een raamwet die een centrale plaats inneemt op het gebied van de arbeidsomstandigheden-wetgeving. De wet geldt voor het gehele terrein van de arbeidsbescherming en trachtte een einde te maken aan de situatie van aparte wetgeving op een aantal deelterreinen (zie boven). Met de inwerkingtreding van de Arbeidsomstandighedenwet vervielen de Wet op werken onder overdruk (voorheen de Caissonwet) en de Silicosewet. Ook de Veiligheidswet werd grotendeels onder de werking van de Arbowet gebracht, hetgeen geheel voltooid was in 1992. In art. 47 van de Arbeidsomstandighedenwet werd een groot aantal amvb's, vastgesteld krachtens de oude wetten, opnieuw vastgesteld op grond van de nieuwe wet. De Arbowet is gefaseerd ingevoerd, hetgeen wil zeggen dat de artikelen op verschillende tijdstippen van kracht werden . Op 1 januari 1994 is de gewijzigde Arbowet in werking getreden, die als doel heeft de Nederlandse regelgeving in overeenstemming te brengen met de kaderrichtlijn (Richtlijn van 12 juni 1989 nr. 89/391) van de Raad van de Europese gemeenschappen inzake éénvormigheid van minimumregels voor veiligheid en gezondheid op het werk. Nog gewerkt wordt aan een nieuw arbobesluit waarin de huidige 30 besluiten moeten zijn ondergebracht. Veiligheid: De termen veiligheid, gezondheid en welzijn worden dikwijls in één adem genoemd. Toch is de benadering van de problematiek van veiligheid enigszins anders. Bij veiligheid gaat het om plotselinge, ongewenste gebeurtenissen die schade of letsel kunnen veroorzaken. Veiligheid wordt voor een belangrijk deel reeds behandeld op het deelterrein veiligheid, gezondheid en welzijn. Op het deelterrein veiligheid zullen we ons beperken tot veiligheid van machines en werktuigen, zoals dat is geregeld in de stoomwetgeving (Stb. 1896, 69 en Stb. 1953, 179) en de Wet op de gevaarlijke werktuigen (Stb. 1952, 104) . In de Stoomwetten wordt de Dienst voor het Stoomwezen aangewezen als instantie die toestellen moet keuren alvorens ze in gebruik worden genomen, alsook met regelmatige tussenpozen nadien. De Stoomwetten kunnen worden gekarakteriseerd als raamwetten. Het vaststellen van technische eisen en voorschriften waaraan stoom- en damptoestellen moeten voldoen, werd geregeld middels amvb's (de Stoombesluiten). De Stoomwet 1896 had uitsluitend betrekking op stoomtoestellen: technische installaties waarin water het medium was voor overdracht van warmte (energie). Conform de voortgeschreden technische ontwikkelingen werd de werking van de Stoomwet 1953 uitgebreid tot de damptoestellen: installaties waarin ook andere vloeistoffen als medium voor energie-opwekking worden gebruikt. Het karakter van beide soorten toestellen is hetzelfde en ook de gevaren die zij met zich brengen zijn van dezelfde aard. Reeds de oude Stoomwet hield rekening met keuringen van stoomtoestellen die uit het buitenland kwamen. Met de toegenomen Europese economische integratie trad dit aspect meer op de voorgrond. De EG stelde in 1976 een algemene richtlijn op over de onderlinge aanpassing van de wetgeving betreffende toestellen onder druk en keuringsmethoden voor deze toestellen (Richtlijn 76/767, Pb. nr. L 262/153). Met een ministeriële regeling (Stcrt. 1980, 18) werd uitvoering aan deze richtlijn gegeven. Het op de Veiligheidswet 1934 gebaseerde Veiligheidsbesluit gevaarlijke werktuigen (Stb. 1940, 842) was beperkt van opzet en werkingssfeer. Het besluit beperkte zich tot een zeker aantal werktuigen en toestellen en kende geen keuringsregeling. De Wet op de gevaarlijke werktuigen kent middels diverse besluiten een uitgebreidere werking en strekte zich uit van de meest eenvoudige tot zeer ingewikkelde technische voortbrengselen. De wet verbiedt een ieder beveiligingsmiddelen of als gevaarlijk aangewezen werktuigen, apparaten, e.d. ten verkoop voorhanden te hebben, af te leveren, te gebruiken of tentoon te stellen, die niet zijn voorzien van een certificaat van goedkeuring. Werktuigen waarvoor geen keuring is vereist moeten aan bepaalde normen voldoen. In de wet wordt de voorkeur gegeven aan niet-ambtelijke, aan te wijzen keuringsinstellingen . Arbeids- en rusttijden: De hoofdwet op dit deelterrein is de Arbeidswet 1919 (Stb. 624). Deze heeft als voornaamste strekking de arbeidsduur te beperken en de werknemers gedurende en na afloop van het werk voldoende rust en vrije tijd te garanderen. Binnen dit raam vallen eveneens voorschriften ter voorkoming of beperking van zondags- en nachtarbeid. De wet is sectoraal ingedeeld, de arbeids- en rusttijden voor de onderscheiden sectoren zijn geregeld bij amvb's. De voorschriften van de wet gelden niet voor soorten van arbeid waarvoor speciale wettelijke regelingen gelden. De Arbeidswet bevat ook regels ter bescherming van veiligheid en gezondheid van jeugdige arbeiders en vrouwen. De huidige wet onderscheidt arbeiders van 18 jaar of ouder en arbeiders beneden 18 jaar (jeugdige personen). In oudere versies van de Arbeidswet 1919 (met name het Arbeidsbesluit 1920) worden jeugdige personen en vrouwen als één groep beschouwd. Sinds de jaren zeventig worden vrouwen als arbeiders beschouwd en is hun aparte status in het kader van de emancipatie geleidelijk afgebouwd. Eén en ander werd in 1976 vastgelegd in de EG-richtlijn inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, die daarmee ook weerslag had op de wettelijke arbeidstijdbepalingen. In 1995 zal de nieuwe Arbeidstijdenwet alle bestaande regelgeving op het gebied van arbeids- en rusttijden gaan vervangen. Ook de werk- en rusttijdenregelingen in het vervoer zullen onder de wet komen te vallen. De Arbeidstijdenwet zal van toepassing zijn op alle sectoren van het bedrijfsleven en op het overheidspersoneel. Het onderscheid tussen de diverse economische sectoren komt te vervallen. In één Arbeidstijdenbesluit zullen diverse bijzondere regelingen worden uitgewerkt. Aparte regelingen zijn er ondermeer voor mijnarbeid (Mijnwet), zeelieden (Wet arbeids- en rusttijden zeescheepvaart, Stb. 1973, 380), steenhouwers (Steenhouwerswet), havenarbeiders (Stuwadoorswet) en het wegvervoer (Rijtijdenwet 1936, Stb. 802). De Mijnwet en de Wet arbeids- en rusttijden zeescheepvaart zullen worden behandeld in andere PIVOT-onderzoeken . De Steenhouwerswet wordt behandeld op het deelterrein veiligheid, gezondheid en welzijn. De arbeids- en rusttijden van deze beroepsgroep zijn sinds 1980 onder de werking van de Arbeidswet 1919 gebracht. Sinds de inwerkingtreding van de Arbeidsomstandighedenwet beperkt de Stuwadoorswet zich tot de regeling van arbeids- en rusttijden van arbeiders belast met het laden en lossen van zeeschepen, zoals geregeld in het Werktijdenbesluit Stuwadoorswet. De werk- en rusttijden van toonkunstenaars is in verschillende wettelijke kaders geregeld. Voor toonkunstenaars in horecagelegenheden is het geregeld in de Arbeidswet. Voor toonkunstenaars in bioscopen was dit tussen 1929-1941 ook het geval. Hun rusttijden werden vervolgens geregeld door de bezettingsregeling Besluit strekkende tot het verzekeren van een wekelijkse rustdag voor toonkunstenaars, die dans- en amusementsmuziek ten gehore brengen (Stcrt. 1941, 203), die in 1951 werd vervangen door een Wet (Stb. 281) die wat betreft naam en inhoud hetzelfde was. In de Rijtijdenwet 1936 (Stb. 802) werden bepalingen vastgesteld met als doel oververmoeidheid van bestuurders van motorrijtuigen tegen te gaan. Met deze bepalingen zouden én bestuurders worden beschermd tegen te lange rijtijden (arbeidersbescherming) én de verkeersveiligheid worden verhoogd. De Arbeidswet 1919 was als wettelijk instrument in zoverre ongeschikt dat hiermee alleen bestuurders in dienst van ondernemingen onder de bepalingen van de wet zouden worden gebracht. De Rijtijdenwet en de erop gebaseerde Rijtijdenbesluiten waren een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en de minister van Waterstaat. De uitvoering van de wet was opgedragen aan deze beide ministers, de Arbeidsinspectie (met betrekking tot het eigen vervoer) en de Rijksverkeersinspectie (idem voor beroepsvervoer). De minister van Sociale Zaken was de eerst ondertekende van de wet, tevens wordt in de considerans de arbeidersbescherming als eerste doel genoemd en behoort het vaststellen van arbeids- en rusttijden tot de taken van deze minister. Sinds 1969 zijn een aantal EEG-verordeningen tot stand gekomen op het terrein van het wegvervoer, waarin tevens bepalingen aangaande rij- en rusttijden zijn opgenomen. Deze zijn in de Nederlandse wetgeving verwerkt. Kaders buiten formele wet- en regelgeving Naast de formele wetgeving waarin arbeidsomstandigheden worden gereguleerd, worden regels gegeven middels de publikatie (P )bladen en (in mindere mate) de voorlichtings(V )bladen, die worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de directeur-generaal van de Arbeid en worden uitgegeven door de Arbeidsinspectie. Publikatiebladen zijn gebaseerd op wettelijke bepalingen en zijn derhalve richtinggevend en hanteerbaar binnen het kader van de wet. Door de in publikatiebladen gegeven aanwijzingen in acht te nemen, voldoet men naar het oordeel van de Arbeidsinspectie aan de wettelijke bepalingen. Voorlichtingsbladen zijn algemeen van aard en dragen een voorlichtend, indicatief karakter. Hierbij hoeft geen directe relatie met wetgeving te bestaan. De Arbeidsinspectie tracht bepaalde ontwikkelingen te stimuleren. De regels voor het toezicht op stoom- en damptoestellen zoals vastgelegd in de Stoomwet en het Stoombesluit. Om de deskundigheid en ervaring van districtshoofden van de Dienst voor het Stoomwezen omtrent de toestellen vast te leggen en te komen tot overeenkomstige eisen aan toestellen, zijn echter daarnaast normen vastgelegd in beleidsregels, genoemd de Regels voor toestellen onder druk. De Regels worden opgesteld door de Technische commissie voor toestellen onder druk en formeel vastgesteld door de directeur van de Dienst. De Regels hebben de status van richtlijn en kunnen worden omschreven als extern bekend gemaakte interne gedragsregels. Een belangrijk stimuleringsinstrument ter verbetering van arbeidsomstandigheden zijn de subsidieregelingen. Oorspronkelijk trachtte de overheid hiermee moeilijk vervulbare arbeidsplaatsen aantrekkelijker te maken, in de jaren tachtig is één en ander meer in het kader van een sociaal georiënteerd technologiebeleid gezet. De subsidieregeling arbeidsplaatsverbetering ging in 1975 van start en droeg oorspronkelijk een algemeen karakter. Er zijn later regelingen tot stand gekomen gericht op verbeteringen in een bepaalde sector of bedrijfstak, gericht op één enkele soort verbetering of gericht op het ontwikkelen van nieuwe verbeteringen. De subsidies werden door het directoraat-generaal van de Arbeid verstrekt. Actoren Op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden zijn verschillende actoren actief. Hieronder zullen worden opgesomd alle actoren die onder de werking van de Archiefwet 1962 vallen en waarvan handelingen zijn opgenomen. Van de actoren is een korte beschrijving opgenomen. De minister van Sociale Zaken: Bij beschikking van 8 juni 1933 (Stb. 311) wordt opgericht het ministerie van Sociale Zaken, waar het beleid inzake arbeidersbescherming (het latere arbeidsomstandighedenbeleid) werd ondergebracht. Het beleidsterrein is sinds 1933 ondergebracht bij de volgende ministeries: - Ministerie van Sociale Zaken, 1933-1951; - Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, 1951-1971 (Stb. 1951, 587); - Ministerie van Sociale Zaken, 1971-1981 (Stb. 1971, 451); - Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1981- (Stcrt. 1981, 177) Binnen de ministeries waren sinds 1940 met het beleidsterrein verschillende afdelingen belast. Tot 1942 was dit de afdeling Arbeid (-1942), vanaf dat jaar gesplitst in de afdeling Arbeid I (1942-1947) en de Afdeling Arbeid II (1942-1947). Van het beleidsterrein kwamen alleen de stoomwetaangelegenheden bij de afdeling Arbeid II. In 1947 werd Arbeid I omgezet in de afdeling Arbeidersbescherming (1947-1962) en Arbeid II in de afdeling Arbeidsverhoudingen (1947-1962). Sinds 1962 is het gehele beleidsterrein arbeidsomstandigheden ondergebracht bij de directie van de Arbeid, sinds 1964 genoemd directoraat-generaal van de Arbeid . Bij het directoraat-generaal zijn ondergebracht de Arbeidsinspectie, de Inspectie van de havenarbeid en de Dienst voor het Stoomwezen. De opperbevelhebber van land- en zeemacht: Met het uitroepen van de staat van oorlog werd het burgerlijk gezag overgedragen aan het militair gezag: de opperbevelhebber van land- en zeemacht (Stb. 1933, 246). De uitoefening van het hoogste regeringsgezag was van mei tot (formeel) 12 juni 1940 in handen van generaal Winkelman. Zijn besluiten traden terstond in werking (Stb. 1940, O 201). De secretaris-generaal van het departement van Sociale Zaken: De secretarissen-generaal zijn de hoogste ambtenaren op de ministeries. Gedurende de oorlog vervingen zij de ministers. In de Verordeningen van 29 mei en 21 juni 1940 kregen zij van de Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden, aan wie zij verantwoording schuldig waren, een aantal bevoegdheden. De vakministers: Het arbeidsomstandighedenbeleid kan beleidsterreinen van andere ministers betreden. Het arbobeleid zal dan tot stand moeten worden gebracht in overleg met de betreffende vakminister. Soms wordt de eerste verantwoordelijkheid voor het arbobeleid opgedragen aan de vakminister, bijvoorbeeld inzake mijnen (minister van Economische Zaken) of personeelsgroepen (minister van Defensie, minister van Binnenlandse Zaken). Op verschillende plaatsen in de wet is aan de minister opgedragen nadere regelgeving tot stand te brengen in samenspraak met een vakminister (ministers van Onderwijs, Justitie, Defensie, Verkeer en Waterstaat, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur). De directeur-generaal van de Arbeid: De directeur-generaal is sinds 1909 hoofd van dienst van de Arbeidsinspectie. Sinds 1962 is hij daarnaast belast met de ambtelijke leiding van het directoraat-generaal van de Arbeid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De directeur-generaal wordt voor de vervulling van zijn ambt ondermeer bijgestaan door enige gespecialiseerde ambtenaren. De Arbeidsinspectie: Het toezicht op de wetten vallende binnen het terrein van de arbeidersbescherming en de medewerking aan de uitvoering ervan is opgedragen aan de Arbeidsinspectie. Aldus heeft de Arbeidsinspectie een controlerende of adviserende taak bij een groot aantal wetten (ondermeer de Bestijdingsmiddelenwet, Wet gevaarlijke stoffen, Kernenergiewet, Hinderwet). De Arbeidsinspectie vindt zijn grondslag in de Arbeidswet 1919. In 1909 werd ter bevordering van de coördinatie van de districten een Centrale Dienst der Arbeidsinspectie ingesteld (Stb. 1909, 289) met aan het hoofd de directeur-generaal. Sinds 1962 is deze Dienst samengevoegd met de afdeling arbeidersbescherming en geworden tot het directoraat-generaal van de Arbeid. De organisatie van de Arbeidsinspectie is uitgewerkt in de organisatiebesluiten (sinds 1920). Als hoofd van de dienst is aangewezen een directeur-generaal van de Arbeid, belast met de leiding van en het toezicht op de dienst. Aan het hoofd van de districten staan de districtshoofden, toegevoegd zijn verschillende 'gespecialiseerde' ambtenaren die in gevallen hun toezichthoudende taak uitvoeren naast het districtshoofd. De Inspectie van de havenarbeid: De Inspectie van de havenarbeid heeft zijn wettelijke basis in de Stuwadoorswet en is belast met de handhaving van deze wet, maar is ook (mede)belast met de handhaving van bijvoorbeeld de Wet op de gevaarlijke werktuigen. De centrale leiding is opgedragen aan de directeur-generaal van de Arbeid. De Inspectie omvat (sinds 1937) de districten Amsterdam en Rotterdam onder leiding van twee districtshoofden. Sinds de jaren '50 zijn de hoofden van de Arbeidsinspectie in de districten Amsterdam en Rotterdam tevens districtshoofd van die districten van de Inspectie van de havenarbeid. Bij beschikking werden in 1991 (Stcrt. 250) de betreffende districten van de Arbeidsinspectie en de Inspectie van de havenarbeid met elkaar gelijkgetrokken en werd het Organisatiebesluit van de Inspectie van de havenarbeid gewijzigd. Hierdoor worden de werkzaamheden van de Inspectie sinds 1 januari 1992 door middel van een personele unie verricht door de Arbeidsinspectie. De Commissies van advies voor de havenarbeid: De adviescommissies werden ingesteld bij de Stuwadoorswet in de districten van de Inspectie voor de havenarbeid om gevraagd en ongevraagd adviezen te geven omtrent aangelegenheden betreffende de havenarbeid. De Dienst voor het Stoomwezen: De Dienst voor het Stoomwezen werd in 1855 bij Koninklijk Besluit ingesteld om de gevaren van stoomketels te beteugelen. De voornaamste taak van de Dienst is het uitvoeren van de Stoomwet. De Dienst heeft steeds meer bemoeienis gekregen met aanverwante doch buiten het terrein van de Stoomwet gelegen onderwerpen, zoals installaties waar explosiegevaar bestaat, waar gevaarlijke stoffen kunnen vrijkomen en de controle op nucleaire installaties. Voor de bemoeienis van de Dienst buiten de Stoomwet is sprake van dienstverlening aan diverse beleidsvoerende instanties. De Dienst treedt in die gevallen niet op als vergunningverlenende instantie. Er wordt samengewerkt met de ministeries van VROM, Economische Zaken, Verkeer en Waterstaat en WVC. Daarnaast zijn er contacten met lagere overheden en private instellingen. De directeur van de Dienst voor het Stoomwezen is belast met de leiding van en het toezicht op de Dienst. Aan hem zijn ambtenaren toegevoegd en zijn ambtskring omvat het gehele koninkrijk. De districtshoofden oefenen het toezicht uit in hun districten, ook aan hen zijn ambtenaren toegevoegd. De Commissie van beoordeling: De commissie werd ook wel genoemd de commissie van hoger beroep. Zij werd in de Stoomwet 1896 overgenomen uit de Stoomwet 1869, maar keerde in de Stoomwet 1953 niet terug. Bij deze commissie kom men in beroep komen tegen beslissingen van ambtenaren van de Dienst voor het Stoomwezen. Technische commissie voor toestellen onder druk: De Commissie is een technisch adviesorgaan van de directeur van de Dienst voor het Stoomwezen en wordt gevormd door ambtenaren van die dienst en deskundigen uit het bedrijfsleven. De Voorlopige Arbeidsraad en de Arboraad: De Voorlopige Arbeidsraad was de voorloper van de Arboraad. De Voorlopige Arbeidsraad werd ingesteld bij beschikking (Stcrt. 1980, 14) en adviseerde tussen 1980 en 1982 de minister van Sociale Zaken terzake van de gefaseerde invoering van de Arbeidsomstandighedenwet en (beleids)aangelegenheden in verband met de bevordering van arbeidsomstandigheden. De Arboraad werd middels de Arbeidsomstandighedenwet (art. 43) in het leven geroepen. Deze tripartite raad fungeerde als zelfstandig adviesorgaan aan de minister van Sociale Zaken inzake het arbeidsomstandighedenbeleid. De Arboraad heeft een groot aantal commissies ingesteld die voor de Raad voorbereidende werkzaamheden verrichten, danwel namens de Raad aan de minister advies uitbrengen. Per april 1993 zijn de taken van de Arboraad overgedragen aan de Commissie Arbeidsomstandigheden van de Sociaal-Economische Raad (SER). De Commissie Bezwaarschriften is als enige tot 1 januari 1994 blijven fungeren. Het College voor bijstand en advies: De adviestaken van het College vonden hun basis in de Veiligheidswet en de Stuwadoorswet en strekten tot bevordering van de bedrijfsgeneeskunde. Van 1961 tot 1982 fungeerde het college als zelfstandig adviesorgaan, sindsdien is het onderdeel van de Arboraad en wordt namens de Arboraad rechtstreeks advies gegeven aan de minister. Ingevolge het Mijnreglement 1964 en het Mijnreglement continentaal plat rusten voor de mijnindustrie dezelfde taken op het college. Zij was dan adviesorgaan van de minister van Economische Zaken. Centrale huisarbeidscommissies: In de centrale huisarbeidscommissies dienden werknemers en werkgevers per bedrijfstak overleg te voeren. De adviescommissie voor het Zandsteenbesluit: De adviescommissie had haar basis in de Silicosewet en werd door de minister ingesteld (Stcrt. 1952, 8) met als taak de districtshoofden van de Arbeidsinspectie te adviseren omtrent ontheffingen van verbodsbepalingen in het Zandsteenbesluit. Bij beschikking van 13 juni 1986 (Stcrt. 130) werden de taken van de commissie overgedragen aan de in 1985 ingestelde Zandsteencommissie van de Arboraad. De adviescommissie Asbestbesluit: De adviescommissie had haar basis in de Silicosewet en werd door de minister ingesteld (Stcrt. 1977, 221) om de districtshoofden van de Arbeidsinspectie te adviseren omtrent ontheffingen van het bepaalde in het Asbestbesluit. Tevens diende de minister te worden geadviseerd met betrekking tot algemene aspecten van het ten aanzien van asbest te voeren beleid. Bij beschikking van 13 juni 1986 (Stcrt. 130) werden de taken van de commissie overgedragen aan de in 1985 ingestelde Asbestcommissie van de Arboraad. In 1989 werd de commissie opgeheven. De herkeuringscommissie arbeidsomstandighedenwet: De commissie werd ingesteld bij het Herkeuringsbesluit arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1992, 90). De leden (artsen) worden door de minister benoemd om uitspraken te doen in verzoeken van werknemers om medische herkeuringen. Het secretariaat van de commissie berust bij het directoraat-generaal van de Arbeid. De Scheepvaartinspectie: De Scheepvaartinspectie vindt zijn grondslag in de Schepenwet (Stb. 1909, 219) en ressorteert onder de minister van Verkeer en Waterstaat. De inspectie heeft als taak het houden van toezicht op alle schepen en verricht uit hoofde van die taak enkele handelingen op grond van de Wet op de gevaarlijke werktuigen en de Arbeidsomstandighedenwet. Aan het hoofd van de Scheepvaartinspectie staat de inspecteur-generaal . De Luchtvaartinspectie: De Luchtvaartinspectie is onderdeel van de Rijksluchtvaartdienst, die ressorteert onder de minister van Verkeer en Waterstaat. De Rijksluchtvaartdienst is belast met de uitvoering van wetten en regelingen betreffende de burgerluchtvaart. Aan het hoofd van de dienst staat de directeur-generaal . Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet worden aan de Luchtvaartinspectie enige bevoegdheden toebedeeld. De Rijksverkeersinspectie: De Rijksverkeersinspectie ressorteert onder de minister van Verkeer en Waterstaat. De ambtenaren van deze inspectie hebben opsporingsbevoegdheid van strafbare feiten uit de Rijtijdenwet 1936. Het Staatstoezicht op de mijnen: Het Staatstoezicht op de mijnen ressorteert onder de minister van Economische Zaken en is belast met de zorg voor de naleving van de mijnwetgeving, waarin ondermeer voorschriften in het belang van de veiligheid en de gezondheid van mijnarbeiders zijn gegeven. De Wet gevaarlijke werktuigen kent enige bevoegdheden toe aan de inspecteur-generaal als het hoofd van het Staatstoezicht. De Rijksgeneeskundigedienst: De werkzaamheden van de Rijksgeneeskundigedienst werden per 1 januari 1953 (Stb. 1952, 636) door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid overgedragen aan de zorg van de minister van Binnenlandse Zaken. De Rijksgeneeskundigedienst is belast met geneeskundige werkzaamheden van diverse aard. Aldus wijst de dienst op grond van de Rijtijdenwet 1936 keuringsartsen aan. De inspectie der invoerrechten en accijnzen: De inspectie is een dienst van de directie (momenteel directoraat-generaal) belastingen van het ministerie van Financiën. Op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden heeft de inspectie opsporingsbevoegdheid op basis van de Phosphorluciferwet. Benzinecommissie 1927: De Benzinecommissie was een interdepartementale commissie die tussen 1927 en 1969 adviezen uitbracht aan de minister van Sociale Zaken en de minister van Verkeer en Waterstaat omtrent de opslag en het vervoer van vloeibare brandstoffen en daatomtrent te nemen veiligheidsmaatregelen. De commissie bracht richtlijnen uit. Commissie opslag gevaarlijke stoffen: De commissie fungeerde tussen 1969 en 1975 als 'opvolger' van de Benzinecommissie voor de minister van Sociale Zaken (en Volksgezondheid) met betrekking tot opslag van gevaarlijke stoffen zoals gedefinieerd in de Wet op de gevaarlijke stoffen en maatregelen te nemen om gevaren daaromtrent te beperken. Commissie preventie van rampen door gevaarlijke stoffen: Deze interdepartementale commissie fungeert sinds 1964 en bestudeert ten behoeve van de ministers van Sociale Zaken, Binnenlandse Zaken en tevens voor de ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat maatregelen ter voorkoming van ongevallen, dan wel het beperken van risico's bij het omgaan met gevaarlijke stoffen. Voorlopige adviescommissie uitvoering Rijtijdenwet 1936 (Adviescommissie rijtijden): Sinds 1978 adviseert de commissie de minister van Sociale Zaken en de minister van Verkeer en Waterstaat over alle onderwerpen betreffende de uitvoering van de Rijtijdenwet 1936. Commissie van onderzoek naar de arbeidstoestanden in het binnenscheepvaartbedrijf: Sinds 1938 is dit een interdepartementaal adviesorgaan van de ministers van Sociale Zaken en Verkeer en Waterstaat op het terrein van sociale maatregelen in het goederenvervoer in de binnenvaart. Werkgroep van deskundigen: De Werkgroep brengt gezondheidskundige adviezen uit, tot 1985 aan de nationale MAC-commissie, daarna aan de directeur-generaal van de Arbeid. Nationale MAC-commissie: De commissie adviseerde tot 1985 zelfstandig aan de directeur-generaal van de Arbeid omtrent maximaal aanvaardbare concentraties van schadelijke stoffen (MAC-waarden) in het arbeidsmilieu. Sinds is de commissie vervangen door een commissie van de Arboraad, genaamd de Commissie grenswaarden gezondheidsschadelijke stoffen, die de minister adviseert namens de Arboraad over dit onderwerp. Commissie arbeidsgezondheidskundig onderzoek (CARGO): De Commissie adviseert de directeur-generaal van de Arbeid inzake programma's voor onderzoek die het directoraat-generaal van de Arbeid voornemens is te laten uitvoeren op het gebied van arbeid en gezondheid. Voorts zijn er een aantal actoren die een rol spelen op het beleidsterrein arbeidsomstandigheden, maar waarvan geen handelingen zijn beschreven omdat zij onderwerp zijn van andere PIVOT-onderzoeken (1), omdat zij buiten de grenzen van het PIVOT-onderzoek vallen (2) of omdat zij geen actief handelende partijen zijn op het beschreven beleidsterrein (3). - de ministerraad (1) - de Staten-Generaal (1) - de Raad van State (1) - de Sociaal-Economische Raad (1) - de regionale Inspecteurs van de Volksgezondheid (1 en 3) - de geneeskundig inspecteur van het ministerie van Justitie (1 en 3) - de districtsinspecteur voor het Brandweerwezen (1 en 3) - burgemeester en wethouders (2) - Gedeputeerde Staten (2) - personen en instanties belast met algemene opsporingstaken, zoals politie en marechaussee (1) - de president van de arrondissementsrechtbank (1) - personen en instellingen in bedrijven of inrichtingen belast met arbozaken (2) - Nederlands Instituut voor Arbeidsomstandigheden (NIA), ontstaan uit het Veiligheidsinstituut en de Stichting Coördinatie van Communicatie met betrekking tot gegevens voor Onderzoek inzake Ziekteverzuim (CCOZ) (2)
Gebruiksaanwijzing In deze Toegang worden de archiefstukken beschreven die de schriftelijke neerslag zijn van het beleidsterrein Arbeidsomstandigheden. Wilt u snel en efficiënt de Toegang gebruiken, dan is het aan te raden eerst de inleiding door te lezen. Hierin staan namelijk beschreven de ontwikkeling van het beleidsterrein, alle actoren, hun handelingen en hun onderlinge relaties. De historisch meest waardevolle bestanden op het beleidsterrein Arbeidsomstandigheden, ongeacht welk overheidsorgaan ze heeft gevormd, zijn in deze Toegang bijeengebracht. Met een beleidsterrein wordt bedoeld een afgebakend onderwerp van overheidsbemoeienis, in dit geval dus Arbeidsomstandigheden. Op een beleidsterrein treden meerdere actoren handelend op. Een actor is een overheidsinstelling die bevoegd is zelfstandig op te treden (bijvoorbeeld een Minister) binnen het beleidsterrein. Wilt u archiefbescheiden zoeken betreffende een bepaald onderwerp, dan is het van belang dat u zich eerst afvraagt op welk beleidsterrein uw vraag betrekking heeft en welke actor zich bezig heeft gehouden met uw onderzoeksvraag. Daarna moet u zich afvragen op welke handeling van de door u gevonden actor uw onderzoeksvraag betrekking heeft. Een handeling wordt door een actor verricht ter uitvoering van een taak of op grond van een bevoegdheid. U ziet in de Toegang bij de gevonden handeling betreffende uw onderwerp één of meerdere dossiers opgesomd. De combinatie tussen de omschrijving van de handeling en de dossieromschrijving moet een antwoord op uw vraag geven. Het is mogelijk dat u een handeling zoekt die niet in deze Toegang is opgenomen; er zijn dan een aantal mogelijkheden: - bij de handeling zijn geen dossiers gevonden. De handeling wordt dan niet opgenomen in de Toegang. - de neerslag van de handeling is vernietigd of op termijn te vernietigen. U kunt dit checken door het Basis Selectie Document (BSD) over dit beleidsterrein te raadplegen. In een BSD wordt aangegeven welke neerslag van de handelingen wel of niet bewaard wordt. Het BSD bevindt zich op de studiezaal. VOORBEELD: Hoe vindt u zo snel mogelijk een antwoord op uw onderzoeksvraag? 1. Weet u zeker dat uw vraag betrekking heeft op het beleidsterrein dat in de Toegang staat beschreven? 2. Zoek de handleiding die naar uw mening het best uw onderzoeksvraag dekt. 3. Onder de handeling staan de desbetreffende dossiers opgesomd. Boven de dossiers wordt in een kopbeschrijving het organisatie-onderdeel vermeld dat de dossiers gevormd heeft. Betreft het een organisatie uit de provincie, dan zult u de desbetreffende dossiers bij het Rijksarchief in die provincie moeten aanvragen. De “locatie” van de dossiers wordt overigens achter het organisatie-onderdeel vermeld. Links voor de omschrijving van het dossier staat het inventarisnummer. 4. Opvragen van een dossier: rechtsboven op de pagina wordt het nummer van de toegang Onderzoeksvraag: hoe zijn arbeidsomstandigheden op het gebied van Toonkunstenaars geregeld? - Op welk beleidsterrein speelt het besluit een rol? Op het terrein van de arbeidsomstandigheden. - Welke handeling betreft het? Handeling 0006: Het voorbereiden van nieuwe wetgeving aangaande arbeidsomstandigheden of het wijzigen of herzien van bestaande wetgeving. - Welk dossier moet ik aanvragen? Dossier Wet Wekelijkse Rustdag Toonkunstenaars, 1988. - Welk inventarisnummer? Inventarisnummer 903. - Hoe vraag ik het dossier op? Met het nummer van de toegang: 5.024.5059. Typ vervolgens het gewenste inventarisnummer in. Dit nummer kunt u links van de beschrijving vinden. In dit geval is het inventarisnummer 903. Deze Toegang is een momentopname. Niet alle organisatie-onderdelen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben nu reeds daadwerkelijk hun archieven overgedragen aan de Rijksarchiefdienst. Bij de organisatie-onderdelen die hun archieven nog niet hebben overgedragen, kunt u om informatie vragen over de aanwezigheid van de door u gewenste archiefbescheiden.
Rijksoverheid en arbeidsomstandigheden Het historisch perspectief De bescherming van de individuele burger door de overheid tegen fabrieksgevaren was gedurende de 19e eeuw geen uitzonderlijke zaak . Het betrof echter uitsluitend externe veiligheid, voor bescherming binnen bedrijven werden nog geen maatregelen getroffen. Deze kwamen pas in de late 19e eeuw tot stand en waren, evenals elders in Europa, verbonden met het op gang komen van de industrialisatie. Met wetgeving werd getracht een antwoord te geven op de problemen die de fabrieksgewijze produktie, zoals mechanisatie, nieuwe produktieprocessen, gevaarlijke, ongezonde werkomstandigheden en het rechtstreekse gezag van de ondernemer, met zich meebracht. De eerste aandacht voor bescherming tegen gevaren gedurende de arbeid kwam van de ondernemers en burgers uit de gegoede stand tegen kinder- en vrouwenarbeid. In eerst instantie hield de regering het treffen van wettelijke maatregelen af. De Kinderwet van 1874 was het resultaat van het initiatief van de parlementariër Van Houten. Ook de enquête uit 1886 naar de naleving van de Kinderwet, werd op verzoek van het parlement gehouden. De wantoestanden die hierdoor aan het licht kwamen en de groeiende belangstelling voor de toestand van de arbeidende klasse van geneeskundige zijde, de druk uitgeoefend door de opkomende vakbeweging, de sociale onrust en sociale bewogenheid bij liberaal-progressieve burgers en ondernemers, noopten de rijksoverheid tot een actiever beleid middels nadere regelgeving en controle op de naleving ervan. De bescherming van veiligheid en gezondheid bij het werk en de regeling der arbeidstijden, verzelfstandigde sindsdien geleidelijk tot een eigen gebied van overheidsbemoeienis en wetgeving. De Arbeidswet van 1889 kwam tot stand onder invloed van de schrijnende rapportage van de parlementaire enquêtecommissie-Goeman-Borgesius (1886-1887). Deze eerste Arbeidswet was gericht op een beperking van de arbeidstijd en de bescherming van kinderen, jeugdigen en vrouwen tegen de risico's van het werk zelf. De wet verbood arbeid voor kinderen onder de 12 jaar, beperkte de arbeidstijd voor jeugdigen en vrouwen tot maximaal 11 uur per dag, bovendien mochten zij geen arbeid op zondag verrichten. De wet gold uitsluitend voor fabrieken en werkplaatsen. Met de Arbeidswet 1889 werd tevens de Arbeidsinspectie ingesteld. De taken en bevoegdheden, zoals toezicht op naleving van de wet en het uitbrengen van adviezen aan de minister, werden in de Arbeidswet vastgelegd. Voor het toezicht op de naleving van de arbeidswetgeving was de Arbeidsinspectie mede afhankelijk van de gemeentepolitie, de rijksveldwacht en de marechaussee. Al snel hierna kwam specifieke een arbeidsveiligheidswetgeving, die ook de volwassen, mannelijke arbeiders tot de doelgroep rekende, tot stand. De gezondheid van de werknemer als een door de werkgever te beschermen goed werd erkend. De Veiligheidswet van 1895 was een algemene arbeidsveiligheidswet, een wet die de gehele industrie of een groot deel daarvan bestreek en gericht was op de bescherming van iedereen die verbleef in een fabriek of werkplaats waarin een krachtwerktuig of een oven stond, tegen alle gevaren van de industriële arbeid. De weg werd vrijgemaakt voor een toename van het aantal veiligheidsvoorschriften vervat in decreten, besluiten en verordeningen voor bepaalde bedrijfstakken en beroepsgroepen. Naast de algemene arbeidsveiligheidswetgeving kwamen voor de oorlog diverse wetten tot stand die waren gericht op de veiligheid en gezondheid bij het werk bij specifieke werkzaamheden. Ondermeer kwamen tot stand: de Phosphorluciferwet (1901), de Mijnwet (1904), de Caissonwet (1905), de Steenhouwerswet (1911) en de Stuwadoorswet (1914) en de Huisarbeidswet (1933). De Arbeidswet 1889 werd in 1919 vervangen door een nieuwe Arbeidswet. De arbeidstijdenwetgeving was tussen 1889 en 1919 voortdurend onderwerp van politieke discussie geweest. Partiële regelingen kwamen tot stand in de Bakkerswet, de Steenhouwerswet en de Stuwadoorswet. Beperking van de arbeidsduur werd als noodzakelijk beschouwd bij de grotere intensiteit in de bedrijven om de verbruikte arbeidskracht te laten herstellen. Bovendien werden zedelijke argumenten gehanteerd zoals volksontwikkeling, het gezinsleven en het sociale leven, waarvoor naast het werk voldoende tijd over moest blijven. De regering stond positief tegenover een werktijdenregeling ten gunste van de arbeiders. Een belangrijke eis was echter dat verkorting van de arbeidstijden de produktie niet zou benadelen. De druk vanuit de arbeidersbeweging en de roerige situatie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, zette vaart achter het tot standkomen van een nieuwe Arbeidswet, die de 8-urige werkdag als basisnorm hanteerde . In de Arbeidswet 1919 werden de arbeids- en rusttijden voor volwassen arbeiders geregeld en er kwamen speciale wettelijke maatregelen om vrouwen en jeugdigen te beschermen tegen uit de arbeidssituatie voortkomende gevaren. De Arbeidswet 1919 was echter een raamwet. Tussen de beide wereldoorlogen bleven in verband met de economisch weinig rooskleurige situatie grote delen van de wet buiten werking. Na de Tweede Wereldoorlog werden de lege plekken geleidelijk opgevuld. In Nederland kwam een grootschalige industrialisatie na de Eerste Wereldoorlog op gang en kwam de beroepsbevolking in aanraking met nieuwe technologieën en met daaraan verbonden gevaren. Deze ontwikkelingen vereisten een uitbreiding van de werkingssfeer van de algemene veiligheidswetgeving voor de werknemers binnen en buiten fabrieken en werkplaatsen. Daartoe werd in 1934 de Veiligheidswet van 1895 vervangen. De nieuwe wet breidde de werkingssfeer van veiligheidsvoorschriften uit naar een aantal nieuwe sectoren: de landbouw, de binnenvaart en restgroepen, zoals kantoren, winkels en magazijnen. Tot de inwerkingtreding van (delen van) de Arbeidsomstandighedenwet in 1983, zou de Veiligheidswet 1934 de belangrijkste wet op het gebied van veiligheid en gezondheid van de werknemers blijven. Vóór de oorlog werd het optreden van de rijksoverheid aangaande arbeidsomstandigheden gekenmerkt door het maken van gedetailleerde voorschriften. De negentiende eeuwse economische politiek van laissez faire, die de overheid lange tijd had afgehouden van enige bemoeienis met de bescherming van de arbeiders, was ingeruild voor een overtuiging dat veel overheidsinzet de arbeiders ten goede zou komen. In de loop der jaren had het pakket van wetten en regelingen, gericht op bescherming van de arbeiders, zich uitgebreid tot een omvangrijk en ingewikkeld conglomeraat. Aldus werd de veiligheidswetgeving vooral bezien vanuit een bedrijfseconomische en technocratische visie, hetgeen de wetgever vanwege de voortschrijdende ontwikkelingen op technisch en maatschappelijk gebied, noopten steeds weer nieuwe wet- en regelgeving. Tevens kan worden vastgesteld dat al de wetten zich richtten tot de werkgever, de werknemer was slechts een object van zorg. Bepalingen over samenwerking tussen werknemer en werkgever stonden in geen enkele wet. De ontwikkelingen op het beleidsterrein sinds 1940 Het nationale perspectief Tijdens de oorlog kwamen geen nieuwe regelingen op het gebied van de arbeidsomstandigheden tot stand. De periode direct na 1945 stond in het teken van de wederopbouw, een periode waarin aandacht voor arbeidsomstandigheden geen prioriteit had. Wel werd getracht met het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen regulering te brengen in een tijd van wederopbouw en een strakke arbeidsmarkt. Arbeidstijden Na de oorlog is de overheid zich minder gaan beschouwen als de exclusieve regelaar van de werktijden. Er werd plaats gemaakt voor de sociale partners, die via de cao-onderhandelingen de normale arbeidsduur gingen bepalen. Rond de jaren '60 werd de werkweek van 48 uur verkort tot 45 uur, waarna aan het eind van dat decennium de vijfdaagse (40-urige) werkweek ingang vond. Thans vindt nog verdere verkorting plaats naar 38 uur of minder. De invoering van de 8-urige werkdag kan worden beschouwd als eerste grote doorbraak in de relatie arbeidstijd/vrije tijd. De invoering van de vijfdaagse werkweek is de tweede grote doorbraak geweest. Deze heeft zich geheel voltrokken in de sfeer van de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Ook deze arbeidstijdverkorting kwam voor een belangrijk deel voort uit de behoefte meer tijd vrij te kunnen maken voor het gezinsleven en de recreatie. In de tijd dat de discussie werd gevoerd, speelde het huidige argument van herverdeling van werk ten behoeve van meer werkgelegenheid voor meer mensen, nog nauwelijks een rol. Ondanks de hier aangegeven ontwikkelingen is de arbeidstijdenwetgeving na de oorlog niet ingrijpend gewijzigd. De Arbeidswet 1919 bood ruimte voor differentiatie via de Werktijdenbesluiten en het vergunningenstelsel. Aan de nuances van de verschillende bedrijfstakken en functies kon tegemoet worden gekomen via individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten. De recente maatschappelijke ontwikkelingen hebben echter de traditionele waarden en normen, die in de Arbeidswet zijn vastgelegd (dagdiensten, vrije zondag, vijf dagen werken gedurende acht uur per dag), dusdanig in het geding gebracht dat enkele fundamentele veranderingen noodzakelijk zijn geworden. Een belangrijke factor in de herbezinning op vormgeving van de werktijdregeling is de verkorting van de arbeidsduur naar minder dan 40 uur. Hiermee is tegemoet gekomen aan de behoefte van werknemers om minder te werken, maar tevens is het een instrument om de hardnekkige werkloosheid, die sinds 1975 het land teistert, te bestrijden. Door veel bedrijven echter wordt een verdere verkorting van de bedrijfstijd door verkorting van de arbeidstijd als onwenselijk beschouwd. De dienstverlening komt in het geding en de benuttingsgraad van de kapitaalgoederen zou teveel zakken. Flexibilisering van de arbeidstijden krijgt door deze ontwikkelingen steeds meer aandacht. Binnen de huidige, sectoraal ingedeelde en met een wirwar van regelingen belaste Arbeidswet weet men hiermee niet goed raad. Langere arbeidstijden en werk op ongewone uren is verboden of er zijn gedetailleerde vergunningen voor nodig. Aan de veranderde opvattingen over werktijden wordt door de overheid op twee manieren vorm gegeven. Ten eerste is dit gedaan door op basis van de huidige wet het vergunningenbeleid, dat door de Arbeidsinspectie werd gevoerd, sinds 1 september 1988 te wijzigen. Uitgangspunt is geworden dat de afspraken die sociale partners maken over werktijden en daarbij bepaalde grenzen niet overschrijden, in principe zonder toetsing met een vergunning worden gehonoreerd. Voorheen moesten bedrijven bij een vertrouwensvergunning periodiek en schriftelijk aan de Arbeidsinspectie berichten welke werknemers in welke mate hadden overgewerkt. Sinds 1988 wordt volstaan met controle in het bedrijf zelf en is rapportage aan de Arbeidsinspectie niet meer nodig. De tweede manier waarop wordt ingespeeld op de maatschappelijke ontwikkelingen is door een algehele herziening van de wetgeving op het terrein van de arbeids- en rusttijden. De nieuwe Arbeidstijdenwet zal de overheidsbemoeienis terugdringen, aan de sociale partners ruimte bieden tot eigen invulling, van toepassing zijn op zoveel mogelijk arbeidsorganisaties en het aantal administratieve handelingen tot een minimum beperken. De wet zal daartoe bestaan uit een standaard- en een overlegregeling. De standaardregeling zal normen bevatten die gelden als de partijen niets anders zijn overeengekomen. De overlegregeling zal ruimere normen bevatten die de grenzen aangeven tot waar, bij afspraken tussen de sociale partners, van de standaardregeling kan worden afgeweken. Het is de bedoeling dat de nieuwe wet per 1 januari 1995 in werking treedt. Veiligheid, gezondheid en welzijn Uit de regelgeving ten aanzien van veiligheid en gezondheid die in de jaren vijftig tot stand kwam blijkt dat een nieuwe richting werd ingeslagen. Het accent verschoof van technische, op duidelijke gevaren gerichte maatregelen en controle achteraf (repressie), naar regelingen die de mogelijkheid boden om onveilige situaties te voorkomen en gevaar bij de bron aan te pakken (preventie) . Ondanks de veranderde opstelling bleef er onvrede bestaan over de vigerende wetgeving. De hervorming van de arbeidsomstandighedenwetgeving gedurende de jaren zeventig had verschillende achtergronden. De opvattingen over maatschappelijke ontwikkelingen die het invloedrijkst zijn geweest op het totstandkomen van nieuwe wetgeving lopen uiteen. De industrialisatie en de veranderende ideeën over arbeidsverhoudingen hebben in ieder geval een belangrijke rol gespeeld, maar ook het beleid gericht op een terughoudende rol van de overheid was van invloed. Met de ingrijpende industrialisatie traden nieuwe risico's op de voorgrond, die met steeds nieuw detailvoorschriften op basis van de oude veiligheidswetgeving, niet binnen aanvaardbare grenzen konden worden gehouden. In de aard van de arbeidsverhoudingen kwam met de begrippen `humanisering van de arbeid' en `kwaliteit van de arbeid' de zorg voor de kwaliteit van het bestaan centraal te staan. De oude arbeidsbeschermende wetten, waarin de werknemer als passief object fungeerde, paste niet in deze nieuwe omgeving. Na de oorlog had de gedachte aan samenwerking tussen werkgevers en werknemers in steeds bredere kring weerklank gevonden. De rationalisatie en de mechanisatie van het werk leidde tot toenemende belangstelling voor de kwaliteit van de arbeid. Vanaf de jaren zestig kreeg de democratisering in de samenleving steeds meer aandacht en nam het gemiddelde opleidingspeil toe. Bij de herziene wetgeving is een accentverschuiving te zien van uitgewerkte technische wet- en regelgeving naar samenwerking tussen sociale partners. De overheid streefde naar verbeterde arbeidsomstandigheden, maar haar rol daarbij zou terughoudend zijn . De doelstellingen die de Arbeidsomstandighedenwet (1980) stelde, diende vooral op het niveau van de onderneming gestalte te krijgen. Op dat niveau hadden niet meer alleen de werkgevers tot taak zorg te dragen voor de arbeidsomstandigheden, maar ook de werknemers. De wetgeving bevatte daartoe organisatorische regels, gericht op overleg en de positie van de verschillende partijen. Wettelijke veiligheidsvoorschriften legden alleen beschermingsdoelen vast. Aan de betrokkenen werd overgelaten hoe zij deze doelen wilden bereiken. De wetgeving is een belangrijke bron geworden van minimumeisen ter bevordering van een 'optimale arbeidssituatie'. Het overheidstoezicht kan aan de werkgever op grond van algemeen geformuleerde voorschriften aanwijzingen geven. Daarnaast kan worden vastgesteld dat het overheidsbeleid op het gebied van arbeidsomstandigheden sinds vooral de jaren '70, naast wet- en regelgeving ook andere instrumenten is gaan hanteren, zoals subsidiëring, voorlichting, advisering en deskundigheidsbevordering, deelname in internationaal overleg en de uitwisseling van ervaringen. Sinds het eind van de jaren '70 is er een zekere vervlechting opgetreden tussen sociale zekerheidsbeleid, werkgelegenheidsbeleid, arbeidsvoorzieningsbeleid en arbeidsomstandighedenbeleid. In 1976 stelde de regering vast: 'Zowel de hoogte van het ziekteverzuim als de omvang van de werkloosheid hebben een relatie met tekortkomingen in werk en werkklimaat' . In 1993 wilde het kabinet eveneens 'het arbeidsomstandighedenbeleid inzetten om de omvang van het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid terug te dringen' . Daarmee is het beleidsterrein arbeidsomstandigheden onderdeel geworden op een veld van geïntegreerde beleidsdoelstellingen. Het internationale perspectief De invloed van het internationale recht op het Nederlandse (arbeids)recht is in de loop der jaren toegenomen. In het kader van de ontwikkeling van het internationaal arbeidsomstandighedenrecht zijn van belang de International Labour Organisation (ILO), de Raad van Europa en de Europese Gemeenschappen (EG). De International Labour Organisation (ILO) werd opgericht in 1919 als een onafhankelijke organisatie, geassocieerd met de Volkenbond. Sinds 1946 is de ILO een gespecialiseerde organisatie van de VN. Het oorspronkelijke doel van de ILO was de arbeids- en levensvoorwaarden van de arbeiders te verbeteren. Geleidelijk aan zijn de doelstellingen verschoven naar bevordering van samenwerking tussen de lidstaten op sociaal terrein door informatieverstrekking, het uitvoeren van studies en het verlenen van (rechts)technische bijstand. De ILO heeft middels een lange reeks aanbevelingen en verdragen (conventies) de doelstelling van het bevorderen van sociale rechtvaardigheid naderbij willen brengen. Een verdrag verplicht de lidstaten die het ratificeren tot het toepassen van de erin neergelegde beginselen, ondermeer door de nationale wetgeving ermee in overeenstemming te brengen. De door Nederland ondertekende verdragen hebben vooral betrekking op werktijden en bescherming van jongeren en vrouwen. Naast de verdragen doet de ILO regelmatig niet-bindende aanbevelingen en zijn er de eveneens niet-bindende conclusies, modelcodes en praktijkvoorschriften van de jaarlijkse conferenties of technische commissies. De Raad van Europa werd opgericht in 1949 met als doel om in een politiek kader de eenheid tussen de leden te bevorderen. De leden van de Raad sloten in 1961 het Europees Sociaal Handvest, waarin Nederland sinds 1980 partij is. Het ESH geeft een codificatie van sociale grondrechten, waaronder het recht op veilige arbeidsomstandigheden, naar de verwezenlijking waarvan de nationale staten moeten streven. Daarnaast zijn er een aantal artikelen waaraan de staten zijn gebonden, maar waarbij aan hen in hetgeen als wel of niet bindend wordt beschouwd een zekere keuzevrijheid is gelaten. In 1989 sloten de lidstaten het Gemeenschapshandvest van Sociale Grondrechten af, maar hier zijn nog geen verplichtingen uit voortgekomen. Regels over arbeidsomstandigheden staan in het EGKS- (1951) en Euratomverdrag (1957), de meest Europese regels zijn echter gebaseerd op het EEG-verdrag (1957) , waarin de lidstaten afspraken om nauwer samen te werken op dit beleidsterrein. In 1974 besloten de regeringsleiders dat de sociale dimensie van de Gemeenschap meer reliëf moest krijgen, waardoor sinds 1978 om de vier jaar actieprogramma's voor veiligheid, gezondheid en hygiëne worden opgesteld. In 1986 werd het EEG-verdrag aangevuld met de Europese Akte, die tot doelstelling had de interne markt zonder grenzen te voltooien. De Europese regelgeving inzake arbeidsomstandigheden is erdoor in een stroomversnelling geraakt. Bij die Akte werd art. 118A, waarin het gaat om verbetering van de arbeidsomstandigheden in de lidstaten, aan het EEG-verdrag toegevoegd. De richtlijnen die op grond van dit artikel tot stand komen hebben tot doel de veiligheid en gezondheid van werknemers op de werkplek te bevorderen door minimumvoorschriften verplicht te stellen. In het belang van de arbeidsomstandigheden zijn tevens de richtlijnen die tot stand kwamen met betrekking tot de veiligheid van bepaalde handelsprodukten zoals werktuigen, installaties en transportmiddelen. Deze harmonisatierichtlijnen, die sinds de aanvaarding van de Europese Akte in 1986 tot stand komen op grond van art. 100A van het EEG-verdrag, hebben immers gevolgen voor de kwaliteit en de veiligheid van produkten. Momenteel wordt naar schatting 50% van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden rechtstreeks of indirect vanuit Brussel beïnvloed .
Verantwoording De taakgebieden en beleidsterreinen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) Het ministerie van SZW speelt, samen met de departementen van Economische Zaken en Financiën, een belangrijke rol bij het tot stand komen van het sociaal-economisch beleid van Nederland. De hoofddoelen die SZW zich stelt liggen op het terrein van arbeid en inkomen. Ten aanzien van arbeid wil SZW de deelname aan betaalde, kwalitatief goede arbeid bevorderen en trachten onvrijwillige uitval te voorkomen. Aangaande inkomen heeft SZW een waarborgfunctie die ervoor zorgt dat zolang iemand onvrijwillig geheel of gedeeltelijk zonder werk is en nadat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, een basisvoorziening wordt gehandhaafd. In PIVOT-termen kunnen de hoofddoelstellingen van SZW worden vertaald als taakgebieden. Binnen de taakgebieden arbeid en inkomen worden diverse beleidsterreinen onderscheiden: werkgelegenheid, arbeidsmarkt, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, inkomen, sociale zekerheid, arbeidsomstandigheden en de coördinatie van het emancipatiebeleid. Daarnaast heeft SZW het migratiebeleid en het beleid ten aanzien van tewerkstelling van erkende gewetensbezwaarden onder zijn hoede. Het voorliggende rapport heeft het beleidsterrein arbeidsomstandigheden tot onderwerp. De andere beleidsterreinen zullen in navolgende PIVOT-onderzoeken bij het ministerie van SZW aan de orde komen. De afbakening van het onderzoek Het arbeidsomstandighedenbeleid heeft tot doel het voorkomen van lichamelijke en geestelijke schade van werknemers ten gevolge van de arbeid en het bevorderen van hun welbevinden. In het arbeidsomstandighedenrecht zijn hiertoe twee groepen normen ontwikkeld die niet altijd strikt zijn te scheiden. De ene groep betreft regelingen van de arbeids- en rusttijden die in hoofdzaak worden aangetroffen in de Arbeidswet 1919 en een aantal aanverwante wetten. De andere groep betreft regelingen tegen negatieve effecten van de werksituatie zelf door hetzij de oorzaken weg te nemen, hetzij aan de werknemer een bijzondere bescherming tegen deze effecten te bieden. Deze regels zijn te vinden in de Arbeidsomstandighedenwet 1980 (en voorgangers) en aanverwante wetten. Er zijn echter naast bovengenoemde specifieke wetten, ook verschillende andere wetten waar arbeidsomstandigheden mede aan de orde komen. In dit rapport worden alle handelingen opgesomd uit wet- en regelgeving die zijn opgesteld specifiek ten behoeve van de arbeidsomstandigheden van de werkende mens en waarvoor de minister van SZW als eerst verantwoordelijke is aangewezen . De wet waarin regels ten aanzien van arbeidsomstandigheden zijn opgenomen bepaalt wie de eerste verantwoordelijkheid draagt: wie in of na overleg met een andere minister het beleid bepaalt. De keus is gemaakt om te voorkomen dat het huidige onderzoek zich gaat uitstrekken tot wet- en regelgeving die behoort tot een beleidsterrein met een breder bereik dan arbeidsomstandigheden. Dergelijke beleidsterreinen zullen in het kader van PIVOT afzonderlijk worden onderzocht. Dit is bijvoorbeeld van toepassing op het terrein van gevaarlijke stoffen en milieu. De Bestrijdingsmiddelenwet (Stb. 1962, 288) legt de beleidsverantwoordelijkheid bij de minister van LNV (ingeval van toepassing in agrarische en aanverwante bedrijven) en bij de minister van WVC (ingeval van andere toepassing). Ten aanzien van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639) heeft de minister van VROM de eerste verantwoordelijkheid. Steeds dient er overleg en overeenstemming te zijn met de minister van SZW omtrent zaken die arbeidsomstandigheden betreffen en die via genoemde wetten worden geregeld Ook kernenergie en nucleaire veiligheid, waaronder de bescherming van de werknemers tegen gevaren bij de toepassing van straling, zoals aan de orde gesteld in de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), zal in een ander PIVOT-onderzoek aan de orde komen. Op het terrein van de toepassing van kernenergie zijn verschillende ministers betrokken, met name de ministers van Economische Zaken, SZW, VROM en WVC. De verantwoordelijkheden van de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van SZW ten aanzien van het arbeidsomstandighedenbeleid aan boord van luchtvaartuigen en binnenvaart- en zeeschepen is reeds beschreven in een tweetal PIVOT-onderzoeken De coördinatie van het arbeidsomstandighedenbeleid ten aanzien van overheidspersoneel ligt bij de minister van Binnenlandse Zaken vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het overheidspersoneelsbeleid.
Noten 1.De keuze voor de wet- en regelgeving als voornaamste bron ligt voor de hand omdat het beleidskader grotendeels hierdoor wordt gevormd. Echter, voor de opsomming van alle handelingen zijn ook aanvullende bronnen gebruikt. 2.L. Hovy, Luchtvaart gebonden. Institutioneel onderzoek op het terrein van de burgerluchtvaart, 1945-1993 (1994); J. Klinkenberg, De stuurlui aan wal. Institutioneel onderzoek op het beleidsterrein scheepvaart en maritieme zaken, 1980-1994 (1994). 3.Genoemd kunnen worden een decreet van Napoleon uit 1810 over vestigingsplaatsen van fabrieken in verband met stankoverlast voor omwonenden, de Stoomwet uit 1869 waarmee letsel en schade aan omwonenden van fabrieken werd bestreden en de Fabriekswet van 1875 die de veiligheid buiten de poorten regelde. 4.In 1922 werden onder druk van de economische omstandigheden de werktijden weer verruimd. 5.De eerste wetten waarin preventie voorop werd gesteld, waren de Silicosewet (1951), de Wet op de gevaarlijke werktuigen (1952) en in de Veiligheidswet 1934 ingepaste 'Wet op de bedrijfsgeneeskunde' (1959). 6.Dit werd voor het eerst concreet als beleidsuitgangspunt geformuleerd in de Toelichting op de begroting 1977, Hoofdstuk XV, blz. 12 en 71. 7.Hoofdpunten van het regeringsbeleid 1976, blz. 78. 8.Hoofdpunten van het regeringsbeleid 1993, blz. 80. 9.Tot 1965 hadden deze drie gemeenschappen elk hun eigen organen, het 'Fusieverdrag' uit dat jaar voegde deze echter samen. De drie gemeenschappen worden aangeduid met de verzamelnaam Europese Gemeenschap (EG). 10.Hoofdpunten van het regeringsbeleid 1993, blz. 79. 11.Een caisson is een omgekeerde bak in de vorm van en duikersklok, waarin lucht wordt geperst, zodat water uit het caisson wordt weggedrukt en er in de caisson kan worden gewerkt, bijvoorbeeld het leggen van funderingen onder water. 12.De data van inwerkingtreding waren 1 januari 1983 (Stb. 1982, 673), 1 juni 1985 (Stb. 212), 1 januari 1988 (Stb. 1987, 605) en 1 oktober 1990 (Stb. 488). 13.Deze wetten, waarvoor de minister van SZW eerst verantwoordelijk is, regelen vooral de veiligheid van de werknemers. In de Nederlandse wetgeving is de veiligheid voor omwonende apart geregeld en zijn de ministers van Binnenlandse Zaken en VROM de eerst verantwoordelijke bewindslieden. 14.In de jaren zeventig is gewerkt aan de Wet inzake gevaarlijke werktuigen, die eenvormige wetgeving in de Benelux op het gebied van gevaarlijke werktuigen tot doel had. In Nederland heeft de afgewerkte versie vorm gekregen in de wet van 6 februari 1974 (Stb. 1974, 162). Bekrachtiging door België en Luxemburg heeft nooit plaatsgevonden. Deze wet is daarom buiten beschouwing gelaten. 15.Voor de Wet arbeids- en rusttijden zeescheepvaart, zie PIVOT-onderzoek van J. Klinkenberg, De stuurlui aan wal. Institutionele onderzoek op het beleidsterrein scheepvaart en martieme zaken, 1980-1994 (1994). 16.J. van Drongelen, De ontwikkeling van de Arbeidsinspectie in een veranderende wetgeving, blz. 363. Deze verheffing tot directoraat-generaal is niet in een beschikking aangetroffen, de status van DG wordt pas genoemd in de organisatiebeschikking van 17 oktober 1988. 17.De Schepen en de Scheepvaartinspectie met alle handelingen zijn geschreven in het PIVOT-onderzoek van J. Klinkenberg. De stuurlui aan wal. Institutionele onderzoek op het beleidsterrein scheepvaart en martieme zaken, 1980-1994 (1994). 18.De Rijksluchtvaartdienst en alle handelingen betreffende de burgerluchtvaart zijn geschreven in het PIVOT-onderzoek van J. Hovy, Luchtvaart gebonden. Institutioneel onderzoek op het terrein van de burgerluchtvaart, 1945-1992 (1994).
Institutionele toegang
Datum
1 januari 1941 - 1 januari 1986
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media