Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Schilder- en tekenkundig genootschap Kunstliefde te Utrecht

Bestuur In 1807 werd de zakelijke leiding van het genootschap in handen gelegd van twee commissarissen en een secretaris. Zij hadden tot taak de inkomende penningen te ontvangen, daaruit de nodige betalingen te doen en verder alle huishoudelijke beschikkingen te maken. Het is niet duidelijk wie van de commissarissen in de eerste jaren de functie van voorzitter bekleedde. De oudste vermelding van deze functie dateert uit 1816. Er is dan sprake van drie commissarissen, van wie steeds de oudste in functie een jaar de voorzittershamer hanteerde en daarna aftrad. De artistieke leiding werd in 1807 toevertrouwd aan twee directeuren, zelf kunstenaars, die met de organisatie van de tekenoefeningen en eventueel andere artistieke activiteiten van het genootschap waren belast. De eerste twee directeuren waren J.B. Kobell en P.C. Wonder. In 1809 trad Kobell af; hij werd opgevolgd door A.J. van Mansvelt, Vanaf 1810 bekleedde Wonder alleen het directeurschap (tot 1822). Een tweede directeur is daarna nooit meer benoemd. De laatste directeur, J. Gabriëlse, trad in 1916 af. Volgens het reglement van 1858 werden de commissarissen, de secretaris-penningmeester en de directeur voor drie jaar gekozen. De secretaris-penningmeester en de directeur waren echter direct herkiesbaar. Hierdoor kon het voorkomen, dat deze twee functionarissen vele jaren achtereen aanbleven. Zo waren W.A. Haanebrink en mr. P. verLoren van Themaat resp. 25 en 27 jaar secretaris-penningmeester, en B. van Straaten en A.W. Nieuwenhuysen resp. 27 en 31 jaar directeur. In 1886 werd de functie van secretaris-penningmeester gesplitst. Afgezien van de periode 1916-1930 Inleiding, blz. 15. zijn de functies van secretaris en penningmeester daarna nooit meer in één persoon verenigd geweest. Het bestuur werd herhaaldelijk uitgebreid. Na 1900 bestond het uit 7 leden. In de statuten van ca. 1960 werd het aantal bestuursleden op 9 gesteld: een voorzitter, een secretaris, een penningmeester (te zamen het dagelijks bestuur uitmakend), een vice-voorzitter, een 2de secretaris en 4 assessoren. In de statuten van ca. 1976 wordt gesproken van "minstens 7 en ten hoogste 9 leden" Inv.nr. 38. . Afgezien van de voorzitter en de penningmeester, die ook kunstlievend lid mochten zijn, werden de bestuursleden uit de werkende leden gekozen. Tussen 1930 en 1960 hadden zij slechts één jaar zitting, daarna 4 jaar. Zij waren allen onmiddellijk herkiesbaar. Het bestuur delegeerde bijzondere taken aan commissies. De verkiezing van alle bestuurs- en commissieleden geschiedde door de algemene ledenvergadering bij volstrekte meerderheid van stemmen. In 1968 werd een administrateur benoemd, waardoor de functie van tweede secretaris kwam te vervallen.
Schilder- en tekenkundig genootschap Kunstliefde te Utrecht
Premies - Prijzen In 1859 werd een voorstel van het lid jhr. E. van Heemskerck van Beest aangenomen om jaarlijks een werkend lid dat had deelgenomen aan de voorjaarstentoonstelling, ter aanmoediging een premie van fl. 300.= te geven Inv.nr. 290. . Het was de bedoeling dat de betreffende kunstenaar voor dit geld schildersbenodigdheden kocht en daarmee een tekening of schilderij vervaardigde. Dit kunstwerk zou dan op de ledententoonstelling van het volgende jaar worden geëxposeerd en daarna eigendom van Kunstliefde worden. In de praktijk bleek het niet elk jaar financieel mogelijk om de premie uit te loven. Voor zover is na te gaan, werd de premie toegewezen aan D. van Lokhorst (1859), A. van Everdingen (1861), W. de Famars Testas (1869), D.P. van Lokhorst (1870), Hendrika Landrê-van der Keilen (1873), H.B. van der Flier (1874) en Jozef Hoevenaar Wzn. (1875). Ter aanmoediging van vooral jonge werkende leden werden in de jaren vijftig van deze eeuw twee aantrekkelijke prijzen beschikbaar gesteld. In 1952 stond de Utrechtse kunsthandelaar J.H. Wiegersma een antieke zilveren wisselbeker (l8de-eeuws Neurenbergs handwerk) af om jaarlijks aan een lid uit te reiken op grond van diens ingezonden werk voor de najaarsledententoonstelling. Na 1960 werd de beker tijdens de voorjaarsledententoonstelling uitgereikt. In 1964 werd door het bestuur aan de beker een materiaalprijs van fl. 100.= verbonden. Op den duur ging de belangstelling van de leden voor deze prijs tanen, mede doordat aan de inmiddels ingestelde B.J. Kerkhof-prijs een veel hoger geldbedrag was verbonden. Nadat de heer Wiegersma in 1967 was overleden, werd daarom besloten de beker aan de familie van de schenker terug te geven. Dit gebeurde in 1968 Inv.nr. 292. . De wisselbeker werd o.m. uitgereikt aan Luigi de Lerma (1953), Otto van Rees (1954), Jan Stekelenburg (1955), Pieter d'Hont (1956), Lambert Simon (1957), Paulus Reinhard (1959), Hans Siegmund (1960), Hubert Sluis (1962), Wout Maters (1964), B. Jonkers (1965), Anne van de Bos (1966) en Otto Prinsen (1967). Helaas is een volledige lijst van winnaars niet meer te reconstrueren. In 1957 werd voor het eerst de Bernhard Johan Kerkhof-prijs uitgereikt. Deze uitreiking had plaats op 18 oktober tijdens de plechtigheid in de Nicolaikerk ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van Kunstliefde en de opening van de jubileumtentoonstelling "Beitel en palet" in het Centraal Museum. De schilder-graficus Willem van Leusden ontving de prijs, bestaande uit een geldbedrag van fl. 1.000.= uit handen van de voorzitter Jan Engelman. De B.J. Kerkhof-prijs werd beschikbaar gesteld door mevrouw Y. Kerkhof-Hoogslag ter nagedachtenis van haar echtgenoot B.J. Kerkhof, oud-voorzitter van Kunstliefde, die in 1955 was overleden. Zij wilde hiermee leden-kunstenaars in de gelegenheid stellen een reis naar Rome of één der andere door hun kunstschatten vermaarde Italiaanse steden te maken. Tevens schonk zij het genootschap een zilveren palet, dat ontworpen en uitgevoerd was door het lid Anne van de Bos. In het palet, dat in het gebouw van Kunstliefde een plaats kreeg, moest elk jaar de naam van de winnaar worden gegraveerd. Toen in 1966 bleek, dat het kapitaal zo sterk was geslonken, dat deze traditie niet lang meer kon worden voortgezet, schoot de zoon van B.J. Kerkhof, de in Antwerpen wonende schilder Paul Kerkhof, te hulp door het kapitaal aan te zuiveren. De uitreiking stagneerde hierdoor slechts een jaar (1967) Inv.nr. 291. . Winnaars van de B.J. Kerkhof-prijs waren: Willem van Leusden (1957), Pieter d'Hont (1958), Antoinette Gispen (1959), William D. Kuik (1960), Luigi de Lerma (1961), Joop Hekman (1962), Sjoukje Wiegersma (1963), Hans Siegmund (1964), Henk Hester (1965), Jo Uiterwaal (1966), Hubert Sluis (1968), Dolf Zwerver (1969), Paulus Reinhard (1970), Lambert Simon (1971), Josephine van der Hout-Vast (1972), Ton Gouka (1973), Peter van Poppel (1974), Otto Hamer (1975), Joop Klinkhamer (1976) en Ben van Helden (1977).
Geraadpleegde literatuur N.B. G.A.U. = Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht HUA = Het Utrechts Archief G.A.U. = Gemeentelijke Archiefdienst Utrecht HUA = Het Utrechts Archief - Campen, mr. J.W.C. van, Het Genootschap Kunstliefde 1807-1947. Utrecht, 1947. (Bibliotheek Het Utrechts Archief, LXV D 114) - Uit het hart, 150 jaar Genootschap Kunstliefde. Utrecht, 1957. (Inv. nr. 449 en bibliotheek Het Utrechts Archief, LXV D 122) - Juffermans, Jan, Met stille trom: beeldende kunst en Utrecht sinds 1900. Utrecht/Antwerpen, 1976. (Bibliotheek Het Utrechts Archief, LII D 65) - Schilp, C.A., Vijftig jaar beeldende kunst in Utrecht. In: Jaarboek Oud-Utrecht 1979, blz. 129-198. - Tilborgh, Louis, en Annemieke Hoogenboom, Tekenen destijds: Utrechts tekenonderwijs in de 18de en 19de eeuw. Utrecht/Antwerpen, 1982. (Bibliotheek Het Utrechts Archief, II A 35)
Historisch overzicht Met een beetje goede wil is de geschiedenis van het Genootschap Kunstliefde terug te voeren tot het midden van de 14de eeuw, toen de Utrechtse zadelmakers, schilders, beeldsnijders, handschriftenverluchters en boekbinders verenigd werden in het Zadelaarsgilde. Pas in 1611 kwam aan deze weinig bevredigende situatie een einde. In dat jaar bracht het stadsbestuur de schilders en beeldsnijders in een nieuw gilde onder, het St. Lucasgilde, waarvan veel bekende Utrechtse schilders lid zijn geweest. In 1639 kregen de schilders toestemming om zich ook van de beeldsnijders los te maken en een eigen vereniging te vormen, die onder de naam Schilderscollege bekend zou worden. Dat dit college in wezen het karakter van een gilde had bewaard, bleek uit het feit dat niemand in Utrecht de schilderkunst mocht beoefenen zonder lid van het Schilderscollege te zijn. In 1717 trachtte het stadsbestuur het college, dat toen nauwelijks meer functioneerde, nieuw leven in te blazen door het een meer eigentijdse vorm, nl. die van genootschap, te geven. Hierdoor verloor het college zijn gildekarakter. Voortaan was voor de Utrechtse schilders het lidmaatschap niet meer verplicht. Anderzijds stond het niet-kunstenaars vrij om tot het genootschap toe te treden. Een belangrijke taak van het Schilderscollege was het beheren van de stadstekenacademie, die sinds 1696 in een zaal van de St. Hieronymusschool was gevestigd. De academie stond open voor zowel leden van het college als andere talentvolle stadgenoten. Aan het eind van de 18de eeuw bleken het Schilderscollege en de tekenacademie nog steeds niet bijster te floreren. Een verhuizing naar enkele vertrekken boven de stadsschermschool in de Minrebroederstraat bracht niet de gehoopte gunstige ommekeer. Deze kwam pas in 1804, toen de schilder L.F.G. (Gerard) van der Puyl directeur van de tekenacademie werd en het leerlingental tot ongekende hoogte wist op te voeren. Van der Puyls onverwachte vertrek uit de stad in 1807 maakte aan deze opbloei echter al spoedig weer een einde. In feite was het toen met het Schilderscollege en de tekenacademie gedaan, hoewel beide officieel nog tot 1815 bleven voortbestaan. In hetzelfde jaar dat Van der Puyl het Schilderscollege in de steek liet, werd door twee oud-leden van het college, de schilders J.B. Kobell en P.C. Wonder,, te zamen met de "liefhebberen en werkende tekenaars" W. A. Haanebrink, F.C. Knoll en A.J. van Mansvelt, een "modern tekengezelschap naar het gekleed model" opgericht Stichtingsoorkonde, inv.nr. 1. . Op 12 oktober 1807 kwamen 31 leden in vergadering bijeen om het reglement van het nieuwe gezelschap vast te stellen en te ondertekenen Inv. nr. 167, achterin. . Pas enkele jaren later, in 1814, kreeg de vereniging de naam die zij tot in de 20ste eeuw zou houden: Schilder- en Tekenkundig Genootschap "Kunstliefde". Evenals het Schilderscollege bestond Kunstliefde uit werkende en kunstlievende leden; terwijl de leden van het college voor het merendeel tot de kleine middenstand hadden behoord, telde Kunstliefde echter juist veel gegoede burgers onder haar leden. Het doel van het nieuwe genootschap was de beoefening en aanmoediging van de beeldende kunsten-waaronder men in de eerste plaats de schilder- en tekenkunst verstond-, en de verspreiding der kunstzin Reglementen van 1849 en 1858, inv.nr. 39. . Door het organiseren van tekenoefeningen en kunstbeschouwingen hoopte men dit doel te bereiken. De tekenoefeningen stonden, in navolging van het Schilderscollege, niet alleen open voor de leden van Kunstliefde, maar ook voor de zoons van leden en voor onvermogende jongelieden. In artistiek opzicht ging Kunstliefde een andere weg dan het Schilderscollege dat, onder invloed van het classicisme, het tekenen naar naakt model op de voorgrond had geplaatst en een grote voorkeur had gekoesterd voor onderwerpen ontleend aan de klassieke mythologie en de bijbelse geschiedenis. De veranderingen in de kunstopvattingen aan het eind van de 18de eeuw waren tot het toen reeds ingesluimerde college niet meer doorgedrongen. Deze veranderingen betroffen een herwaardering van de Nederlandse schilderkunst uit de 16de en 17de eeuw, waardoor men zich steeds meer ging toeleggen op het maken van stillevens, landschappen en genrestukken, in de hoop door oefening de grote meesters te zullen evenaren. Ook de leden van Kunstliefde waren door deze nieuwe mode aangestoken. Hun bewondering ging in de eerste plaats uit naar de schilders uit de z.g. "Utrechtse School", zoals Jan van Scorel (1495-1562), Abraham Bloemaert (1564-1651), Joachim A. Wttewael (ca. 1566-1638), Gerard van Honthorst (1590-1656) en Herman Saftleven (1609-1685). Door deze ontwikkeling raakte op de tekenacademies en bij de kunstgenootschappen het tekenen naar naakt model op de achtergrond. Bij Kunstliefde werd, althans de eerste jaren, uitsluitend naar gekleed model getekend Zie ook: Inleiding,"Tekenoefeningen". . Uit erkentelijkheid voor het feit dat Kunstliefde haar tekenoefeningen ook openstelde voor niet-leden, bood het Utrechtse stadsbestuur het genootschap kosteloos onderdak aan: tot 1810 in het "Wapen van het Keyzerrijk" (Achter den Dom), tot 1830 in de lokalen boven de stadsschermzaal in de Minrebroederstraat (de oude lokalen van de tekenacademie) en tot 1847 in het "Huis van Themaat" (Achter den Dom). Bovendien ontving Kunstliefde vanaf 1813 van de gemeente een jaarlijkse subsidie van fl. 275.= Deze subsidie bedroeg vanaf 1825 fl. 300.= en van 1834-1877 fl. 250.=. (Zie: Mr. J.W.C. van Campen, Het Genootschap Kunstliefde 1807-1947, blz. 11-12.) . In 1847 verkocht de stad het "Huis van Themaat" en stelde zij Kunstliefde bij wijze van compensatie in de gelegenheid om enkele lokalen in het nieuwe 'Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen aan de Mariaplaats te huren. Het genootschap accepteerde dit aanbod, in de eerste plaats omdat de nieuwe lokalen ruimer waren dan die op het oude adres en in de tweede plaats omdat men hoopte en verwachtte dat het genootschap van zijn huurplicht zou worden ontslagen, zodra de gemeente het vrije bezit over het gebouw zou hebben verkregen. Deze verwachting ging echter in de volgende jaren niet in vervulling. Uit het reglement dat in 1858 werd ingevoerd, blijkt dat Kunstliefde inmiddels haar taken en activiteiten had uitgebreid Inv.nr. 39. . Naast tekenoefeningen en kunstbeschouwingen was nu ook sprake van jaarlijkse ledententoonstellingen en lezingavonden. Bovendien werd in 1858 de oprichting van de "Vriendschappelijke vereeniging" en van de "Vereeniging tot bevordering der beeldende kunsten te Utrecht" gerealiseerd. Een belangrijk feit uit de tweede helft van de 19de eeuw was de openstelling van het Museum Kunstliefde. In de afgelopen periode had Kunstliefde door schenking en aankoop 53 schilderijen, merendeels van kunstenaars uit de "Utrechtse school", en ca. 60 tekeningen verzameld. In 1870 stelde zij het stadsbestuur voor om deze collectie, vermeerderd met alle schilderijen van enige waarde die zich op het stadhuis bevonden, binnen het bereik van het publiek te brengen. Dit voorstel viel in goede aarde. De gemeente stond ca. 60 schilderijen, waaronder de bekende portretten van de Utrechtse Jeruzalemvaarders door Jan van Scorel, in bruikleen af en stelde tevens in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen gratis zaalruimte ter beschikking. De zorg voor het museum werd toevertrouwd aan een "Commissie van beheer" waarin, naast het voltallige bestuur van Kunstliefde, twee gemeenteraadsleden zitting hadden. Op 5 februari 1873 werd het museum officieel geopend. In 1885 verscheen een beredeneerde catalogus van de schilderijencollectie, in 1893 gevolgd door een supplement. Doordat de collectie gestaag groeide, bestond er reeds aan het eind van de 19de eeuw dringend behoefte aan meer museumruimte. Toen jarenlang onderhandelen met de gemeente op niets uitliep, besloot Kunstliefde in 1905 genootschap en museum onder te brengen in het gebouw Oudegracht W.Z. 152 (nu Oudegracht 35), dat sinds 1872 eigendom was van het bij het genootschap in beheer zijnde Boellaard-fonds. Nadat door een interne verbouwing en het aanbrengen van extra voorzieningen in het pand de veiligheid van de collectie voldoende was verzekerd, stemde de gemeente met de verhuizing in. Op 28 november 1905 werd het Museum Kunstliefde in zijn nieuwe behuizing officieel heropend. Gefloreerd heeft het museum daarna echter nauwelijks meer. De belangstelling van het publiek ging meer uit naar eigentijdse kunstuitingen dan naar het werk van de oude meesters, en ook de ouderwetse manier van exposeren in het museum aan de Oudegracht stimuleerde niet tot veelvuldig bezoek. Volgens een ooggetuige waande de bezoeker er zich in een "schilderijenpakhuis" Zie: Uit het hart, 150 jaar Genootschap Kunstliefde, blz. 47. . Aan het eind van de 19de eeuw leek het erop dat Kunstliefde aan hetzelfde euvel ging lijden als haar voorganger, het Schilderscollege, aan het eind van de 18de eeuw. Door zich af te sluiten voor de nieuwe richtingen in de kunst stootte zij jonge kunstenaars af en verloor zij veel kunstlievende leden aan de in 1895 opgerichte Vereniging "Voor de Kunst". Moderne kunstuitingen, zoals het expressionisme, het kubisme, "de Stijl" en het surrealisme ontwikkelden zich in Utrecht in het eerste kwart van de 20ste eeuw buiten Kunstliefde om. Nog steeds was voor het genootschap de "Utrechtse School" het lichtend voorbeeld. De tentoonstellingen die zij presenteerde, waren traditioneel van inhoud en bestonden voor het merendeel uit werk van de eigen leden. Alleen de kunstbeschouwingen trokken, althans tot ca. 1915, nog veel belangstelling. In 1917 werden de tekenoefeningen, z.g. in verband met de kolenschaarste, stopgezet. Zij zouden pas in 1930 worden hervat. Wel werd in 1920 door het bestuur een poging gedaan om een tekenclub voor amateurs van de grond te krijgen. Een oproep in het Utrechtsch Dagblad leverde ruim 40 gegadigden op. Door de gemeente werd zaalruimte beschikbaar gesteld in het "Museum voor Kunstnijverheid" (Wittevrouwenkade 6). Vanaf najaar 1926 werd de cursus gegeven in het pand "De Besk" (Van Asch van Wijckskade 19). Er werd twee avonden per week getekend. De organisatie was toevertrouwd aan een commissie uit de deelnemers, bestaande uit J.W. Nortier, J.H. Maronier en L.T. Steffen J.H. Maronier en L.T.Steffen waren lid van Kunstliefde. . De artistieke leiding was in handen van het lid J.C. Wienecke . Deze trok zich echter vrij spoedig terug. In het eerste seizoen schijnt alleen getekend te zijn naar gekleed model, vanaf het tweede seizoen werd daarnaast ook veel aandacht besteed aan het mannelijk en vrouwelijk naakt. In de maanden mei en juni werden bovendien tekenavonden in de openlucht georganiseerd met paarden en koeien als modellen. Deze openluchtbijeenkomsten stonden onder leiding van de leden Frans Oerder en Willem van Leusden. Tot 1926 kon de tekenclub op voldoende financiële steun van het genootschap rekenen. Toen het bestuur echter daarna de subsidie introk en van de deelnemers een flinke bijdrage in de kosten vroeg, maakte de club zich in 1927 los van Kunstliefde en zette zij de tekenoefeningen onder een eigen bestuur voort. De tekenclub " 't Krijtje", zoals zij zich sindsdien noemde, kwam een avond per week in het gebouw "Het IJzeren Hek" in de Breedstraat bijeen. In 1933 kreeg zij als het Utrechtsch Teekengezelschap "Het Krijtje" een meer officieel karakter Inv.nrs. 191-193. . Ook financieel stond Kunstliefde er in de eerste decennia van de 20ste eeuw slecht voor. Eigenlijk waren de zorgen al eerder begonnen. Zoals reeds vermeld, liet de gemeente Utrecht het genootschap vanaf 1847 huur betalen voor het gebruik van lokaliteit. Bovendien verleende de gemeente sinds 1877 geen subsidie meer. Nadat in 1905 het gebouw aan de Oudegracht was betrokken, bleek al spoedig dat het genootschap de huur (fl. 650.= per jaar) niet kon opbrengen, waardoor het steeds dieper bij het Boellaard-fonds in de schuld raakte. In 1915 werd voor het eerst een klein bedrag (fl. 250.=) aan huur betaald Jaarverslag 1915-1916, blz. 2, inv.nr. 36. . Op de ledenvergadering van 3 oktober 1914 werd het bestuur met algemene stemmen permanent verklaard. De vergadering zwichtte voor het argument van de secretaris, dr. N. van Buffel, dat het beheer pas kon worden overgedragen als de financiële toestand, met name de verhouding tot het Boellaard-fonds, weer gezond was. Toen in 1916 de penningmeester E.C. Suermondt aftrad, werd zijn taak door de secretaris overgenomen. Sindsdien maakte deze, te zamen met de voorzitter prof. dr. W. Vogelsang, feitelijk het bestuur van Kunstliefde uit. Om uit de financiële impasse te geraken, stelde Van Huffel in 1918 voor het Museum Kunstliefde op te heffen en de nog aanwezige kunstwerken te verkopen. In 1911 waren de schilderijen van de gemeente Utrecht reeds naar het stadhuis teruggebracht, nadat was gebleken dat het stadsbestuur niet in de kosten van het museum wilde bijdragen. Bovendien was het bekend, dat de gemeente plannen uitwerkte tot stichting van een stedelijk museum. Kunstliefde kon haar museale taak dus met een gerust geweten neerleggen. In 1918 verkocht zij 63 schilderijen aan de gemeente, waaronder werk van Wttewael, Van Poelenburgh, Abraham en Hendrik Bloemaert, Moreelse, Saftleven en enkele niet-Utrechtse schilders. De rest van de collectie werd in 1920 geveild. In totaal bracht de verkoop van het museum fl. 43.200.= op. De aan de stad verkochte schilderijen werden in 1921 opgenomen in de collectie van het in dat jaar geopende Centraal Museum aan de Agnietenstraat. Sinds 1919 werd een deel van het gebouw aan de Oudegracht verhuurd, o.a. aan de Vereniging "Het Groene Kruis" en aan het "Leger des Heils". De opbrengst van de schilderijen en tekeningen bleek uiteindelijk toch niet voldoende om het financiële gat te dichten en in de volgende jaren bleef het met Kunstliefde bergafwaarts gaan. De secretaris-penningmeester voerde het financiële beheer op een dusdanige onzakelijke en eigenmachtige wijze, dat de boekhouding van het genootschap en die van het Boellaard-fonds steeds meer met elkaar verweven raakten. Aan het eind van de jaren twintig stond de liquidatie van Kunstliefde voor de deur. Mr. J.W.C. van Campen bracht de deplorabele toestand waarin het genootschap zich toentertijd bevond, aldus onder woorden: "Na negen jaar, waarin geen ledenvergadering, geen bestuursverkiezing, geen rekening en verantwoording, geen jaarverslag, geen verificatie der geldmiddelen plaats had, het gehele bestuursbeleid met een dichte sluier bedekt was, wist niemand meer of, hoe en wanneer de inkomsten van het genootschap besteed werden. Het stemgerechtigde ledental was tot 23 teruggelopen" Zie: Mr. J.W.C. van Campen, Het Genootschap Kunstliefde 1807-1947, blz. 34. . Toen eindelijk in januari 1929 het bestuur per circulaire de leden voorstelde het genootschap maar op te heffen, trad onder aanvoering van de edelsmid Leo Brom het tot dan toe smeulende verzet van enkele jonge leden openlijk naar buiten. Er verschenen felle artikelen in de Utrechtse kranten en van het bestuur werd geëist een ledenvergadering uit te schrijven. Op deze vergadering, die in oktober plaatsvond, bleek de oppositie nog niet sterk genoeg om te voorkomen dat de zittende voorzitter en secretaris werden herkozen. Na maandenlange discussies tussen de twee fel tegenover elkaar staande partijen die zich binnen het genootschap hadden afgetekend, kwam het tenslotte op 18 juni 1930 tot de vorming van een nieuw bestuur, waarin beide groeperingen waren vertegenwoordigd. Uit het meer behoudende kamp traden toe C. Begeer, J. Gabrïëlse en P.T.A. Swillens, en uit het radicale kamp jhr. dr. M.R. Radermaoher Schorer, ir. S. Ravensteyn en W. van Leusden. Als voorzitter koos men de buiten de partijen staande gemeentearchivaris, dr.W. C. Schuylenburg. De nieuwe penningmeester, jhr. Radermacher Schorer, wist binnen enkele jaren orde op zaken te stellen, zodat Kunstliefde van lieverlee het financiële debacle te boven kwam. In 1936 kon zij zich al weer permitteren het pand Prinsenstraat 23, het woonhuis van de in dat jaar overleden oud-secretaris dr. N. van Huffel, aan te kopen Inv.nr. 91. . In 1966 verkocht zij dit pand door aan het Boellaard-fonds Inv.nr. 96. . In 1931 kwam tussen het Genootschap Kunstliefde en de Vereniging "Voor de Kunst" een vorm van samenwerking tot stand. "Voor de Kunst" had het in de crisisjaren niet gemakkelijk. Haar tentoonstellingen trokken nog altijd veel belangstelling, maar de kooplust van het publiek bleef daarbij ver achter. Ook het ledental van de vereniging was sterk teruggelopen. Kunstliefde verleende "Voor de Kunst" enige jaren subsidie in ruil voor het gebruik van de tentoonstellingsruimte in de Nobelstraat. In 1938 werd tot fuseren van beide verenigingen besloten. Kunstliefde nam het beheer van het gebouw in de Nobelstraat over, terwijl "Voor de Kunst" haar oude taak, het organiseren van tentoonstellingen, binnen het genootschap voortzette. In 1939 werd met toestemming van de erven Boellaard het pand Oudegracht 35 verkocht Inv.nr. 426. en werd met de vrijgekomen gelden door het Boellaard-fonds het pand Janskerkhof 5 aangekocht Inv.nr. 427. . Dit gebouw leek qua omvang en ligging uitermate geschikt om er in de-hopelijk nabije-toekomst een kunstenaarscentrum van te maken. Helaas stonden de omstandigheden in en na de Tweede Wereldoorlog de realisatie van dit plan in de weg. Momenteel is het pand nog steeds in het bezit van het Boellaard-fonds, dat het in afwachting van gunstiger tijden verhuurt. De periode 1940-1945 zorgde trouwens op meer terreinen voor stagnatie. Naarmate de oorlogsjaren verstreken, kwamen steeds meer activiteiten stil te liggen: de jaarlijkse excursies, de tekenavonden, de lezingen, de kunstavonden en tenslotte ook de tentoonstellingen. De laatste tentoonstelling, gewijd aan het werk van Otto van Rees ter ere van zijn 60ste verjaardag, werd in juni 1944 gehouden. Veel leden werden onder de druk der omstandigheden nauwelijks meer geïnspireerd tot scheppend werk. Sommigen doken onder, anderen sloten zich aan bij het ondergrondse verzet. Het lid W. Jongejan, secretaris van de tentoonstellingscommissie, kwam als slachtoffer van een Duitse razzia om het leven. Toen de landelijke Federatie van Beeldende Kunstenaars, waarbij Kunstliefde was aangesloten, vervangen werd door de Kultuurkamer, trad het genootschap uit deze organisatie. Slechts enkele leden werden individueel lid van de Kultuurkamer. Na de bevrijding kwam het verenigingsleven weer snel op gang. Op 23 juni 1945 werd de eerste algemene ledenvergadering gehouden. Slechts drie leden werd, om hun onvaderlandslievende houding tijdens de bezetting, het lidmaatschap ontnomen. De eerste tentoonstelling na de oorlog (september 1945) was gewijd aan het werk van de leden die zich niet bij de Kultuurkamer hadden aangesloten. In het najaar van 1945 werden ook de tekenoefeningen hervat. Een betere tijd leek voor Kunstliefde aangebroken. Een ander Kunstliefde trouwens dan dat van de 19de en begin 20ste eeuw. In de eerste plaats telde het genootschap nu niet meer uitsluitend schilders en tekenaars onder zijn werkende leden. Om aan te geven dat het voortaan ook openstond voor beoefenaars van andere beeldende kunsten, had het zijn oude naam "Schilder- en Tekenkundig genootschap Kunstliefde" ingeruild voor kortweg "Genootschap Kunstliefde". In de tweede plaats trad het genootschap sinds de fusie met "Voor de Kunst" duidelijker dan vroeger naar buiten als een exposerende vereniging. In 1948 werd door Kunstliefde opnieuw een tekencursus voor amateurs in het leven geroepen, waarvan Willem van Leusden de leiding kreeg Inv.nr. 194. . Deze cursus in modeltekenen bestaat nog steeds. Na Van Leusden, die in 1956 als docent aftrad, werd de leiding door de jaren heen aan verschillende andere leden toevertrouwd. Belangrijke stimulans voor de verspreiding van het werk der Utrechtse beeldende kunstenaars was en is de Kunstmarkt op het Janskerkhof die, voor het eerst in 1953, jaarlijks wordt georganiseerd door de Stichting Stadsontspanning. Deze ongedwongen ontmoetingen tussen publiek en kunstenaars zijn steeds weer een succes. Kunstliefde was vanaf het eerste uur bij de organisatie van de Kunstmarkt betrokken. Voorzitter van het eerste organiserende comité was Fedde Weidema. Veel leden proberen jaarlijks op de markt hun werkstukken aan de man te brengen. Sinds 1954 ontvangt Kunstliefde van de gemeente Utrecht weer een jaarlijkse subsidie.
3. Specificatie van de verzameling tekeningen in inv.nrs. 460-469 1. Grolman, J.P.C., 1896 2. - 3. Vlis, v.d. 4. Rupp 5. Nieuwenhuisen, A.F., 1896 6. - 7. Moesman, Joh. A., 1896 8. - 9. Hoevenaar Wz., Jos 10. Hoevenaar Wz., Jos 11. Hoevenaar Wz., Jos 12. Kok, W.J. 13. Achtenhagen, W. 14. Eijk van Voorthuijsen, J. van 15. Dranen, W.N. van 16. - 17. Smit, A. 18. Dokkum, G.W.P. van 19. Merckelbagh, Jos 20. Hanau, K. 21. Hoevenaar Wz., Jos 22. Dokkum, G.W.P. van 23. - 24. Goor, J.J. van 25. Grolman, J.P.C., 1904 26. Achtenhagen, W. 27. Ritterbach 28. Kramer 29. Huisman, F. 30. Muntendam, J.A. 31. Moesman, Joh. A., 1904 32. Jansen, A. 33. - 34. - 35. Maronier, J.H. 36. Kuijten 37. - 38. - 39. - 40. - 41. Wijmans 42. Hoevenaar Wz., Jos 43. Dranen, W.N. van 44. Csámer, J.A. 45. Post, C.G. van der, 1910 46. Paap, M.J. 47. - 48. Spuijbroek 49. Waereld, v.d. 50. Moesman, Joh. A., 51. Suermondt Mz., E.C. 52. Dranen, W.N. van 53. Grolman, J.P.C. N.B. Hierop zijn de aantekeningen 'Prijs voor de zorgvuldigste uitvoering' en 'Met extra prijsje' aangebracht. 54. Mengelberg, J., 1894 febr. 23 55. Marijnus, H.J., [1894] febr. 23 56. Saraber 57. - 58. - 59. Moesman, Joh.A. , 1894 febr. 23 60. Schubart, J.W. , 1894 febr. 23 61. - 62. Harderwijk, W.G. van, 1894 febr. 23 63. - 64. Hanau, K., 1894 febr. 23 65. Grolman, Anth. 66. Jansen, A. 67. Grolman, J.P.C. 68. Both, J.J., 1908 69. Heijl, C.Th. 70. - 71. Goor, Jac.J. van 72. Blank, D. 73. Moesman, Joh.A. 74. Prijs, Johan 75. - 76. Witmans, C.J. 77. Hoevenaar Wz., Jos 78. Pol, A. v.d. 79. Dranen, W.N. van 80. Csámer, J.A. 81. Heijl 82. - 83. Moesman, Joh. 84. Moesman, Joh.A. 85. - 86. - 87. Makkink, J.H. 88. Lietze, C.L.A. 89. Issels, J.L.A. 90. Smit, A. 91. - 92. Nieuwenhuizen 93. Dokkum, G.W.P. van 94. Goor, J.J. van 95. Moesman, Joh.A. 96. Heijl, C.Th 97. Wouters, C. 98. Achtenhagen, W. 99. Raad, J. 100. - 101. Lietze, A. 102. IJwena, J. 103. - 104. Rovers 105. Kuilen, K.J., 1913 mrt. 14 N.B. Op de het oorspronkelijk opzetkarton is het nummer 10 en de aantekening 'Eerste prijs voor de schoonste, tevens voor de koddigste teekening' aangebracht. 106. - 107. Dranen, W.N. van 108. Makkink 109. - 110. Takx, A. 111. Spuijbroek 112. Hoeden, J. v.d., 1913 113. Grolman, J.P.C. 114. Soest, van 115. Grolman, J.P.C. 116. Hanau, K. 117. Rupp 118. - 119. - 120. Vos, H.A.M. de 121. - 122. Dokkum, G.W.P. van, 1895 jan. 31 123. Smit, A. 124. Heijl 125. - 126. Achtenhagen 127. -, 1895 jan. 31 128. - 129. Merckelbagh, Jos 130. Moesman, Joh.A., 1895 131. Marijnus, H.J. 132. Kok, W.J. 133. Lietze Jr., Carl 134. - 135. Hoevenaar Wz., J. 136. - 137. Hanau, K. 138. Straaten, J. van 139. Vlis, J.A. van der 140. Kersemakers, H. 141. Makkink, J.H. 142. Wouters, C.J. 143. - 144. Heijl, C.Th. 145. Vos, H.A.M. de 146. Makkink, J.H. 147. Hanau, K. 148. Dranen, W.N. van 149. Hoevenaar Wz., J. 150. Hoevenaar Wz., J. 151. Leck, B.A. v.d. 152. Dranen, W.N. van 153. - 154. - 155. Grolman, Ant. 156. -, 1903 157. Hoevenaar Wz., J. 158. - 159. Grolman, Ant. 160. - 161. - 162. Grolman, J.P.C., 1894 febr. 23 163. Bake, Mia 164. Uri, J. 165. Uri, J. 166. Ham, Toon van, 1944 167. Ham, Toon van, 1944 168. Ham, Toon van, 1944 169. Ham, Toon van, 1944 170. Bake, Mia, 1924 171. Bake, Mia, 1921 172. Bake, Mia 173. Bake, Mia 174. Uri, J. 175. Ham, Toon van, 1932 176. - 177. Postma 178. Bake, Mia 179. Koster, A.L. 180. - 181. R., A. van 182. -, 1884 183. Hoevenaar, C.W. 184. Kellner, A. von 185. Donders, E. 186. Donders, E. 187. - 188. Moesman, Joh.A., 1884 189. Wisselingh, J.P. van 190. Lokhorst, D.P. van 191. Everdingen, A. van 192. Callenfels, Wilhelmine, 1884 193. Helden, A. v.d. 194. Uijtterschout, 1884 195. Flier, H. v.d., 1884 196. Hoevenaar Wz., Jos 197. Oppenoorth, Willem 198. Scholten, H.J. 199. - 200. - 201. Testas, W., 1884 202. Boerma 203. Bos, J. 204. Landré, J.N. 205. Lens, M.I., 1884 206. Rijnbout 207. Veder, Hendrik 208. Stortenbeker, P. 209. Opzoomer, Adèle 210. -
Addendum In 2018 is besloten de verzameling tekeningen (genummerd 1-210) op te nemen in inventaris als inv.nrs. 460-469. Utrecht, 2018
Archief Het archief van het Genootschap Kunstliefde is in fasen aan de gemeentearchivaris in bewaring gegeven. Het oudste gedeelte moet omstreeks 1935 bij de Archiefdienst zijn gearriveerd. In 1976 kwam het archief uit de periode 1940 tot 1975 binnen. In 1979 en 1982 volgden nog enkele kleinere aanvullingen, zodat uiteindelijk het archief tot 1977 vrij volledig aanwezig was. Hierbij moet wel worden aangetekend, dat de perioden 1807-1860 en 1910-1930 slecht zijn vertegenwoordigd. De inventarisatie van het Kunstliefde-archief heeft een verre van voorspoedig verloop gehad. In de oorlogsjaren werd door drs. J. Fox, die tussen 1943 en 1945 ter vervulling van zijn stage voor het archiefexamen 1ste klas als volontair bij de Archiefdienst werkzaam was, het toen aanwezige archiefgedeelte beschreven. Later is de beschrijving voortgezet door archivaris mr. J.W.C. van Campen. Helaas werd daarna van verdere bewerking afgezien. De fiches zijn waarschijnlijk nog op de Drift of tijdens de verhuizing van de Archiefdienst naar de Alexander Numankade in het ongerede geraakt. In het nieuwe gebouw moest in elk geval worden geconstateerd, dat zij spoorloos waren verdwenen. De volgende inventarisator was mevrouw M.G. Suir, die in 1972/73 bij de Archiefdienst haar stage vervulde voor het examen middelbaar archiefambtenaar. Zij vervaardigde van het archief uit de periode 1807-1964 een voorlopige inventaris. De archieven van de drie fondsen (Mollinger-, Boellaard- en Nieuwenhuysen-fonds) en van de "Vereeniging ter Bevordering van de Beeldende Kunsten te Utrecht", de "Vrienschappelijke Vereeniging" en de Vereeniging "De Teekenclub" bleven daarbij nog buiten beschouwing. De thans gereedgekomen inventaris is een bewerking en aanvulling van de voorlopige inventaris. Hij bestrijkt de periode 1807-1977 en omvat ook de archieven van de hierboven genoemde fondsen en verenigingen. De inventaris van het archief van het Boellaard-fonds werd per 31 december 1939 afgesloten, omdat het archief uit de daaropvolgende jaren nog te veel hiaten vertoonde. Bij de indeling van de inventaris werd zoveel mogelijk rekening gehouden met de orde die de verschillende secretarissen en de administrateur in het archief hadden aangebracht. Dit brengt met zich mee, dat de onderzoekers voor elk onderwerp zowel de daarop betrekking hebbende rubrieken en dossiers als de algemene reeksen, bijv. de ingekomen en minuten van uitgaande stukken van secretaris en penningmeester, moeten raadplegen. De in het archief aangetroffen bouwtekeningen, o.m. van de panden Oudegracht 35 en Nobelstraat 12a, benevens de met het archief meegekomen collecties tekeningen, affiches en foto's zijn naar de afdeling Prentenverzamelingen van de Archiefdienst overgebracht. Het geïnventariseerde archief beslaat 8,5 strekkende meter. Voorjaar 1983 J.G. Riphaagen
Fondsen Mollinger-fonds De kunstschilder G.A.G.F. Mollinger, in 1867 op 31-jarige leeftijd te Utrecht overleden, liet aan Kunstliefde twee schilderijen van oude meesters en enkele tekeningen van hemzelf en tijdgenoten na. Ter nagedachtenis aan deze talentvolle jonge kunstenaar, die landelijke bekendheid genoot, en uit erkentelijkheid voor zijn voor het genootschap zo gunstige beschikkingen werd door enkele van zijn vrienden het plan opgevat om op zijn graf een eenvoudig gedenkteken op te richten. Hiertoe werd een commissie ingesteld, bestaande uit W. Roelofs, J. lsraëls, dr. J.H. van den Broek, Th.van der Wurf, A.W. Nieuwenhuysen en mr. P. verLoren van Themaat. Op 1 mei 1868 werd op de Algemene Begraafplaats te Utrecht onder grote belangstelling het gedenkteken, ontworpen door C.H. de Haart, onthuld. Van de overgebleven gelden (fl. 80,50, aangevuld door Kunstliefde tot fl. 100.=) werd de basis gelegd voor een fonds tot aankoop van schilderijen voor het museum Kunstliefde. Het was bekend dat deze verzameling de overledene zeer ter harte ging. In 1893/94 werd uit het fonds, dat inmiddels tot ruim fl. 250.= was aangegroeid, een paneeltje van J. van de Nypoort aangekocht. Waarschijnlijk is kort daarna het restant van het fonds in de kas van het Boellaard-fonds of in die van het genootschap verdwenen. Boellaard-fonds Statuten van ca. 1960, inv.nr. 38.** Op 5 november 1872 overleed op 77-jarige leeftijd jonkvrouwe M.C. Boellaard, sinds 1858 erelid van Kunstliefde. Bij testamentaire beschikkingen van 18 oktober 1871 en 22 april 1872 had zij de volgende bezittingen aan het genootschap gelegateerd, alles vrijgesteld van successierecht: a. het huis Oudegracht C 55 (later W.Z. 152, na 1917 nr. 35), waarin zij ruim 55 jaar had gewoond; b. een kapitaal van fl. 20.000.=, nominaal belegd in Russische effecten, bezwaard met een vruchtgebruik ten behoeve van J.M. Vreeswijk; c. een kapitaal van fl. 8.000.=, eveneens nominaal belegd in Russische effecten, bezwaard met een vruchtgebruik ten behoeve van mevrouw M.E.A. Troester; d. een schilderij van Paulus Moreelse; e. twee schilderijen door de erflaatster zelf vervaardigd; f. een cachet gesneden in cornalijn met het wapen van de erflaatster Inv.nr. 417. . Door deze belangrijke gift te aanvaarden, waartoe het bestuur van Kunstliefde door de algemene ledenvergadering van 27 november 1872 werd gemachtigd, verplichtte het genootschap zich om het huis aan de Oudegracht te verhuren aan personen van de Gereformeerde, Remonstrantse, Lutherse of Doopsgezinde geloofsbelijdenis en de opbrengst der huurpenningen alsmede genoemde kapitalen, zodra deze niet meer door vruchtgebruik zouden zijn bezwaard, te bestemmen tot een fonds dat de naam Boellaard-fonds zou dragen. Uit dit fonds dienden toelagen te worden verstrekt aan schilders en schilderessen, beeldhouwers, graveurs en architecten van vijftig jaar of ouder, die niet meer in hun onderhoud konden voorzien. Mochten zich geen gegadigden aanmelden, dan konden reisbeurzen worden verstrekt aan jonge beoefenaars van een der genoemde kunstvakken. Sindsdien hebben tal van kunstenaars van de vrijgevigheid van jkvr. Boellaard geprofiteerd. Evenals Kunstliefde zelf heeft echter ook het Boellaard-fonds tussen 1905 en 1930 slechte tijden gekend. De steeds hoger oplopende schuld van het genootschap aan het fonds en het ondeskundig beheer door de secretaris-penningmeester sleepten het fonds mee in de draaikolk van financiële misère, waaruit het evenals Kunstliefde in 1930 nog maar net op tijd kon worden gered. Hoe het fonds in de jaren 1920-1930 heeft gefunctioneerd, is niet duidelijk. In de kranten verschenen geen oproepen meer voor gegadigden. Toch zijn er zo nu en dan wel uitkeringen gedaan, maar waarschijnlijk op vrij losse gronden, zonder diepgaand vooronderzoek. Wel is bekend, dat het Boellaard-fonds omstreeks 1925 een legaat van fl. 5.000.= ontving van de erfgenamen van C.W.J. Kymmell, oud-secretaris van Kunstliefde, en dat het in 1928 een deel der geldmiddelen belegde door de aankoop van het perceel Prinsenstraat 58/58 bis Inv.nr. 425. . In 1939 werd, zoals reeds vermeld, het pand Oudegracht 35 verkocht en het pand Janskerkhof 5 aangekocht Inleiding, blz. 17. . In 1940 leek het gewenst het Boellaard-fonds op een nieuwe leest te schoeien. Bij notariële akte van 29 februari van dat jaar werd een stichting genaamd "Het Boellaard-fonds" in het leven geroepen waaraan het totale vermogen van het fonds in beheer werd gegeven. Het bestuur van de stichting bestaat sindsdien uit het dagelijks bestuur van Kunstliefde en twee door het genootschap aangewezen personen. Als voorzitter fungeert de voorzitter van Kunstliefde. Het doel van de Stichting is in principe gelijk aan dat van het oude fonds en wordt in de nieuwe statuten als volgt geformuleerd: ".... steun te verlenen aan en de belangen te bevorderen van in het testament van jkvr. Boellaard bedoelde schilders, beeldhouwers, architecten en ambachtskunstenaars" Stichtingsbrief van de Stichting "Het Boellaardfonds", 1940. (inv. nr. 422a) . Nieuwenhuysen-fonds Bij testamentaire beschikking van 3 oktober 1902 werd door mevrouw H.A. Nieuwenhuysen-van Beusekom, weduwe van de in 1894 overleden oud-directeur van Kunstliefde A.W. Nieuwenhuysen, aan Kunstliefde een som van fl. 15.000.= gelegateerd, bezwaard met een vruchtgebruik ten behoeve van Joh. Heuvelink, boekhandelaar te Arnhem. Het was de wens van de legatrice dat te zijner tijd de renten van het nagelaten kapitaal ten goede zouden komen aan hulpbehoevende weduwen en wezen van kunstschilders, graveurs, beeldhouwers en bouwkundigen die lid waren geweest van het genootschap, in Utrecht waren geboren of daar woonachtig waren geweest. Bovendien vermaakte mevrouw Nieuwenhuysen aan Kunstliefde al haar schilderijen, tekeningen, gravures en etsen, en haar boeken voor zover deze op de beeldende kunst betrekking hadden. Ook een antieke "kunstkast" behoorde tot de erfenis Inv.nr. 441. . Bij de liquidatie van de nalatenschap van de heer Heuvelink, die op 29 januari 1928 te Renkum overleed, bleek van het oorspronkelijke kapitaal nog maar fl. 6.000.= over te zijn. Kunstliefde nam genoegen met dit bedrag en nam bovendien op zich om aan de erfgename van de heer Heuvelink, mevrouw A.C. Wunder te Arnhem, die geheel onverzorgd was achtergebleven, jaarlijks fl. 150.=, zijnde de helft van de rente, uit te keren Inv.nr. 442. . Of het fonds nog ter ondersteuning van hulpbehoevenden is aangewend, is niet bekend. Wel schijnt het door het Boellaard-fonds in 1928 aangekochte perceel Prinsenstraat 58/58bis voor een deel uit het Nieuwenhuysen-fonds te zijn bekostigd. Waarschijnlijk is in de jaren dertig het vermogen van het Nieuwenhuysen-fonds bij dat van het Boellaard-fonds gevoegd.
Verlotingen - Ruilcirculatie Op de algemene ledenvergadering van 14 oktober 1850 werd het voorstel aangenomen om elk jaar op de avond van de laatste kunstbeschouwing van het seizoen een aantal kunstwerken van leden aan te kopen en deze vervolgens onder de aanwezigen te verloten. Gedurende de gehele winter kon men op de avonden der kunstbeschouwingen loten tegen de prijs van fl. 3.= kopen. Van de opbrengst zou een commissie, gekozen uit de leden, de kunstwerken aankopen, terwijl de verloting onder leiding van het bestuur zou plaatsvinden. Op deze wijze hoopte men de verkoop en verspreiding van het werk der leden te stimuleren. In 1858 werd door Kunstliefde de "Vereeniging tot bevordering van beeldende kunsten te Utrecht" opgericht. Door het aankopen van ëén of meer aandelen kon men lid worden van deze vereniging. Ook was het voor niet-leden mogelijk om loten op naamloze aandelen te kopen. Jaarlijks werden op de algemene ledenvergadering drie leden aangewezen, die, samen met twee bestuursleden, de commissie vormden die belast was met het aankopen van kunstwerken op de voorjaarstentoonstelling en met de regeling van de verloting. In 1859 telde de vereniging al 113 leden, vertegenwoordigende 148 aandelen. In april van dat jaar konden 8 schilderijen voor de verloting worden aangekocht. De vereniging heeft ruim een halve eeuw, tot ca. 1917, bestaan Inv.nrs. 403-408. . Een poging om het werk der leden meer bekendheid te geven uit veel later tijd, was de z.g. ruilcirculatie. Deze actie ging voor het eerst in 1952 van start. Tegen betaling van een contributie ontving men elke maand een kunstwerk in bruikleen. Aan het eind van het jaar werd één van de 12 circulerende kunstwerken verloot onder de abonné(e)s. Het eerste jaar waren er 48 abonné(e)s en konden er dus vier kunstwerken worden verloot. De tweede ronde eindigde in 1955 met de verloting van drie werken. De belangstelling was niet altijd even groot, vooral niet van de kant der kunstenaars. De derde circulatie verviel dan ook uit gebrek aan kunstwerken. In 1962-1964 was de actie weer een groot succes en kon voor resp. fl. 1.400.= en fl. 1.800.= aan kunstwerken worden aangekocht Inv.nrs. 302-304. .
Tentoonstellingen De tentoonstellingen die Kunstliefde heeft georganiseerd - sommige in samenwerking met andere instellingen of verenigingen -, kunnen worden onderscheiden in algemene tentoonstellingen, ledententoonstellingen en overige tentoonstellingen, zoals exposities van het werk van één kunstenaar of combinaties van kunstenaars. De algemene tentoonstellingen, waarop het werk van nog levende, voor het merendeel Nederlandse en Belgische kunstenaars werd bijeengebracht, werden in samenwerking met de stedelijke overheid georganiseerd. De eerste algemene tentoonstelling, waarvan in het archief stukken worden bewaard, werd in 1848 in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen gehouden op initiatief van het bestuur van dit gebouw. Kunstliefde was met enkele leden in de voorbereidingscommissie vertegenwoordigd. De volgende algemene tentoonstellingen werden steeds op initiatief van Kunstliefde georganiseerd. De tentoonstellingscommissies bestonden uit het bestuur van het genootschap, aangevuld met enkele door het stadsbestuur aangewezen personen. De gemeente verleende subsidie en stelde enkele ere-medailles als prijzen beschikbaar. Op deze wijze kwamen algemene tentoonstellingen tot stand in 1861, 1866, 1884, 1886 en 1894. Ook in 1895 en 1896 werd geprobeerd enkele "voorname" kunstenaars over te halen in Utrecht te exposeren, maar de animo bleek toen niet meer zo groot. Hoewel toch nog wel enkele niet-Utrechtse kunstenaars werk inzonden, konden de in deze jaren gehouden tentoonstellingen nauwelijks meer "algemene" tentoonstellingen worden genoemd. Sinds 1857 organiseerde Kunstliefde jaarlijks in het voorjaar een ledententoonstelling. Op enkele uitzonderingen na is deze traditie tot op heden voortgezet. Vanaf 1914 werden daarnaast ook in het najaar ledententoonstellingen gehouden. Voor zover na te gaan, werd in 1896 voor het eerst naast de ledententoonstelling nog een andere expositie gepresenteerd. Deze was samengesteld uit aquarellen van de Haagse kunstenaars W.E. Roelofs en F.A.E.L. Smissaert. Tot 1938, het jaar waarin de fusie met "Voor de Kunst" een feit werd, zouden dergelijke tentoonstellingen echter tot de uitzonderingen blijven behoren. Daarna ging Kunstliefde een actief tentoonstellingsbeleid voeren en introduceerde zij naast het werk van de eigen leden dat van vele andere kunstenaars uit binnen- en buitenland. De organisatie van de tentoonstellingen - afgezien van de algemene tentoonstellingen - was in de 19de en begin 20ste eeuw in handen van een tentoonstellingscommissie, bestaande uit het bestuur van Kunstliefde en twee werkende leden. Na 1930 werd de voorbereiding van de ledententoonstellingen opgedragen aan de z.g. Plaatsings- of Ballotagecommissie, die besliste over de toelating van de ingezonden werken tot deze tentoonstellingen. Alle andere tentoonstellingen werden voorbereid door de Commissie van de kunstzaken, later de Tentoonstellingscommissie genoemd. Deze commissie bestond uit twee werkende en drie kunstlievende leden. In 1968 werd de ballotage voor de ledententoonstellingen afgeschaft en daarmee ook de Plaatsings- of Ballotagecommissie. Daarvoor in de plaats werd de Hang-Commissie ingesteld, waarin de werkende leden verplicht waren bij toerbeurt zitting te nemen. Deze commissie was belast met de inrichting van de expositiezaal. De uiteenlopende belangen van de werkende en kunstlievende leden konden vooral ten opzichte van het tentoonstellingsbeleid tot conflicten aanleiding geven. In 1916 ontstond er binnen de tentoonstellingscommissie, toen dus nog samengesteld uit het bestuur plus twee werkende leden, verschil van mening over de toelatingsnormen voor de ledententoonstellingen. De twee werkende leden, onder wie de directeur J.Gabriëlse, wilden strengere eisen aan de toelating stellen dan de bestuursleden. Terwijl de laatsten de dilettanten onder de inzenders niet voor het hoofd wilden stoten uit angst hierdoor veel kunstlievende leden te verliezen, maakten de eersten zich vooral zorgen over het artistieke peil van de exposities. Gabriëlse wilde van geen compromis weten en trad als directeur af. De najaarstentoonstelling van 1916 ging niet door Jaarverslag 1915-1916, inv.nr. 36; inv.nr. 64, 1916. . In de jaren 1960 tot 1962 deed zich opnieuw een conflict voor. Het beleid van de tentoonstellingscommissie, die onder voorzitterschap van Jan Engelman stond, werd door een grote groep werkende leden afgekeurd. Zij wilden meer exposities van de eigen leden en minder exposities van kunstenaars die noch Utrechter noch lid van Kunstliefde waren. De kunstlievende leden, ver in de meerderheid, waren juist meer voor de laatste categorie exposities geporteerd. De werkende leden vroegen om een statutenwijziging, waarbij bepaald zou worden dat de tentoonstellingscommissie voortaan zou bestaan uit drie werkende en twee kunstlievende leden. Dit voorstel werd afgestemd. Het conflict groeide uit tot een heftige rel, zodat in de kranten al werd gesproken van "scheuring" binnen het genootschap. Zo ver kwam het niet, maar wel trad in 1962 de voltallige tentoonstellingscommissie af. Een commissie van goede diensten kreeg in november van dat jaar de opdracht om na te gaan welke fouten door het bestuur waren gemaakt en hoe tegemoet kon worden gekomen aan de wensen van beide groeperingen. Dank zij het werk van deze commissie werden de verhoudingen weer hersteld Inv.nr. 234. .
Vriendschappelijke vereeniging - De Hanekam Hoewel het in de doelstelling van 1807 niet met zoveel woorden wordt gezegd, mag men wel aannemen dat het bevorderen van het vriendschappelijk verkeer tussen de leden vanaf het begin op het programma van het genootschap heeft gestaan. In de statuten uit de 20ste eeuw wordt het wel nadrukkelijk genoemd. Van de in 1858 opgerichte Vriendschappelijke Vereeniging konden zowel werkende als kunstlievende leden tegen betaling van een contributie van fl. 3.= per jaar lid worden. De wekelijkse bijeenkomsten werden 's winters in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen en 's zomers in de Sociëteit Buitenlust aan de Maliebaan gehouden. De leden mochten buiten Utrecht wonende personen voor de duur van zes weken introduceren. Op de voorjaarsledenvergadering werd jaarlijks een commissie van drie personen geïnstalleerd die met het financieel beheer en de organisatie van de bijeenkomsten werd belast. Zij moest de goede sfeer op de wekelijkse avonden bewaren en zo nodig als "scheidsman bij geschillen" optreden. De commissie schafte kranten en tijdschriften aan voor de leestafel. Ook was er gelegenheid tot het doen van gezelschapsspelen en werden er wel voordrachten ten beste gegeven Reglement van 1858, inv.nr. 39. . Een andere taak van de commissie was het organiseren van de jaarlijkse excursie of buitendag. Voor zover bekend werd de eerste buitendag in 1863 gehouden. Per tentwagen ging het toen naar Oud-Leusden. In de volgende jaren werden o.a. tochten gemaakt naar Amerongen, de Grebbeberg, de Lage Vuursche, Apeldoorn, Haarlem en Berg-en-Dal. Omdat zij zich financieel niet kon handhaven, werd de Vriendschappelijke Vereeniging in 1889 samengesmolten met het genootschap. Voortaan hadden alle leden van Kunstliefde gratis toegang tot de vriendschappelijke bijeenkomsten. Desondanks bleef de opkomst mager. Alleen een klein groepje, voornamelijk werkende leden, maakte van de gelegenheid gebruik. Aan datzelfde euvel leed ook de in 1947 opgerichte sociëteit "De Hanekam". Ook zij was bestemd voor alle leden, maar in de praktijk zag men er voor het merendeel werkende leden. Waarschijnlijk werd dit min of meer in de hand gewerkt door het feit dat de sociëteitsavond samenviel met de tekenavond. De sociëteit werd aanvankelijk gerund door de Hanekamcommissie. In 1975 werd het beheer toevertrouwd aan de Contactcommissie. De Hanekam was toen zo verlopen, dat men het nodig vond haar opnieuw te openen. Op 15 februari 1975 werd zij om 23.00 uur, na afloop van de tekenavond, door Frans Erens officieel heropend met een inleiding over "rariteiten" uit zijn diacollectie Inv.nr. 64, 1975. . In een open brief werden de kunstlievende leden (maart 1975) door de Contactcommissie aangespoord de Hanekamavonden te bezoeken, opdat deze geen onderonsjes van uitsluitend werkende leden zouden worden. "Een belangrijk deel van het Kunstliefdegebeuren vindt op de Hanekam plaats", aldus deze brief Inv.nr. 64, 1975. .
1. Lijst van ere-voorzitters, voorzitters, secretarissen, penningmeesters en directeuren over 1807-1977 N.B. De jaartallen geven het benoemingsjaar weer De jaartallen geven het benoemingsjaar weer Ere-voorzitters A.W. Nieuwenhuysen, 1890 A. van Everdingen, 1907 Dr. W.C. Schuylenburg, 1937 B.J. Kerkhof, 1951 Voorzitters Mr. F.J.O. Boymans, 1816 Prof. J. Bleuland, 1817 D.J. Singendonck, 1818 Mr. H.M.A.J. van Asch van Wijck, 1819 W. Koopman, 1820 J. van den Velden, 1821 Mr. F.J.O. Boymans, 1822 Prof. J. Bleuland, 1823 A.J. van Mansvelt, 1824 J. van den Velden, 1825 D.J. Singendonck, 1826 Prof. J. Bleuland, 1827 W. Koopman, 1828 J. van den Velden, 1829 D.J. Singendonck, 1830 Mr. L.Th. Nepveu, 1831 Mr. J.C. Martens, 1832 J. van den Velden, 1833 P. C. G. Poelmans, 1834 F.J.B. baron van Heeckeren van Brandsenburg, 1835 Mr.J.C.Martens, 1836 Mr. P. Ras, 1837 J.A. Nepveu, 1838 J. Hora Siccama, 1839 Mr. N.P.J. Kien, 1840 Dr. G. Munnicks van Cleeff, 1841 Jhr. P. van Loon, 1842 G.J. Beeldsnijder van Voshol, 1843 P. Poelman, 1844 F.C. Barneveld, 1845 Jhr. P. van Loon, 1847 Mr. J. Gerlings, 1848 W. J. van Beeck Calkoen, 1849 Dr. A. Vrolijk, 1850 Mr. F.H.C. Drieling, 1851 D.E.L. van Fockenberg, 1852 Mr. C.W. Moorrees, 1853 P. de Beaufort, 1854 Mr. W.M.J. van Dielen, 1855 D.E.L. van Fockenberg, 1856 Mr. H.G. Römer, 1857 Jhr. E. van Heemskerck van Beest, 1858 Mr. W.M.J. van Dielen, 1859 Jhr. C.A. Rethaan Macaré, 1860 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1861 Jhr. E. van Heemskerck van Beest, 1862 Mr. W.M.J. van Dielen, 1863 Mr. H. G. Römer, 1864 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1865 W.C.P. baron van Reede van Oudshoorn, 1866 Mr. H.G. Römer, 1867 J.C. Clotterbooke Patijn van Kloetinge, 1868 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1869 W.C.P. baron van Reede van Oudshoorn, 1870 Mr. J. des Tombe, 1871 J.C. Clotterbooke Patijn van Kloetinge, 1872 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1873 A.J.A. von Kellner, 1874 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1876 A.J.A. von Kellner, 1879 P.F. baron van Heerdt, 1880 Mr. C.M. Blankenheym, 1881 Mr. F.A.L. Ridder van Rappard, 1882 A.J.A. von Kellner, 1883 Mr. W.J . Royaards van den Ham, 1884 A.J. Nijland, 1885 A. van Everdingen, 1886 Dr. J.C. van Eeten, 1887 Mr. W.J. Royaards van den Ham, 1888 A.J. Nijland, 1889 Mr. F. de Beaufort, 1890 J.D. Oortman Gerlings, 1892 Prof. Dr. H. Snellen, 1893 D.G. Bingham, 1894 J.W. Kaiser, 1895 S.J. Droogleever, 1896 H.F. Knol, 1898 C.E.J. de Bordes, 1899 Dr. G.J. Hofs, 1901 Mr. J.L.A. Nepveu; vervangen door Jhr. W.H.P. Calkoen, 1902 Jhr. W.H.P. Calkoen; vervangen door Mr. C. Neytzell de Wilde, 1903 I.H.J. van Lunteren, 1904 Mr. J.L.A. Nepveu, 1905 A. van Everdingen, 1906 Mr. J.L.A. Nepveu, 1907 W. Leydenroth van Boekhoven, 1908 Jhr. Mr. W.H. de Savornin Lohman, 1909 vacature, 1911 Prof. Dr. W. Vogelsang, 1912 Dr. W.C. Schuylenburg, 1930 B.J. Kerkhof, 1937 J. Engelman, 1951 Mr. J.H. des Tombe, 1959 lr. K. van der Gaast, 1965 Secretarissen-penningmeesters P.A. Beelaerts, 1807 W.A. Haanebrink, 1812 W.J. van Beeck Calkoen, 1837 J.H. Schober, 1846 R. Dufour, 1851 J.D. Gerlings, 1855 Mr.P. verLoren van Themaat, 1858 Mr.W.H.J.Royaards, 1885 Secretarissen Jhr. Mr. F.W. Radermacher Schorer, 1886 Dr. G.J. Hofs, 1892 C.W.J. Kymmell, 1900 A.P.L. Spuybroek, 1903 vacature, 1911 Dr. N.G. van Muffel, 1912 P.T.A. Swillens; vervangen door C.L.J. Begeer, 1930 W. Wagenaar, 1932 L.F. Wijmans, 1933 G. ter Horst, 1940 Tj. de Vries, 1943 L.F. Wijmans, 1946 M. Pauw, 1951 P. Vermeulen, 1956 J.F. Rodrigo, 1964 P. Vermeulen, 1966 H.P. Sluis, 1968 J. Goldenbeld, 1970 A.M. Manten, 1972 W. Maters, 1975 Penningmeesters Mr.W.H.J. Royaards, 1886 H. Oortman Gerlings, 1890 Mr. C.C.W. Vis, 1891 Mr. J.G. Brouwer Nijhoff, 1893 W.C.M. van Eeten, 1901 Chr. Eeuwens, 1903 Jhr. Mr. W.H. de Savornin Lohman, 1904 E.C. Suermondt, 1910 vacature; waarneming door de secretaris, Dr. N.G. van Huffel, 1916 Jhr. Dr. M.R. Radermacher Schorer, 1930 L. Brom, 1937 Dr. W.J. van Heteren, 1940 Jhr. Th. E. de Brauw, 1949 H.L. van den Bosch, 1968 J. de Bakker, 1975 Directeuren J.B. Kobell en P.C. Wonder, 1807 P.C. Wonder en A.J. van Mansvelt, 1809 P.C. Wonder, 1810 B. van Straaten, 1822 B. de Poorter, 1849 A.W. Nieuwenhuysen, 1859 A. van Everdingen, 1890 Ant. E. Grolman, 1898 J.C.U. Legner, 1901 G.W.P. van Dokkum, 1903 J. Gabriëlse (tot 1916), 1912
2. Lijst van gehouden tentoonstellingen over 1807-1977 N.B. De gegevens voor deze lijst zijn voornamelijk ontleend aan inv.nrs. 36, 241-246, 250-253 en 257-278 De gegevens voor deze lijst zijn voornamelijk ontleend aan inv.nrs. 36, 241-246, 250-253 en 257-278 1848 werk van levende meesters, 17 juli-18 augustus. 1857 werk van leden, april. 1859-1861 werk van leden, april. 1861 werk van kunstenaars uit binnen- en buitenland, juni. 1862-1866 werk van leden, april. 1866 werk van levende meesters, 11 juni-8 juli. 1867-1878 werk van leden, april. 1879 werk van leden, 12-27 april. 1880 werk van leden, mei. 1881 werk van leden, april. 1882 werk van leden, 22 april-7 mei . 1883 tekeningen bijeengebracht door de leden t.g.v. het 75-jarig bestaan van Kunstliefde, 22-29 april. 1884 werk van leden en niet-leden, 30 maart-20 april. 1885 werk van leden, april. 1886 werk van levende kunstenaars, 21 juni-11 juli. 1887 werk van leden, 9-25 april. 1888-1890 werk van leden, april/mei. 1891-1893 werk van leden, april. 1894 werk van leden, 1-26 april. 1895 werk van leden, april. 1896 aquarellen van W.E. Roelofs jr. en F.A.E.L. Smissaert, 12-22 februari. werk van leden, april. 1897 werk van leden, april. 1898 werk van leden, april. "De luister van het geslacht Oranje-Nassau", portretten en historieplaten uit de atlas van A.J. Nijland, september. 1899 werk van leden, 2-16 april. reclamebiljetten, titels etc. uit Nederland, België, Frankrijk etc. (collectie Joh. A. Moesman), 23-30 april. schilderij van O.Eerelman, voorstellende de intocht van H.M. koningin Wilhelmina binnen Amsterdam, oktober. 1900 werk van leden, april. schilderij met zinnebeeldige voorstelling van Willem van den Heuvel, mei . 1901 werk van leden, april. schilderijen en studies van Herman van der Haar, 27 april-5 mei. 1902 aquarellen van Anth. E. Grolman, 22 januari-9 februari. aquarellen, schetsen en tekeningen van de stad Delft van Karel Hanau, maart. werk van leden, apri1. 1903 werk van leden, maart/april. 1904 werk van leden, april. tekeningen in wit en zwart, 24 april-1 mei. 1905 werk van leden, 23 april-7 mei. werk van leden en andere kunstenaars, 10 oktober-8 februari 1906. 1906 werk van Anth. E. Grolman, 3-25 maart. werk van leden, april. schilderijen en tekeningen van de Gooise club "De Tien", 21 oktober-... schilderijen van J. Jeanot, 30 oktober-3 november. schilderijen en studies van H.O. van Thol en A. van Thol-Ruysch, 18 november-9 december. 1907 schilderijen en tekeningen van A.H. Koning en A.L. Koster, 7-23 januari. oude en nieuwe Japanse kunst (collectie firma wed. C.G. Kleykamp, Rotterdam), 30 januari-17 februari. werk van leden, 16-30 juni. schilderijen en aquarellen van E.R.D. Schaap en M. Schaap-van der Pek, november. schilderijen, aquarellen en tekeningen van kunstenaars die lid zijn of zijn geweest van Kunstliefde, 21 december-5 januari 1908. 1908 etsen van J.M. Graadt van Roggen, 1-15 maart. werk van leden, 5-20 april. reprodukties van Vlaamse Primitieven, 3-7 juni. schilderijen en tekeningen van Joh. Gabriëlse, 1-15 november. aquarellen van Anth. E. Grolman, 29 november-20 december. 1909 schilderijen en tekeningen van Barend Polvliet, 17-31 januari. werk van leden, 11-25 april. isographieën van Meurs, naar tekeningen en etsen van Vincent van Gogh, Anton Mauve, Matthijs Maris e.a., 15-30 juni. Engelse en Amerikaanse reclamebiljetten, boekomslagen etc. (collectie Joh. A. Moesman), 27 december + 4 en 5 januari 1910. 1910 werk van G.W.P. van Dokkum, 8-22 januari. schilderijen etc. uit de groot-industrie van Herman Heyenbrock, 2-20 februari. schilderijen van Frans Oerder, 6-20 maart. werk van leden, 10-24 april. werk van leden op de Utrechtse Provinciale tentoonstelling van Kunst, Handel en Nijverheid in Tivoli, juni. schilderijen van Bram van der Wissel, 11-25 september. schilderijen en tekeningen van A.J.G. Colnot, D.H.W. Filarski en H. Volmar, 4-25 december. 1911 Japanse en Chinese kunstvoorwerpen (collectie firma wed. C.G. Kleykamp, Den Haag), 4-22 januari. schilderijen en tekeningen van Jac. J. Doeser, 5-22 februari. prentbriefkaarten betreffende het Huis van Oranje (collectie Joh. A. Moesman), 29 maart-3 april. werk van leden, 16-30 april. 1912 schilderijen en studies van Herman van der Haar, 6-24 maart. werk van leden, 21 april-5 mei. 1913 werk van leden, 20 april-4 mei. medailleerkunst, munten en penningen, 7-30 juni . reprodukties van Vlaamse primitieven (collectie J.A. Begeer), oktober. aquarellen van J. Jeanot en Paul Rossart, 17 december-1 januari 1914. 1914 werk van leden, met een maquette van het Dondersmonument van Toon Dupuis, 5-26 april. Utrecht in beeld, 30 mei-19 juli. werk van leden, 1-29 november. de Tauromachia van Goya, serie van 30 etsen van stierengevechten (collectie firma R.W.P. de Vries, Amsterdam), december. werk van Vaarzon Morel, 20 december-10 januari 1915. 1915 etsen en beeldhouwwerken van C. van Brandenburg, A. Derksen van Angeren, J.M. Graadt van Roggen, W. van Leusden, Jan Poortenaar, A. van Weezel Errens, mevrouw R.W. van Dantzig, August Falise, 17 januari-7 februari. etsen van A. Berton, E. Chahine, Seymour Haden, A. Legros, A. Lepere, A. Zorn, 14 februari-7 maart. werk van leden, 4-25 april. schilderijen van Le Fauconnier, mei. bloemstillevens, 18 juli-15 augustus. aquarellen, tekeningen en etsen van leden, 26 september-24 oktober. grafische kunst van leden van de "Vereeniging tot bevordering der grafische kunst", 7 november-6 december. 17de-eeuwse schilderkunst (collectie firma J. Goudstikker, Amsterdam), 12 december-3 januari 1916. 1916 schilderijen en andere kunstwerken, afgestaan t.b.v. de bouwfondsverloting van "Pictura Veluvensis" te Renkum, 23 januari-6 februari. werk van leden, 2-30 april. 1917 werk van leden van de Haagsche Kunstkring, 11-19 februari. werk van leden van de Vereeniging "Nederlandsche Kunstkring", 20 mei-10 juni. schilderijen van G.W. van Yperen, 18 november-2 december. ontwerpen voor een reclameplaat voor de tweede Nederlandse jaarbeurs, 23-30 december. 1918 menu's van Joh. A. Moesman, 18-29 september. 1919-1920 geen tentoonstellingen. 1921 schilderijen, tekeningen, grafiek, beeldhouw- en boetseerwerk van kunstenaars uit Utrecht, De Bilt (Bilthoven), Zeist, Jutphaas, Maarssen, Maartensdijk, Ouderijn en Bunnik, 1-15 mei. 1922-1925 geen tentoonstellingen. 1926 werk van C.W.J. Kymmell (in hotel Des Pays Bas), 26 januari. werk van W. van den Heuvel (in hotel Des Pays Bas), 20-27 februari. werk van Jozef Hoevenaar en enkele andere leden, 20-22 november. 1927 geen tentoonstellingen. 1928 geen tentoonstellingen 1929-1930 geen tentoonstellingen. 1931 werk van G.W.P. van Dokkum, 12 september-1 oktober. 1932 internationale tentoonstelling van nieuwe fotografie, onder auspiciën van o.a. Kunstliefde (in Kunstzaal Wagenaar), 17-26 december. 1933 werk van leden, 29 oktober-19 november. 1934 werk van leden (in het Stedelijk Museum te Maastricht), 17 juni-1 juli. werk van leden, 11 november-2 december. 1935 werk van leden, 10 februari-3 maart. werk van leden van de Limburgse Kunstkring, juni. werk van leden, 27 oktober-17 november. 1936 werk van leden, 16 mei-7 juni. werk van leden (in het Stedelijk Van Abbe-Museum te Eindhoven), 3 oktober-15 november. 1937 kunstnaaldwerk van Hildegard Brom-Fischer, emaillekunst van Johanna Brom, beeldhouwwerken en tekeningen van Jo en Stef Uiterwaal, 9-31 januari. moderne kunst uit Utrechts particulier bezit, 30 juli-4 september. werk van leden uit de jaren 1807-1937 (in het Centraal Museum), 16 oktober-14 november. werk van leden (in de zalen van "Pictura" te Groningen), 12-27 december. 1938 moderne kunst uit Utrechts particulier bezit, 30 juli-11 september. werk van Kees van Dongen, 8 oktober-7 november. werk van leden, 14 november-11 december. werk van Toon Kelder, 16 december-8 januari 1939. 1939 werk van Franse en Italiaanse moderne meesters (Bracque, Chagall, Lurcat, Metzinger, Picasso, Severini, De Chirico en Tozzi), 13 januari-5 februari. werk van Oskar Kokoschka., 7 februari-12 maart. schilderijen van Otto van Rees en beeldhouwwerk, tekeningen en grafiek van Céphas Stauthamer, 22 maart-10 april. werk van Cornelis L.J. Begeer, medailleur, 11-18 april. schilderijen van Constant Permeke, 21 april-14 mei. stillevens van leden, 27 mei-19 juni. oude Aziatische, in het bijzonder Chinese, kunst uit particuliere collecties, 13 oktober-5 november. werk van Johan Buning, 11-26 november. schilderijen van Harry Kuyten, 8-28 december. 1940 werk van Matthieu Wiegman, 5-21 januari. schilderijen, tekeningen en grafiek van Sierk Schröder, 27 januari-11 februari. "Beeldhouwwerken en beeldhouwerstekeningen" van T.W. Mari Andriessen, L.P.J. Braat, F. Carasso, F.J. van Hall, J. Havermans, Gijs Jacobs v.d. Hof, Hildo Krop, Johan Polet, John Raedecker, B. Sondaar, Céphas Stauthamer, Jules Vermeire, Charles Vos, J. Wertheim en J. Wezelaar, 23 februari-17 maart. schilderijen van Louise van Holthe tot Echten en Raoul Martinez, 13 april-4 mei. werk van leden, 25 mei-16 juni. schilderijen en tekeningen van K. Andréa, 28 september-13 oktober. damesportret van Pyke Koch, 26 oktober-6 november. werk van leden, 16 november-8 december. oude Chinese en Japanse kunst uit de Tikotin-verzameling, 14 december-5 januari 1941. 1941 schilderijen van Dirk Oudes en gouaches van H.M. van der Spoel, 1-16 februari. schilderijen en tekeningen van Gerrit van 't Net, 8-23 maart. beeldhouwwerken en tekeningen van Johan van Zweden, 12-27 april. zelfportretten en stillevens van leden, 23 mei-15 juni. tekeningen van Christophe Karel Henri de Nerée tot Babberich en borduurwerken van mevrouw De Nerêe tot Babberich-van Houten, 4-20 juli. schilderijen, tekeningen en lithografieën van S. Moulijn, 20 september-5 oktober. schilderijen van leden, voorstellende het Geertekerkhof, 11-26 oktober. schilderijen en tekeningen van Germ de Jong, 1-16 november. werk van leden, 22 november-7 december. werk van de Haagse schilders Andréa, Draijer, Van Heel, Kamerlingh Onnes, Kramer, Kromjong, De Moor, Péterin en Smith, 20 december-7 januari 1942. 1942 tekeningen van S. Salim, Céphas Stauthamer en Laurens Tuynman, 14-29 maart. schilderijen en tekeningen van prof. H.J. Wolter, 11-26 april. werk van leden, 9-25 mei. schilderijen, tekeningen en grafiek van prof. Hans Orlowski, 6-21 juni. schilderijen en tekeningen van Jacob, Matthijs, Simon en Willem Maris, 17 oktober-5 november. schilderijen van de Franse schilders F. Deshayes, R. Maguet en E. Sigrist en tekeningen van de Utrechtse kunstenaar A. Frederikse, 21 november-6 december. schilderijen en tekeningen van meesters van de Haagse School, o.a. Jacob, Matthijs en Willem Maris, Théophile de Bock, M.H. Blommers, L.J. Akkeringa, Paul Arntzenius en S. Mesdag-van Houten, 12 december-12 januari 1943. 1943 werk van leden, 23 januari-7 februari. schilderijen en tekeningen van Nico Wijnberg en Theo Kurpershoek, 27 februari-14 maart. Franse affiches, 3-24 april. tekeningen en grafiek van R. Bresdin, P. Gauguin, W. van Leusden en J.M. Prange, 15-30 mei. schilderijen en tekeningen van Co Breman, 26 juni-11 juli. tekeningen van Hollandse en Vlaamse meesters uit de 16de en 17de eeuw (collectie J.J.M. Wiegersma), 25 juli. schilderijen en tekeningen van Freek van den Berg, 3-17 oktober. Indische miniaturen, Japanse surimonos en houtsneden uit diverse collecties, 6-21 november. werk van leden, 27 november-19 december. 1944 etsen van Willem Witsen, Willem de Zwart en Pierre Dupont, 15-30 januari. werk van Paul Arntzenius en Frans Völlmer, 19 februari-5 maart. etsen van Jan Poortenaar en aardewerk van Luigi de Lerma en van "Tiglia" uit Tegelen, 8-23 april. werk van Haagse en andere schilders, 29 april-14 mei. werk van leden, 21 mei-4 juni. werk van Otto van Rees, 25 juni-8 juli. kindertekeningen (inzendingen Lubro-jubileumprijsvraag) en 4 modellen van Utrechtse beeldhouwers voor een gevelplastiek van de Lubrofabrieken, 14-24 augustus. 1945 werk van leden die tijdens de Duitse bezetting geen lid van de Kultuurkamer zijn geweest, 22 september-7 oktober. schilderijen, tekeningen en etsen van Elisabeth Adriani-Hovy, 8-23 december. 1946 schilderijen en aquarellen van Johan Buning, 26 januari-10 februari. tekeningen en schilderijen van leden, 23 februari-9 maart. werk van leden-beeldhouwers, 6-21 april. tekeningen en grafiek van Dirk van Gelder, 4-18 mei . werk van Johan Gabriëlse, 28 september-12 oktober. werk van A.C. Willink, waaronder een dubbelportret van F.H. Fentener van Vlissingen en J.W. van Beuningen, directeuren van de Steenkolen Handelsvereniging, 15-18 oktober. werk van leden, 9-24 november. werk van N. Eekman, 7-20 december. 1947 tekeningen van Nederlandse meesters uit de 17de eeuw uit particuliere collecties, 12-26 januari. werk van K. Andréa, 1-23 februari. werk van Fred. Sieger, eind maart-.. april. grafiek van Goya, Pascin en Kubin, 19 april-4 mei. schilderijen en tekeningen van leden over de onderwerpen "Utrechts stadsgezicht" en "oorlogsjaren", mei . schilderijen en tekeningen van Henk Krijger en Jaap Wagemaker, en grafiek van Bert Bouman en Madeleine Melsonn, 31 mei-15 juni. werk van Herman Kruyder, 6-28 september. werk van leden uit de jaren 1807-1947 (in het Centraal Museum), 11 oktober-9 november. schilderijen, aquarellen en pastels van Karin Eyck, Ger Lataster en Pieter Defesche, 18 oktober-2 november. schildersprenten 1947, 15-30 november. 1948 schilderijen van de Parijse Nederlanders Frits Klein, Mena Loopuit, Frans Boers, Chr. Bouwmeester, Marie Raymond en Nic Warb, 17 januari-1 februari. werk van Leo Gestel, 14-29 februari. tekeningen van Paul Citroen, 6-21 maart. werk van de Hollandse Aquarellistenkring, 24 april-9 mei."Zes Hagenaars", werk van Hubert Bekman, Herman Berserik, Jan van Heel, Ferry Slebe, Henk Hunnik en Theo von der Nahmer, 22 mei-6 juni. werk van Jan Boon Azn., Antoinette Gispen, Joop Hekman, Loukie van Luyn-Metz en Perdok, 12-26 juni. schilderijen van Raoul Martinez, 25 september-10 oktober. werk van de schilder-arts Hendrik Wiegersma, 23 oktober-7 november. werk van leden, 20 november-8 december. werk van de Amsterdamse groep "De tien realisten", ook wel de "Groep Wijnberg" genoemd, 11-26 december. 1949 werk van Dolf Henkes, 22 januari-6 februari. werk van leden (in de zalen van Pulchri Studio te Den Haag), 13-26 februari. werk van leden van Pulchri Studio, Den Haag, 19 februari-6 maart. werk van Cornelis van Leeuwen, 19 maart-3 april. schilderijen uit Utrechts bezit, (1)-15 mei. werk van Reinhart Dozy (onder auspiciën van de Vereniging "Drente" te Utrecht), 11 juni-3 juli. werk van leden (in het Centraal Museum), 18 juli-14 augustus. werk van Kees van Dongen, 7-28 augustus. werk van Adriaan van der Weyden en Dick Zwier, 17 september-2 oktober. schilderijen en pastels van Sierk Schroder en werk van Paul Citroen, 29 oktober-13 november. "Nutidig Hollandsk Kunst", werk van leden in het raadhuis van Aarhus (Denemarken), 26 november-11 december. Middeleeuwse religieuze kunst, 17-24 december. 1950 schilderijen en tekeningen van H.K.H. Prinses Wilhelmina, 7-29 januari. beeldhouwwerken van Pier Arjen de Groot en Hans Ittman, en schilderijen van Frans van Steenhoven, 25 februari-12 maart. werk van leden, 6-23 april. werk van Sipke Cornelis Houtman, 13-26 mei. werk van leden op de middenstandstentoonstelling "De drie zuilen" in de Jaarbeursgebouwen, mei. schilderijen en tekeningen van Han Hulsbergen, 3-16 juli. kinderfoto's van Nico Jesse, 23 september-7 oktober werk van leden, 18 november-6 december. 1951 moderne schilderijen uit de verzameling van P.A. Regnault, 13-28 januari. schilderijen en tekeningen van Carel Stegeman en Françoise André, 10-25 februari. collages van Anni Apol, pastels en litho's van Harke Wiersma, 3-18 maart. beeldhouwwerken en tekeningen van leden-beeldhouwers en tekeningen van Trudi Schlatter, 5-20 mei. schilderijen en tekeningen van werkende leden, 9-24 juni. werk van leden, 1-16 december. werk van Janus en Jo de Winter, ?. 1952 werk van Otto van Rees en Luigi de Lerma en werk van de Utrechtse beeldhouwers Joop Hekman, Pieter d'Hont, Maarten Pauw, Renê van Seumeren en Charles Weddepohl, 19 april-4 mei. werk van leden (in de Waag te Nijmegen), 20 oktober-10 november. werk van leden, 22 november-8 december. Chinese en Japanse tekeningen en houtsneden, Aziatische plastiek en Indonesische krisknoppen, 20 december-4 januari 1953. 1953 werk van mevrouw E. Adriani-Hovy, 7-22 februari. portretten, brieven, documenten, manuscripten en curiosa betreffende Nicolaas Beets t.g.v. zijn 50ste sterfdag; met afgietsels van het Hildebrand-monument van prof. J. Bronner, 7-29 maart. werk van leden, 9 mei-.. pastels uit Mallorca en Ibiza van Jan van Ham, 7-22 november. Nijmeegse gemeenschap van beeldende kunstenaars, 17 oktober-1 of 2 november 1953. werk van leden, 28 november-13 december. 1954 werk van leden, 24 april-9 mei. werk van Piet van der Hem, 12-27 juni. tekeningen van Dirk Oudes, 16-31 oktober. schilderijen, tekeningen en grafiek van Johannes Bezaan, 13-28 november. werk van Otto B. de Kat, 18 december-2 januari 1955. 1955 werk van J.N.A. Vergeer, 22 januari-6 februari. werk van R. Frankot, 26 februari-13 maart. schilderijen en tekeningen van Kees Andréa, 30 april-15 mei. werk van leden, 21 mei-12 j uni. werk van Francois Desmoyer (i.s.m. "De Utrechtse Kring"), 2-31 juli. werk van B.J. Kerkhof en Willem van Kuilenberg, 22 oktober-5 november. werk van leden, tevens herdenkingstentoonstelling van Micha Landt, 26 november-11 december. beeldhouwwerken van mevr. G. Rueter, L.H. Sondaar en Pieter d'Hont, en edel smeedwerk van Leo Brom, 23 december-14 januari 1956. 1956 schilderijen en tekeningen van Rudy Bierman, 10-25 maart. werk van David Bautz, 14-30 april. werk van leden, 19 mei-3 juni. schilderijen en tekeningen van Hans Engelman en Max Reneman, 16 j uni-1 juli. werk van leden van de Brusselse schildersgroep "Kore", 20 oktober-4 november. werk van leden, 24 november-9 december. kleurendrukken, houtsneden en bibliophiel werk van W.J. Rozendaal, vervaardigd voor de Stichting "De Roos" te Utrecht, 29 december-13 januari 1957. 1957 werk van H.A. van Meegeren, 2-24 februari. werk van Gerard Princee, 30 maart-14 april. werk van jonge leden, 27 april-12 mei. werk van Anna Zomer, 22 juni-7 juli. "Beitel en palet", werk van leden uit verleden en heden (in het Centraal Museum), 18 oktober-15 december. "Floris Verster uit de Lakenhal te Leiden", 2 november-8 december. schilderijen en gouaches van Trudi Sodenkamp, 21 december-5 januari 1958. 1958 geschilderde, getekende en gebeeldhouwde portretten van Paul Citroen, Sierk Schröder, Pieter d'Hont, Willem Schrofer en Erika Visser, 1-16 februari . schilderijen, tekeningen en ceramiek van Laurens Tuynman, aquarellen van H.H.L. Tieland, en oude gekleurde Chinese houtsneden, 22 februari-9 maart. "Indianen van Brazilië", leven, kunstnijverheid en tekenkunstige uitingen van de indianen in het stroomgebied van de Amazone; met tekeningen van Sonja de Clercq-Westerhout, 12-27 april. werk van leden, 9-24 mei. beeldhouwwerken en tekeningen van Fred. Carasso, 16 juni-6 juli. beeldhouwwerken, tekeningen en aardewerk van Savinio de Chirico, Kees van Dongen, Charles Eyck, Pyke Koch, Luigi de Lerma, Jan Sluyters en Henk Wiegersma, 18 oktober-2 november. werk van leden, 22 november-7 december. werk van Nederlandse beeldhouwers: Marï Andriessen, Prof. V.P.S. Esser, Prof. Paul Gregoire, Fri Heil, Cor Hund, Anneke Höfte, Nico Jonk, Carel Kneulman, H.C.M. van Lith, Willy Mignot, Niel Steenbergen, Arie Teeuwissen, Peter Vos, Hans Wezelaar, 20 december-4 januari 1959. 1959 schilderijen en tekeningen van Hans van der Schaaf, 24 januari-8 februari. gouaches en tekeningen van Perdok, 19 februari-6 maart. "Plastiek en behang" (onder auspiciën van Rath S Doodeheefver), 4-11 april. schilderijen, aquarellen en tekeningen van Herbert Fiedler, 25 april-10 mei. werk van leden, 30 mei-14 juni. werk van leden en andere Utrechtse kunstenaars in het stadhuis van Malmö (Zweden), 23 juli-2 augustus. werk van de Hollandse Aquarellistenkring, 26 september-11 oktober. beeldhouwwerken en tekeningen van Hubert van Lith, 23 oktober-12 november. werk van leden, 21 november-6 december. tekeningen en aquarellen van Utrechtse meesters uit de 17de t/m 19de eeuw (collectie Hans van Leeuwen, Amsterdam), 18 december-3 januari 1960. 1960 Ceramiek van Judith Laqueur-Rêvêsz en grafiek van M.C. Escher, 23 januari-7 februari. schilderijen en tekeningen van Pierre van Soest en Jan Sierhuis, en beeldhouwwerken van Carel Kneulman, 11-27 maart. werk van leden, 9-24 april. "Vorm en evenwicht", werk van Nederlandse beeldhouwers, 18 juni-10 juli. schilderijen, gouaches en tekeningen van Frans Nols en Dick Zw i e r, 1-16 oktober. etsen en litho's van A.J. Veldhoen, 29 oktober-13 november. werk van leden, 26 november-11 december. schilderijen en tekeningen van Nicolaas Wijnberg, 22 december-8 januari 1961. 1961 beeldhouwwerken van Prof. V.P.S. Esser en aquarellen van mevr. Th. W. Esser-Wellensiek, 21 januari-5 februari. "Oog in oog", portretten van leden door leden, 4-19 maart. moderne grafiek in kleuren (uit Rijksbezit) en etsen, houtsneden en litho's van Samuel Jessurun de Mesquita, 15-30 april. schilderijen en aquarellen van Hans Engelman en Jutta Metzger, 3-18 juni. werk van Willem van Leusden, 23 september-8 oktober. schilderijen en tekeningen van J. Sjollema, 21 oktober-5 november. werk van leden, 18 november-3 december. werk van de Nederlandse beeldhouwers F. Blaisse, C. Hund, H.D. Janzen, J.P.W. Meefout, Th. van der Pant, J.Smit en A.J.P. Teeuwisse; gouaches en mozaïek van J. Willems en grafiek van J. Kruiff, 23 december-14 januari 1962. 1962 "Het Utrechts stadsgezicht", werk van leden, 27 januari-10 februari. schilderijen, gouaches en houtsneden van Adriaan van der Weyden, 3-18 maart. schilderijen van Paul Kerkhof, 31 maart-15 april. werk van leden, 3-18 mei. werk van Ina van Blaaderen, Antoinette Gispen, Jo de Recht-de Graaff, Joep Rooduyn, Jatie Schmidt-van Melle, 26 mei-9 juni. "Het dier in de kunst" (i.s.m. de Maatschappij voor Diergeneeskunde), 12 september-6 oktober. "X 5", werk van 5 Keulse kunstenaars: Hans Joachim Block, Ben Granzer, Hans Jürgen Grümmer, Peter Ohlow en R.A. Scholl, 13 oktober-4 november. schilderijen en reisschetsen van Jan van Heel, 10-25 november. werk van leden, 2-16 december. werk van Israëlische kunstenaars, 20 december-13 januari 1963. 1963 werk van Eugène Brands, 26 januari-10 februari. etsen van Zoltin Peeter, 16 februari-4 maart. schilderijen van Anton Rooskens, 9-30 maart. schilderijen en gouaches van Jaap Nanninga, 8-28 april. werk van de "Ring bildender Künstler", 2-26 mei. werk van leden, 30 mei-16 juni. grafiek van Roger Chailloux, 5-27 oktober. gouaches, collages en grafiek van G.L. van den Eerenbeemt, 2-24 november. werk van leden, 30 november-15 december. schilderijen en tekeningen van Friso ten Holt, 21 december-16 januari 1964. 1964 gouaches van Christiaan de Moor, 18 januari-2 februari. schilderijen van Jan van Stekelenburg, 15 februari-8 maart. schilderijen van Jaak Frenken, 14 maart-5 april . werk van leden, 11 april-3 mei. schilderijen, gouaches en grafiek van Frank Lodeizen, 8-30 mei. schilderijen van Willy Noordam en Meike Sund, en plastieken van Lies Maes, 6-28 juni. "Kunst-Liefde-Vrouwen", vrouwenportretten van leden, 16 september-4 oktober. tekeningen van Piet Klaasse, 13 oktober-1 november. werk van leden, 6-29 november. tekeningen en gouaches van Perdok, 12 december-3 januari 1965. 1965 grafiek van Charles Donker, Henk Hester en Koos van der Sluys, en plastieken van Jo Uiterwaal, 9-31 januari. plastieken en tekeningen van Jop Goldenbeld, en schilderijen van Kees Wit, 6-28 februari . schilderijen van Pierre van Soest, 6-28 maart. werk van leden, 3-25 april. schilderijen, gouaches en tekeningen van Lucebert (collectie C.A. Groenendijk en zn., Amsterdam), 30 april-23 mei. schilderijen en etsen van Roelf Frankot, plastieken en monoprints van Ben Guntenaar, 29 mei-25 juni. eigentijdse Nederlandse grafiek (collectie Chr.Leeflang, Utrecht), 16 oktober-7 november. werk van leden, 13 november-5 december. grafiek van Harry van Kruiningen, 11 december-2 januari 1966. 1966 schilderijen van Rik van Bentum en Franck Gribling, en beeldhouwwerken van Theo Niermijer, 8-29 januari. ceramiek, monotypes en gouaches van Luigi de Lerma, 4-26 februari. grafiek van Anton Heyboer, plastieken van Carel Visser, 5-26 maart. werk van Metten Koornstra, 1-23 april werk van leden, 7-28 mei. bekroonde inzendingen voor de Talens-prijs, 1965/66, 4-19 juni. schilderijen en grafiek van Fer Hakkaart, 10 september-1 oktober. grafiek van Ru van Rossum, 8-29 oktober. werk van leden, 5-26 november. collages en mozaïeken van Bert Jonkers, en plastieken van Paulus Reinhard, 3-26 december. 1967 Jonge Nederlandse kunst, 7-28 januari. werk van Jan Arons en (J.A.M.) Blewanus, 4-25 februari. plastieken, gedenkpenningen, aquarellen en tekeningen van Jorien de Kruyff, Wilfried Put en Erik Claus, 4-25 maart. schilderijen, etsen en tekeningen van Willem van Leusden, 1-22 april. werk van leden, 6-27 mei. tekeningen en grafiek van Ed Noyons en Geertjan van Oostende, 3-24 juni. "De stad van morgen", inzendingen van in de stad en de provincie Utrecht wonende kunstenaars voor de "Hoog Catharijneprijs" voor beeldende kunst, 11-31 oktober. werk van Jo de Recht-de Graaff, 11 november-2 december. "Holland-Dada", werk van Paul Citroen, Theo van Doesburg, Kurt Schwitters, Otto en Adya van Rees, Henk Peeters, Arman-do, Jan Schoonhoven, Wim T.Schippers, Pieter Engels e.a. 9-30 december. 1968 "het dier", schilderijen van Adriaan van der Weyden; "de mens", plastieken van Paul Kingma, 13-28 januari. schilderijen, tekeningen en grafiek van Hans Siegmund, en plastieken van Wout Maters, 3-24 februari. wandkleden van Loes van der Horst, 9-29 maart. schilderijen van Rob Figee, en beeldhouwwerken van Jan van Dijk, 6-27 april. werk van leden, 4-25 mei. werk van Rob Otte, 7-28 september. schilderijen, wandkleden, beeldhouwwerken en grafiek van de "Friese primitieven", 23 oktober-3 november. werk van de werkgroep "Wand en ruimte" van "Arti et Industriae", Den Haag, 9-30 november. grafiek van Jan Mensinga, 7-28 december. 1969 werk van leden van de Haagse Kunstkring, 18 januari-5 februari. klein-plastiek van Eka Thoden van Velzen, en werk van Pieter Vijlbrief, 8 februari-1 maart. werk van Sloveense grafici, 15 maart-5 april. werk van leden, 10 mei-1 juni. "Kunstenaars uit Velsen", werk van Wim Bosman, Carmi Butteling, Mariana Bijvoet, Haye Gemser, Paul Höhner, Susanne Nan en Wouter Piersma, 20 september-12 oktober. werk van Lambert Simon, 24 oktober-11 november. werk van leden, 21 november-6 december. 1970 werk van leden, 1-23 mei. werk van Ro Mogendorff, 6-28 juni. schilderijen van Toon van Ham, 12 j uli-2 augustus. werk van leden die in de laatste 5 jaar lid zijn geworden, 23 oktober-8 november. "Wittenburgers in Kunstliefde", beeldhouwwerken, schilderijen en grafiek van Julia van Verschuer, Fioen Blaisse, Irmgard Meefout-Stahl, Theresia van der Pant, Arie Teeuwisse, Herman D. Janzen, Joop Wïllems, Jaap Kruyff, Theodoor Heynes en Jan Meefout, 13 november-6 december. werk van het Grafisch gezelschap "De Luis", 12 december-10 januari 1971. 1971 schilderijen en gouaches van Theo Michels, 25 februari-16 maart. schilderijen en gouaches van Nico Molenkamp, 17 april-16 mei. werk van leden, 22 mei-13 juni. werk van de graficus-pottenbakker Laurens Tuynman, 26 september-17 oktober. plastieken van Gooitzen de Jong, en gobelins en tekeningen van Jeltje de Jong, 29 oktober-21 november. "Vrouwen van Kunstliefde", werk van Ton Diekstra, A.L. Boellaard van Heeckeren, Emmy Eerdmans, Antoinette Gispen, Charlotte Groen, Jo de Recht, N. van Spaendonck-Dolk, Eka Thoden van Velzen en Plony van Zuylen, 27 november-18 december. 1972 "Drie jonge grafici", werk van Anneke van Brussel, Ton Gravelijn en Frits Drent, 8-30 januari. werk van Adriaan van der Weyden, 4-27 februari . werk van Jan van Ham, 5-27 maart. schilderijen en gouaches van Annemari van Zanten-Eilers, en plastieken van Ek van Zanten, 14 april-7 mei. werk van leden, 12 mei-4 juni. werk van de "Utrechtse Amateur Fotografen Vereniging", 19 augustus-3 september. werk van de Poolse schilder en graficus Stanislaw Masiak, 14 oktober-6 november. werk van leden, 18 november-6 december. schilderijen en grafiek van Kees den Tex, 16 december-7 januari 1973. 1973 "Waanzinnige wereld", werk van leden, 27 januari-18 februari. plastiek van Kees van der Woude, schilderijen van Albert Robbe, 3-25 maart. "Johan Uiterwaal 1892-1972", 7-30 april. werk van leden, 2-24 juni. etsen en foto's van Pol de Jong, Lydia Luyten, Ab Steenvoorden, Marius Vroegindewey en Frans Montens; en wandkleden van Lydia Luyten, 22 september-14 oktober. werk van Germ de Jong, 27 oktober-18 november. werk van leden, 24 november-9 december. werk van de winnaars van de Bernard Johan Kerkhof-prijs, 15 december-6 januari 1974. 1974 grafiek van Niels van Spaendonck, en beeldhouwwerk van Joep Faddegon, 12 januari-3 februari. grafiek van J. Bragen en glassculptures van Bert van Loo, 9 februari-3 maart. ceramiek van Barend Thijs Voerman, en steenplastiek, tekeningen, etsen, lino's en monoprints van Jan Gierveld, 9-31 maart. schilderijen van Gerbrand Volger, 6-28 april. werk van leden, 3-26 mei. 1975 plastieken, olieverven en gouaches van Leonie en Niek Molenaar, 11 januari-2 februari. beeldhouwwerk en schilderijen van Wout Maters en Hans Siegmund, 7 februari-2 maart. schilderijen van de "Friese primitieven", 7-30 maart. tekeningen, grafiek en schilderijen van Fred Fritschy, en beeldhouwwerk van Joop Wouters, 4-27 april. werk van leden, 2-25 mei. "Het voor-laatste realisme", schilderijen van Hans van Rossum, 28 mei-22 juni. schilderijen, tekeningen en plastieken van Eef van Maanen, 29 augustus-21 september. schilderijen van Geni Peter, 26 september-19 oktober. tekeningen, schilderijen, plastieken en sieraden van Josëphine van der Hout, Nol Manten en Jan Scherjon, 24 oktober-16 november. "Klaas kunst koop", werk van leden, 25 november-6 december. werk van Willem van Leusden, 13 december-11 januari 1976. 1976 "Nieuwe leden 1975", werk van Nel van Dijkhuizen, Anco van der Haar, Ben van Helden, Gerda van Leeuwen en Bert Temming, 23 januari-11 februari. schilderijen van Marten Klompien, 13 februari-7 maart. "Kunst aus Utrecht", werk van leden en niet-leden (in "Kubus" en "Gedok-Haus" te Hannover), 15 februari-21 maart. grafiek en schilderijen van Antoinette Gispen, 13 maart-4 april. "Aan de bok en voor de ezel", kleur- en vormvariaties van Pieter Vijlbrief, 9 april-2 mei. werk van leden, 7 mei-5 juni. bronsplastieken van Bram Roth en aquarellen van Theo Bitter, 11 juni-4 juli. tekeningen, grafiek en schilderijen van Charlotte Groen, 28 augustus-19 september. etsen van Anne Huitema, 24 september-10 oktober. schilderijen en pastels van Nora van der Flier en Gootje Horst, 16 oktober-7 november. werk van leden, 12 november-4 december. schilderijen, etsen en pastels van Willy Belinfante en Laetitia de Haas, 10 december-2 januari 1977 1977 "Nieuwe leden 1976", werk van Wies Jansen, Eugène Jongerius, Erik Rijssemus, Gerben Weidema en Philip Wiesma, 7-30 januari. glasplastieken, tekeningen en collages van Hans van Lunteren, 4-26 februari. schilderijen en tekeningen van Joop Sjollema, 4-28 maart. grafiek van Paul de Koning en plastiek van Renske Morks, 2-24 april. werk van leden, 29 april-22 mei. "Kafig", tentoonstelling van het Künstlersyndikat Frankfurt, 27 mei-18 juni. schilderijen, tekeningen en etsen van Barbara, Rudolf en Sabine Vess, 26 augustus-18 september. werk van Gé ter Horst, 23 september-14 oktober. olieverf, tempera en gouaches van Frans van Hienen, Ron Watts en Pim Leefsma, 22 oktober-13 november. werk van Rien Goené, 18 november-11 december. schilderijen van Jan van Heel, 16 december-8 januari 1978.
Tekenoefeningen In het begin van de 19de eeuw konden de leden van Kunstliefde zich één avond per week oefenen in het tekenen naar gekleed model. De tekenoefeningen stonden onder leiding van een der directeuren, die het model "stelde", d.w.z. in de gewenste stand plaatste. Reeds in 1814 werd besloten twee avonden per week te tekenen, zowel naar gekleed als mannelijk ongekleed model . In 1816 werd bovendien het tekenen naar "pleister" ingevoerd. Ook besloot men in dat jaar op de tekenavonden een half uur uit te trekken voor theoretisch onderwijs. Dit onderwijs werd aanvankelijk tegen een kleine vergoeding door twee leden, onder toezicht van de directeur, gegeven. Later werd slechts één lid met deze taak belast. De onderwijzer werd elk jaar door het bestuur aangewezen. Omstreeks 1850 werd "al wat betrekking (had) tot de keus en de bezorging der modellen, het kleden en stellen derzelve" opgedragen aan zg. stellers. Deze stellers werden jaarlijks uit de kring der deelnemers gekozen (8 voor het geklede en 6 voor 't ongeklede model). De steller moest het model een zodanige stand geven dat het door alle deelnemers goed was te zien. Aanvankelijk mochten alleen leden van het bestuur bij het stellen aanwezig zijn. De deelnemers moesten in een ander vertrek wachten. Wanneer de steller met zijn werk klaar was, werden de deelnemers door de bode uitgenodigd binnen te komen. De steller had het recht om als eerste de beste plaats uit te zoeken, vervolgens kwamen de leden aan de beurt en pas daarna mochten de niet-leden de overgebleven plaatsen bezetten. Tijdens de rust van het model (tenminste tweemaal een kwartier) moesten de deelnemers de tekenzaal verlaten. Een gekleed model werd voor twee, een ongekleed model voor drie achtereenvolgende tekenavonden geëngageerd. Elke avond diende het model in dezelfde stand te worden gesteld. Uit het reglement van 1858 blijkt dat toentertijd het toezicht op de tekenoefeningen was opgedragen aan de "commissarissen van de tekenzaal", t.w. de directeur en twee stellers. Zij moesten waken voor de "welvoegelijkheid en doelmatigheid van de standen" die door de modellen werden aangenomen. Ook het aanschaffen en het onderhouden van de kledingstukken der modellen behoorden tot hun taak. In de tweede helft van de 19de eeuw nam de belangstelling voor het tekenen naar gekleed model af. De tekenoefeningen werden slecht bezocht. In 1882 stelden enige jonge werkende leden, onder wie A.G.A. van Rappard en L.W.R. Wenckebach, voor om het aantal tekenavonden per week op te voeren tot vier en daarvan drie avonden te wijden aan het tekenen naar naakt model Inv.nr. 196. . Sinds jaren werd er wekelijks twee avonden naar gekleed en een avond naar naakt model getekend. Het voorstel ondervond op de ledenvergadering algemene bijval en werd aangenomen. De nieuwe regeling schijnt echter niet lang van kracht te zijn geweest. In 1886 waren er tenminste al weer twee van de vier avonden voor het gekleed model gereserveerd. In dat jaar opperden A.G.A. van Rappard, L.W.R. Wenckebach en G.J. Bos het plan om het tekenen naar vrouwelijk naakt in te voeren Inv.nr. 197. . In de algemene vergadering van 27 januari werd dit voorstel aanvaard. Drie maanden later echter, op de vergadering van 8 mei, stelde een twaalftal kunstlievende ieden het onderwerp opnieuw aan de orde en wist het de meerderheid van de aanwezige leden tot herroeping van het besluit over te halen. Men wees het tekenen naar vrouwelijk naakt als onzedelijk van de hand. Van Rappard en Wenckebach zeiden uit protest hun lidmaatschap op. In 1898 deed zich een soortgelijk conflict voor Inv.nr. 197. . Een voorstel om het tekenen naar vrouwelijk naakt op de tekenavonden in te voeren, werd in eerste instantie door de ledenvergadering van 12 november aanvaard. Tegen dit besluit protesteerden 42 werkende leden, die niet op de vergadering aanwezig waren geweest. Zij eisten heropening van de zaak op de algemene vergadering van 26 november en betoogden daar, dat Kunstliefde zich niet hoefde te voegen naar de wensen van slechts enkele leden, die behoefte hadden aan een beroepsopleiding. Deze moesten hun opleiding maar elders halen. Weer ging de vergadering overstag: het besluit van 12 november werd ingetrokken. Hoewel de deelnemers aan de tekenoefeningen dus verstoken bleven van de mogelijkheid om studie te maken van het vrouwelijk naakt, schijnt daartoe in deze jaren officieus toch wel gelegenheid te hebben bestaan, niet alleen in de particul iere ateliers, maar ook in clubverband. Men krijgt de indruk dat zich aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw zo nu en dan binnen het genootschap clubjes hebben gevormd, die min of meer zelfstandig tekenoefeningen organiseerden. Een club die enkele sporen in het archief heeft nagelaten, is de Veveeniging "De Teekenclub", die in 1897 werd opgericht en waarvan alleen leden van Kunstliefde lid konden worden. De bedoeling was om in de zomermaanden juni, juli en augustus, wanneer de tekenoefeningen van Kunstliefde stillagen, te tekenen naar levend model. De bijeenkomsten werden gehouden in Café "De Vriendschap" in de Keistraat. Voorzitter en secretaris waren resp. J.M. Faddegon en W.A. van den Heuvel. Het is mogelijk dat op deze club ook naar vrouwelijk naakt is getekend. Het archief van de Vereeniging "De Teekenclub" bevat behalve de statuten, goedgekeurd 23 oktober 1897, enkele brieven en convocaties uit de jaren 1897 en 1898 Inv. nrs. 409-411. . Het tekenen naar vrouwelijk naakt werd bij Kunstliefde pas officieel ingevoerd na 1930.
Kunstbeschouwingen - Circulerende portefeuille Kunstbeschouwingen waren besloten bijeenkomsten waarop tekeningen, aquarellen of etsen, beschikbaar gesteld door leden-verzamelaars of kunsthandelaren, werden bezichtigd en becommentarieerd. Na 1850 werd eveneens aandacht besteed aan portefeuilles ingezonden door kunstenaarsverenigingen uit andere plaatsen en samengesteld uit werkstukken van de leden van deze verenigingen. Zo werden er bij Kunstliefde jaarlijks kunstbeschouwingen gewijd aan portefeuilles van de Maatschappij "Arti et Amicitiae" en de Vereeniging "St. Lucas" te Amsterdam, het Genootschap "Pictura" te Groningen, de "Academie van beeldende kunsten en technische wetenschappen" te Rotterdam en de Vereeniging "Pictura Veluvensis" te Renkum. De tekeningen uit deze portefeuilles waren meestal te koop. De kunstbeschouwingen waren in de eerste plaats bedoeld om de artistieke smaak en het kritisch oordeel van de leden te ontwikkelen. In beperkte mate was het toegestaan om een introducé mee te nemen. Ook mochten de zoons van de leden, mits ouder dan 14 en jonger dan 18 jaar, de avonden bijwonen en waren zo nu en dan ook de echtgenotes welkom. Reeds in 1807 was reglementair vastgesteld, dat de kunstbeschouwingen gedurende het winterseizoen maandelijks zouden plaatsvinden en dat de laatste van het seizoen gereserveerd zou blijven voor de bezichtiging van het werk der eigen leden. Of in de eerste decennia van de 19de eeuw de voorgeschreven frequentie inderdaad is gerealiseerd, is in het archief niet na te gaan. De notulen zwijgen over dit onderwerp en jaarverslagen zijn uit deze periode niet bewaard gebleven. Uit een overzicht uit de jaren 1848 tot 1864 valt echter op te maken,dat er voor 1852 slechts twee a drie kunstbeschouwingen per jaar werden gehouden, daarna gemiddeld zeven per jaar Inv. nr. 3, achterin. . Nadat in 1850 de "zaal der kunstbeschouwingen" in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in gebruik was genomen, konden de faciliteiten worden uitgebreid. Sindsdien waren de dames vrij geregeld van de partij, hoewel ook de avonden voor uitsluitend heren nog lang in ere werden gehouden. Omstreeks 1900 waren de kunstbeschouwingen van het genootschap zeer in trek bij de Utrechtse elite. Menig vooraanstaand burger beschouwde het als aan zijn stand verplicht om op deze avonden met zijn dame acte de présence te geven. Men verscheen doorgaans in avondkostuum. In het archief bevindt zich een groot aantal convocaties voor de kunstbeschouwingen uit de jaren 1892 tot 1913 Inv.nr. 210. . Deze artistiek uitgevoerde convocaties zijn voor het merendeel door de werkende leden zelf ontworpen en bij de steendrukkerij van het lid Joh. A. Moesman aan de Neude gedrukt. De portefeuille met werk van de eigen leden, die op de laatste kunstbeschouwing van het seizoen werd getoond, reisde in het volgende winterseizoen door het land om bij verwante verenigingen te worden geëxposeerd. Wanneer de circulerende portefeuille werd ingesteld, is niet bekend. De vroegste berichten stammen uit 1865. Elk jaar werd de portefeuille naar ca. zes plaatsen gestuurd, niet alleen naar de grote steden, maar ook naar plaatsjes als Delden, Hoorn, Kampen, Lochem, Schagen en Zutphen. Kunstliefde kreeg hierdoor landelijke bekendheid. Natuurlijk was voor de deelnemende leden vooral de verkoop van de tekeningen van belang. Omstreeks 1915 raakten de kunstbeschouwingen uit de mode en daarmee ook de circulerende portefeuille.
Leden Gedurende de eerste vijftig jaar van het bestaan van Kunstliefde was het ledental aan een maximum gebonden. De grote belangstelling voor het lidmaatschap maakte het noodzakelijk om dit maximum regelmatig op te trekken. De laatste verhoging had in 1850 plaats: van 100 naar 110 leden. In 1858 werden de beperkende bepalingen ten aanzien van het ledental opgeheven . Onderstaand overzicht geeft de stijging van het ledental in de eerste halve eeuw weer: 1807-31 leden 1813-60 leden 1817-70 leden 1826-80 leden 1831-90 leden 1847-100 leden 1858-110 leden Omstreeks 1875 telde het genootschap 200 leden en omstreeks 1890 300 leden. Daarna liep het ledental geleidelijk terug totdat in de jaren twintig van deze eeuw het reeds gesignaleerde dieptepunt werd bereikt: 23 stemgerechtigde leden. Hoewel Kunstliefde vanaf de oprichting uit werkende en kunstlievende leden heeft bestaan, zijn uit de 19de en begin 20ste eeuw geen aantallen van deze categorieën afzonderlijk bewaard gebleven. Na 1930 steeg het ledental weer snel om tenslotte in de jaren vijftig een nieuw record te bereiken. Dit record hield echter slechts enkele jaren stand, zoals uit het volgende overzicht blijkt: 1938-278 leden, waarvan 41 werkende leden 1945-287 leden, waarvan 66 werkende leden 1959-515 leden, waarvan 101 werkende leden 1965-352 leden, waarvan 83 werkende leden 1972-238 leden, waarvan 71 werkende leden Deze gegevens ontbreken voor de jaren 1973-1977. In 1982 telde het genootschap ruim 300 leden, waarvan ca. 90 werkende leden. . In de eerste decennia van haar bestaan kende Kunstliefde alleen mannelijke leden. Het reglement van 1858 liet ook dames-leden toe, zij het zonder stemrecht. Dit reglement onderscheidde drie categorieën leden: gewone en buitengewone leden, en ereleden. De gewone leden waren weer onderverdeeld in werkende en kunstlievende leden. Werkende leden waren zij die deelnamen aan de tekenoefeningen en van wie werk werd opgenomen in de circulerende portefeuille en-na 1856-werd toegelaten op de ledententoonstellingen. Kunstlievend lid kon iedereen worden die zich voelde aangetrokken tot de beeldende kunst. Hij beoefende die kunst zelf niet, of alleen als amateur. Onder buitengewone leden verstond men de leden die slechts tijdelijk verblijf hielden in Utrecht (officieren van het garnizoen, studenten) en minderjarige zoons van leden. Alleen de gewone leden waren stemgerechtigd en konden tot bestuurslid worden gekozen. Na 1900 hadden ook de tot deze categorie behorende dames-leden stemrecht. In de statuten van ca. 1960 worden de werkende leden nader onderscheiden in werkende en kunstbeoefenende leden, adspirant-leden en buitenleden Inv. nr. 38. . Kunstbeoefenende leden waren kunstenaars die, in tegenstelling tot de andere werkende leden, voor hun levensonderhoud niet op de beoefening van hun kunst waren aangewezen. Adspirant-leden waren voorlopig tot het lidmaatschap toegelaten en bereidden zich voor op de permanente status van werkend of kunstbeoefenend lid. Buitenleden waren buiten de provincie Utrecht wonende kunstenaars die op grond van hun prestaties het lidmaatschap hadden verworven, of die afkomstig waren uit Utrecht en minstens zeven jaar werkend lid waren geweest. Stemgerechtigd waren volgens genoemde statuten alleen de in de provincie Utrecht woonachtige werkende en kunstbeoefenende leden en de tot bestuurslid gekozen kunstlievende leden. Nog in de jaren zestig heeft men het onderscheid tussen werkende en kunstbeoefenende leden laten varen, terwijl in de jaren zeventig het adspirant-lidmaatschap werd afgeschaft. Om werkend lid te worden, moest men 18 jaar of ouder zijn en door één of meer werkende leden zijn voorgedragen. De ballotage had plaats in de algemene ledenvergadering, vóór 1915 ook wel op de avonden van de kunstbeschouwingen. Voor toelating tot het lidmaatschap was tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen nodig. Kunstlievende leden konden door het bestuur direct worden aangenomen.
Datum
1 januari 1807 - 1 januari 1977
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media