Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging

Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging / Nieuwe Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Utrecht (UVSV/NVVSU)
Geschiedenis UVSV en UVSV/NVVSU Oprichting Anna Maria van Schurman (1607-1678) was de eerste vrouw die colleges volgde aan de Utrechtse Hogeschool. Zij zat echter achter een gordijntje, aan het oog van de hoogleraar en de studenten onttrokken. Catharina van Tussenbroek (1852-1925) was de eerste vrouw die aan de Rijksuniversiteit van Utrecht in 1887 afstudeerde. Zij zou landelijke faam als arts krijgen. Op 12 oktober 1899 besloten 13 vrouwelijke studenten een gezelligheidsvereniging op te richten, die Ontspanning na studie (O.N.S.) werd genoemd. Vanaf 7 maart 1904 droeg deze vereniging de naam Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging (U.V.S.V). De drie initiatiefneemsters-C.J. Damme, M.H. Hamaker en J.J.W. Schilthuis-hadden al op 10 maart 1899 een reglement opgesteld. In dit bewaard gebleven reglement Inv.nr. 549 -men kan beter van statuten spreken-staat dat "De Vereeniging zich ten doel stelt de kennismaking tusschen de damesstudenten der verschillende faculteiten gemakkelijk te maken en te bevorderen." Lid kon men worden, wanneer men zich bij de Rector Magnificus van de Utrechtse Universiteit als studente had laten inschrijven en zich vervolgens schriftelijk tot de secretaresse van de vereniging gewend had. De contributie voor het jaar 1899/1900 zou zes gulden bedragen. De bedoeling was, dat tweemaal per week bijeenkomsten in het pand Drift 13 zouden worden gehouden. Curieus is artikel 7 in dit reglement: "Spelen om geld is niet toegestaan." Het reglement is door de drie initiatiefneemsters en tegelijk de eerste bestuursleden ondertekend: mej. C.J. Damme als presidente, mej. M.H. Hamaker als secretaresse en mej. J.J.W. Schilthuis als penningmeesteresse. In het in 1914 verschenen gedenkschrift van de U.V.S.V. laten de meeste oud-bestuursleden zich positief over de beginjaren uit. Er is maar één schrijfster die niet mis te verstane kritiek uit over die beginjaren: "De gezelligheid bepaalde zich tot het bijwonen van slecht bezochte vergaderingen, weinig geanimeerde theemiddagen. . Verder was het U.V.S.V.-lokaal een abri voor koffiedrinkende spoorstudenten, die, met enkele uitzonderingen, niets gaven om de U.V.S.V. en niet meewerkten tot haar bloei. . De intellectuele prestaties bestonden in vaak onvoldoend voorbereide lezingen om de 14 dagen gehouden en meestal lopende over vakkennis en daardoor vaak ongenietbaar voor leeken." Gedenkschrift U.V.S.V. 1899-1914, blz. 65, GAU bibl.sign: XVI D 11 Het is opvallend dat in verslagen van bestuursleden regelmatig de klacht over gebrek aan activiteit van de kant van de overige leden terugkeert. Aan de verplichte lezingen hadden de meeste leden een broertje dood. Toneelspelen en musiceren vielen beter in de smaak bij de meisjesstudenten. Ook het kinderachtige gezelschapsspel "slofje onder" werd in de eerste jaren met animo bedreven. Statuten en huishoudelijke reglementen Inv.nrs. 549 en 550 In 1909 kreeg de U.V.S.V. eindelijk rechtspersoonlijkheid met koninklijk goedgekeurde statuten en een huishoudelijk reglement. Deze statuten en het huishoudelijk reglement van 1909 verdienen het om even onder de loep genomen te worden, hier en daar met vermelding van de later aangebrachte wijzigingen. Het doel van de U.V.S.V. wordt als volgt omschreven: "1. de behartiging van de belangen der vrouwelijke studenten aan de Utrechtsche Universiteit en 2. de bevordering van de onderlinge kennismaking, den omgang en de ontwikkeling van heur leden." Om dit doel te bereiken moest de U.V.S.V. natuurlijk beschikken over een lokaal, waar men kon vergaderen of gezellig samen kon zijn. Nog meer mogelijkheden om dit doel te bereiken waren o.a. het organiseren van vergaderingen en het vormen van een bibliotheek voor de leden. Het verenigingsjaar loopt van 1 september tot 31 augustus. Na 1975 loopt het begrotingsjaar van 1 juli tot en met 30 juni. Behalve gewone leden kent de vereniging: buitengewone leden, ereleden en donateurs. Buitengewone leden zijn oud-leden van alle Nederlandse Vrouwelijke Studentenverenigingen. De oud-leden moeten tenminste vier jaar lid van een studentenvereniging zijn geweest. In de statuten van 1953 komen er nog voorlopige leden, belangstellende leden en oprichters bij en in de statuten van 1957 reünist-leden. Het bestuur van de U.V.S.V. bestaat minstens uit vijf leden: de praeses, de abactis, de quaestor, de bibliothecaris en de assessor. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging in en buiten rechte. In de statuten van 1917 wordt de samenstelling van het bestuur veranderd in: praeses, abactis, quaestrix, vice-praeses en vice-abactis. Na 1975 bestaat het bestuur uit zes leden door de toevoeging van de assessor. Door het bestuur worden de volgende soorten vergaderingen belegd: gewone, algemene, buitengewone en jaarvergaderingen. De algemene vergaderingen worden gehouden, wanneer het bestuur dat nodig oordeelt of wanneer tenminste vijf stemgerechtigde leden het bij het bestuur aanvragen. De algemene vergaderingen zijn voor: verkiezingen, het vaststellen van de begroting en het vaststellen en wijzigen in de statuten en het huishoudelijk reglement. Als jaarvergadering geldt de eerste algemene vergadering na 10 maart. Op deze vergadering zijn de abactis, quaestor, bibliothecaris en assessor verplicht hun jaarverslagen uit te brengen. In de statuten van 1912 worden de gewone vergaderingen niet meer genoemd. Dan bestaan alleen nog: algemene, buitengewone en jaarvergaderingen. "Algemene vergaderingen zijn alle vergaderingen behalve de buitengewone en jaarvergaderingen." Statuten U.V.S.V., art. 23, Inv.nr. 549 Buitengewone vergaderingen zijn er voor het nemen van rechtsgeldige beslissingen. De jaarvergadering is de eerste vergadering na de bestuursverkiezingen. In het huishoudelijk reglement van 1909 wordt alles over vergaderingen, de bibliotheek, de boeten en andere huishoudelijke aangelegenheden vastgelegd. In artikel 3 van het huishoudelijk reglement staat de verplichting dat nieuwe leden na één jaar een lezing moeten houden. Deze verplichting werd door heel wat leden niet serieus genomen. Het was duidelijk het minst populaire voorschrift. Op de jaarvergadering zou voortaan een Novitiaatscommissie worden benoemd, die uit vijf gewone leden moest bestaan, die meer dan één jaar lid waren. De taken van de bestuursleden worden nauwkeurig omschreven. De praeses leidt de bestuurs- en ledenvergaderingen. De abactis heeft een omvangrijke taak: o.a. moet zij de algemene vergaderingen notuleren, het "jaarverslag van de geschiedenis van de vereeniging" maken, de correspondentie voeren, afschriften van belangrijke uitgaande stukken bewaren, het archief verzorgen, convocaties voor algemene vergaderingen versturen etc. De quaestor (later dus quaestrix) beheert de geldmiddelen en is de boekhouder van de vereniging. De bibliothecaris beheert de boekerij van de vereniging. De assessor assisteert de praeses bij alle huishoudelijke aangelegenheden. Zij zorgt voor het onderhoud van het clubgebouw en bereidt de vergaderingen en andere bijeenkomsten voor. Aan een afgetreden bestuurslid kan het bestuur het honorair-bestuurslidmaatschap verlenen. Zolang een honorair-bestuurslid lid van de U.V.S.V. is, kan zij in bestuursvergaderingen een adviserende stem uitbrengen. In artikel 32 staat dat gewone vergaderingen eens in de veertien dagen op maandag zullen plaatsvinden. Er wordt dan een lezing gehouden door één van de gewone leden. In de artikelen 53 en 54 komen de insignes van de bestuursleden ter sprake. Het zijn zilveren penningen aan roodfluwelen linten met zilverbewerking. De insignes zijn eigendom van de U.V.S.V., tenzij een oud-bestuurslid haar insigne en lint wil kopen. In 1917 werden de statuten en het huishoudelijk reglement gewijzigd. In het huishoudelijk reglement was nu voor het eerst sprake van een Huishoudelijke Commissie (H.C.), die in overleg met het bestuur voor alle huishoudelijke aangelegenheden, het onderhoud van het verenigingsgebouw en de tuin zorg moet dragen. Dit betekende een belangrijke ontlasting voor het bestuur van de U.V.S.V. De H.C. had een eigen bestuur en een eigen begroting. Elk oud-bestuurslid van de H.C.-mits een vol jaar in functie geweest-werd de titel van Penaat (= beschermende huisgod) gegeven. Ook een Eettafel Commissie (E.C.), die de dagelijkse maaltijden in het verenigingsgebouw moest regelen, werd in het leven geroepen. Verder kwam er een Verhuisfonds ter bestrijding van onkosten bij eventuele verhuizingen. Ook voor het om de vijf jaar terugkerende lustrum van de U.V.S.V. werden voorschriften in het huishoudelijk reglement opgenomen. De bestuursfuncties van assessor en bibliothecaris moesten plaats maken voor die van de vice-praeses en vice-abactis. De voorschriften voor de bibliotheek werden nu onder een apart hoofdstukje "Bibliotheek" in het huishoudelijk reglement opgenomen. Ereleden De latere mevr. dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias (1880-1957) werd als eerste op 17 oktober 1906 tot erelid van de U.V.S.V. benoemd. Een ander erelid dat in haar studententijd van zich deed spreken was mej. drs. G.G.H. de Vos (1884-1972). Zij maakte in maart 1904 het clublied: "Studie is de band die ons allen vereent etc.", dat na de fusie van de U.V.S.V. met de N.V.V.S.U. in 1975 moest wijken voor het door C. Somerwil gemaakte clublied: "Naast studie, die ons steeds verplicht etc." Op 2 juni 1913 werd het zeer gewaardeerde honorair-bestuurslid Clara Wichmann (1885-1922) tot erelid van de U.V.S.V. geïnstalleerd. Clara Wichmann bezat de gave van het woord en behoorde tot het geringe aantal leden dat boeiende lezingen kon houden. Op 24 november 1913 hield zij een lezing over het vraagstuk der vrouwenstudie. Mevr. mr. E.C. Simons (1888-1989) werd in 1935 het erelidmaatschap van de U.V.S.V. aangeboden. Vóór en na de Tweede Wereldoorlog was zij een onmisbare vraagbaak en raadgeefster voor de elkaar opvolgende besturen van de U.V.S.V. Samen met twee andere ereleden, mevr. mr. L.F. Engelkes-Nix (1899-1988) en mevr. mr. W.M.W. van Lanschot (1911), zou mevr. Simons in 1948 zitting nemen in de weer in het leven geroepen Financiële Commissie, die de U.V.S.V. met raad en daad bijstond voor wat betreft het uitgavenpatroon, zoals bijvoorbeeld bij verbouwingen. Op 19 november 1945 werd mevr. mr. M.A. Tellegen (1893-1976) geïnstalleerd tot erelid wegens haar verdiensten in het algemeen en voor de U.V.S.V. in het bijzonder. In de Tweede Wereldoorlog had zij onder de schuilnaam dr. Max een belangrijke rol in het Verzet gespeeld. Van 1945-1958 was zij Directeur van het kabinet van de Koningin. Ook was zij jarenlang de eerste en enige vrouwelijke curator van de Utrechtse Universiteit. Huisvesting Het aantal leden van de U.V.S.V. groeide gestaag. In 1899 telde de vereniging nog 13 leden; in 1914 waren het er al 168. Door het groeiend aantal leden moest er voortdurend naar een andere behuizing worden gezocht. Vóór 1904 speelde het clubleven zich af bij cuisiniers, waar men ook de maaltijd gebruiken kon, zoals: Stapelkamp (Drift 13), Molenaar (Korte Nieuwstraat 6) en Gude (Nieuwegracht 1). Vanaf 1905 kan men spreken van een eigen clublokaal op de volgende adressen: Lange Nieuwstraat 6 (vanaf 13 februari 1905), Oudegracht 107 (vanaf 27 november 1905), Oudegracht 4bis (vanaf 7 mei 1908) en Lange Nieuwstraat 52 (vanaf 8 mei 1911). Maar dit was ook geen ideale toestand, want men huurde het lokaal. Pas vanaf 1920 was de U.V.S.V. eigenaresse van een eigen pand. Het in 1911 betrokken pand aan de Lange Nieuwstraat 52 was al gauw te klein voor de toevloed van studentes. Er werd naar een andere behuizing gezocht. Die werd gevonden en . . gekocht. Op 9 oktober 1920 werd het pand Achter Sint Pieter 11 na een grondige restauratie als nieuw verenigingsgebouw in gebruik genomen. De U.V.S.V. was nu eindelijk baas in eigen huis. Mevr. Meyers, die vanaf 1908 als huishoudster in dienst van de U.V.S.V. was, werd huisbewaarster en ging met haar gezin in het clubgebouw wonen. Maar het probleem van te weinig ruimte in de club bleef door het groeiende aantal leden. Op 24 november 1930 vond de plechtige inwijding van het nieuw aangekochte clubgebouw Drift 19 plaats. Nu was het eindelijk mogelijk om in eigen huis grote diners te verzorgen. In de eetkamer konden ongeveer 103 mensen aanzitten. In 1931 werden voor het eerst jaardiners in het clubgebouw georganiseerd. Activiteiten, lustra Het eerste lustrum van de U.V.S.V. in 1904 werd in alle beslotenheid gevierd. Toen op de feestavond een van de meisjes een practical joke uithaalde door een afvaardiging van het Utrechtsch Studenten Corps (U.S.C.) aan te kondigen, raakten bestuur en leden in paniek. Uiteindelijk besloot het bestuur, dat nog in travestiekleding van het net opgevoerde toneelstukje rondliep, zich om te kleden en de heren studenten te ontvangen. Groot was de hilariteit, toen bleek dat er helemaal geen heren aan de andere kant van de deur stonden. Sinds 1902 werden vrouwelijke studenten in de gelegenheid gesteld om studielid van het U.S.C. te worden. Zij werden dan lid van één van de zes faculteiten (= studierichtingen). Het eerste formele contact in clubverband met het U.S.C. vond pas plaats op 12 december 1907. Bij die gelegenheid werd de studentenalmanak van het U.S.C. officieel aan de U.V.S.V. overhandigd. Met angst en beven zagen de U.V.S.V.-leden deze eerste confrontatie tegemoet. De heren studenten werden op bouillon en sandwiches onthaald. Omdat het achteraf een succes bleek te zijn, werd deze ceremonie jaarlijks vanaf 1908 herhaald, waarbij de afvaardiging van het U.S.C. met kaasbroodjes ontvangen werd. Ook dat werd een mos (= gewoonte). In 1913 traden U.V.S.V.-leden en U.S.C.-leden voor het eerst samen op in de uitvoering "Sylvia" ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van het Utrechtsch Studenten Concert. Tot 1911 waren het U.S.C. (uitsluitend voor heren) en de U.V.S.V. (uitsluitend voor dames) de belangrijkste studentenverenigingen in Utrecht. In 1911 kwam Unitas Studiosorum Rhenotrajectina (U.S.R.) erbij, een vereniging waarvan zowel dames als heren lid konden worden. Vanaf 1912 maakte ook een vertegenwoordigster van de U.V.S.V. deel uit van de redactie van het studentenblad Vox Studiosorum, dat al in 1864 voor het eerst verschenen was. Tot dan hadden de damesstudenten, uitgezonderd dan de latere dr. J. van den Bergh van Eysinga-Elias (1880-1957) en de later als schrijfster bekend geworden Annie Salomons (1885-1980), een te verwaarlozen rol bij publikaties gespeeld. In het eerste jaar werd de vertegenwoordigster bij Vox Studiosorum door het bestuur van de U.V.S.V. benoemd. Omdat dit geen succes bleek te zijn, werden vanaf 1913 de twee redactrices en U.V.S.V.-leden door de aftredende redactie van Vox Studiosorum gekozen. Het tweede lustrum in 1909 werd uitbundig gevierd. Niet alleen 124 leden en oud-leden van de U.V.S.V. en vertegenwoordigsters van de zusterverenigingen gaven acte de présence, maar ook . . heren bezochten de geanimeerde receptie, zoals: de Rector Magnificus, de secretaris van de Academische Senaat, hoogleraren en de Senaat van het U.S.C. Dat de U.V.S.V. vervolgens drie jaar zou zuchten onder een schuldenlast, veroorzaakt door drie dagen lustrumvieren, werd op de koop toe genomen. Op 26 maart 1909 werd de Dies-viering van de Universiteit in het Groot-Auditorium voor het eerst opgefleurd met de aanwezigheid van vertegenwoordigsters van de U.V.S.V. In 1909 werd het Novitiaat "op voet van gelijkheid" ingevoerd. Vooraf waren er in de club discussies over gevoerd. De vrouwelijke studentenvereniging in Amsterdam kende een Novitiaat "op voet van gehoorzaamheid". Op de vraag wat dat inhield kwam het schitterende antwoord, dat op iedere gestelde vraag een antwoord gegeven moest worden. Het leek wel alsof de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog aan de U.V.S.V. voorbij gingen. In de notulen wordt er nauwelijks met een woord over gerept. Overigens bemoeide de U.V.S.V. zich uit principe niet met politiek. Om een voorbeeld te noemen: de U.V.S.V. was geen lid van de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht. Aan de grote demonstratie ten gunste van de Koningin op het Malieveld in Den Haag in 1918 werd niet door de U.V.S.V. deelgenomen. Voor de vrouwelijke studenten moet 10 februari 1917 een belangrijke datum zijn geweest. Op die dag hield dr. Johanna Westerdijk als eerste vrouwelijke hoogleraar in Utrecht haar inaugurele rede. In 1922 werd tot de uitgave van de eerste almanak van de U.V.S.V. besloten. Geleidelijk aan raakte artikel 3 van het huishoudelijk reglement, n.l. de verplichting om beurten een lezing te houden, in onbruik. Meer succes hadden de feesten, die verlevendigd werden met optredens van C.C. en/of C.A.N.T.O. Maar liefst veertig leden van de U.V.S.V. verleenden haar medewerking aan de opvoering van het openluchtspel "Ichnaton" ter gelegenheid van het 58e lustrum van de Rijksuniversiteit in 1926. Zij werden ook weer gevraagd voor de heropvoering van "Ichnaton" bij de opening van de Olympische Spelen te Amsterdam in 1928. Op 10 maart 1931 werd het vaandel van de U.V.S.V., dat vervaardigd was naar een ontwerp van mevr. O. van Vloten van den Bergh, in gebruik genomen. In de tweede helft van de jaren dertig steeg het aantal U.V.S.V.-leden van 252 in 1935/36 tot 337 in 1938/39. De jaarverslagen van het bestuur melden jaarlijks de verplichte bezoeken aan de Utrechtse notabelen. Ook werden regelmatig door de praeses of andere bestuursleden van de U.V.S.V. toneelvoorstellingen van amateurgezelschappen bezocht, zoals van de Vereniging van Spoorwegambtenaren en de Utrechtsche Rederijkerskamer "Nicolaas Beets". Steevast bood de praeses dan na afloop bloemen of een krans aan namens de U.V.S.V. In 1939 werd het lustrum nog uitbundig gevierd. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit. Op 11 juli 1941 werden de studentencorpora opgeheven en hun bezittingen in beslag genomen. Omdat de Duitse bezetting het clubgebouw van de U.V.S.V. reeds één week tevoren op 5 juli 1941 gevorderd had, leek het alsof de U.V.S.V. voor wat betreft de opheffing en de inbeslagneming van bezittingen buiten schot werd gehouden. De U.V.S.V. vond een nieuw onderkomen in de Herenstraat 38. Mevr. Bruggenwirth, die vanaf het vertrek van mevr. Meyers in 1929 als huishoudster bij de U.V.S.V. in dienst was, verhuisde met haar familie mee. De inventaris van de club was deels bij leden, deels bij oud-leden, deels in Herenstraat 38 ondergebracht. De U.V.S.V. en haar commissies en subverenigingen gingen vervolgens tot het einde van de oorlog in "sluimerslaap". In december 1941 werd de commissie van 10, later de contactcommissie, ingesteld om de contacten met de disputen van de U.V.S.V. te onderhouden en om belangrijke berichten aan de studenten door te geven. Het laatste Novitiaat vond in oktober 1942 plaats. Zo goed en zo kwaad als het ging, probeerde de Huishoudelijke Commissie de theemiddagen zo lang mogelijk te handhaven. De sobere jaardiners, bestaande uit stamppot, pudding en wijn, vonden in de kelder van de familie Bol aan de Koningslaan 73 plaats. Het salaris aan mevr. Bruggenwirth werd zoveel mogelijk doorbetaald. Toen in april 1943 de eis gesteld werd om de loyaliteitsverklaring (met de maatregelen van de bezettende macht) te tekenen was het met het studentenleven definitief afgelopen. Gelukkig hebben slechts vijf U.V.S.V.-leden de verklaring getekend. Na de bevrijding kon dank zij het doortastende optreden van enkele U.V.S.V.-leden het clubgebouw uit de handen van de Canadezen worden gehouden. Op 20 juni werd het clubgebouw officieus en op 28 augustus 1945 officieel geopend. Het studentenleven kwam weer langzamerhand op gang. Het eerste U.V.S.V.-feest na de oorlog was de viering van het 4e lustrum van Hup-Hup op 30 november 1945: 's morgens roeien hockeywedstrijden, 's middags een optocht door de stad en een receptie in het clubgebouw en 's avonds de opvoering van het toneelstuk "De Amazone" van Ellen Kahn door C.C. Op 31 oktober 1946 werd een gedenksteen ter nagedachtenis van de in 1940/45 gevallen clubleden-o.a. Truus van Lier en Inga van Hardenbroek van Ammerstol-in het gebouw Drift 19 door de praeses onthuld. Vanaf 1946 was het weer mogelijk in het clubgebouw een eettafel te houden. Mevr. Bruggenwirth kookte, bijgestaan door een hulp. Een maaltijd kostte-voorgerecht inbegrepen-70 cent. Toen prof. dr. C.J. Vogel de derde vrouwelijke hoogleraar aan de Utrechtse Universiteit werd, organiseerde het U.V.S.V.-bestuur op 30 mei 1947 een etentje in het clubgebouw, dat ook werd aangezeten door de twee andere vrouwelijke hoogleraren, prof. dr. Joh. Westerdijk en prof. dr. J.A.L. Hol. De belangrijkste gebeurtenis voor de U.V.S.V. in 1948 was het bezoek van H.K.H. prinses Juliana en mevr. Eleanor Roosevelt, de weduwe van president Roosevelt van de U.S.A., aan het clubgebouw op 20 april. De ontvangst was daags tevoren degelijk voorbereid met een generale repetitie, waarbij twee honorair-bestuursleden de rollen van prinses Juliana en mevr. Roosevelt speelden. In een door haarzelf geschreven artikel in een Amerikaanse krant liet mevr. Roosevelt zich vol lof uit over de ontvangst in het clubgebouw van de U.V.S.V. Inv.nr. 370 Vooral de haar aangeboden pop met allerlei attributen van de verenigingen en commissies-bijvoorbeeld een piepklein almanakje van de Almanakredactie-sprak mevr. Roosevelt erg aan. Dat jaar gaf de U.V.S.V. ook aan de Senatus Veteranorum een origineel cadeau ter gelegenheid van de 100e Dies van het Utrechtsch Studenten Corps: een koekjesschaal van Delfts blauw, voorzien van een speciaal opschrift. Op 3 februari 1948 hield het oud-U.V.S.V.-lid mevr. dr. M.A.M. Klompé, later de eerste Nederlandse vrouwelijke minister, een lezing over "De vrouw in de internationale betrekkingen". De lezing werd overigens slecht bezocht. De vieringen van de vele lustra van de U.V.S.V. verliepen volgens een vast patroon. Een voorbeeld is dat van 1949. Uitgebreid wordt in de U.V.S.V.-almanak van 1950 de viering van het 10e lustrum van de U.V.S.V. beschreven. Traditioneel begon het 's morgens, in dit geval op 22 februari 1949, met de ontvangst op het station van reünisten en besturen van zusterverenigingen. Vanaf het Stationsplein vertrok de stoet, bestaande uit een muziekkorps, U.V.S.V.-sters te paard, 3 koetsen (met leden van de besturen van de U.V.S.V. en de Lustrum Commissie en de oprichtsters van de U.V.S.V.), honorairen, besturen van zusterverenigingen, reünisten en leden stadwaarts. De route ging langs de oude clubgebouwen en eindigde bij het clubgebouw aan de Drift. Daar was de lunch. Onder de tonen van het carrillonspel in de Domtoren, dat voortgebracht werd door mevr. E. van Lelyveld-Schreuder, vertrok het bestuur om 14.00 uur naar het Groot Auditorium van de Universiteit. Daar werd het lustrum officieel geopend met een rede van de praeses van de U.V.S.V. Deze rede werd beantwoord door het jongste erelid van de U.V.S.V., mevr. mr. M.A. Tellegen. Vervolgens was er een receptie in het clubgebouw. De eerste dag werd afgesloten met een ledendiner. De tweede dag eindigde met een galavoorstelling van "Tussen elf en middernacht", een toneelstuk geschreven door Dolly Breedveld, in het Theater Gooiland. Subverenigingen en disputen Subverenigingen en disputen zijn verenigingen en groeperingen, die door de algemene ledenvergadering erkend worden en die open staan voor studerende leden van de U.V.S.V. Hun reglementen en de wijzigingen daarin moeten door de U.V.S.V. worden goedgekeurd. Mej. G.G.H. de Vos was de oprichtster van de muziekvereniging C.A.N.T.O. (Cedat Apollini Nonnunquam Totum Opus = laat al het werk ook eens voor Apollo in de steek) op 1 november 1909. De eerste jaren, tot 1912, kwamen onder haar bezielende leiding zang- en instrumentale uitvoeringen tot stand. In november 1912 werd mej. De Vos "erepresidente" van C.A.N.T.O. Een andere sub-vereniging van de U.V.S.V. die het voor de wind ging, was de op 27 mei 1907 opgerichte toneelvereniging C.C. (Concordia Crescamus = mogen wij groeien door eensgezindheid). Het lustrum van C.C. in 1917 werd gevierd met een travestie-opvoering van Shakespeare's "Getemde Feeks". Ook had C.C. bij het lustrum van de U.V.S.V. in 1919 succes met de opvoering van "Den Spijeghel der salicheyt van Elkerlyc". De regie was in handen van de bekende acteur en regisseur Eduard Verkade. De show werd echter gestolen door de hoofdrolspeelster, M.A. Tellegen. In het gedenkschrift van 1914 worden echter ook openhartig clubjes en verenigingen genoemd, die het niet voor de wind ging: het tennisclubje "Nausicaä" (1910-1913) en de tennisvereniging PILA (1913-?). De roeivereniging "Thetis" was er nog slechter aan toe. Enthousiast werden in 1913 plannen gemaakt, maar toen de financiën ter sprake kwamen, gaf geen van de U.V.S.V.-leden thuis. De op 11 december 1913 opgerichte Utrechtse Vrouwelijke Juristen Werkvereniging "PORTIA"-overigens geen subvereniging, omdat het lidmaatschap ook voor niet-leden van de U.V.S.V. open stond-had meer succes. Het was bij uitstek de vereniging om je als toekomstig juriste praktisch te kunnen oefenen in bijvoorbeeld het houden van pleidooien. De eerste praeses van deze vereniging, die in 1913 al 20 leden telde, was E.C. Simons. In de jaren twintig en dertig werden de volgende subverenigingen en disputen van de U.V.S.V. opgericht: de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Gymnastiek- en Sportvereniging "Hup-Hup" (1 oktober 1925), de Bridgeclub (1 februari 1932), de Geldersch Overijsselsche Ring "De Kei" (31 oktober 1935) en de disputen T.H.E.M.A. (28 mei 1929), V.A.R.I.A.T.I.E. (27 november 1929) en C.O.D.A. (= Club Omtrent Diepzinnige Aangelegenheden, 2 februari 1934). In de jaren zestig volgden nog: de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Rijvereniging "Kimmarone" (oktober 1962) en het Utrechtse Vrouwelijke Studenten Foto en Filmgezelschap "Daguerre" (1966). Fusie met de NVVSU Tussen 1950 en 1970 verliep het clubleven van de U.V.S.V. zonder opmerkelijke gebeurtenissen. Het ene bestuur ging, het andere kwam, lustra werden gevierd, jaarlijks verscheen een almanak, nieuwe leden meldden zich aan, oud-leden bedankten. . totdat in Vox Studiosorum van 28 augustus 1970 een artikel verscheen over een mogelijke fusie tussen de U.V.S.V., de Nieuwe Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Utrecht (N.V.V.S.U.) en het U.S.C. Als doorslaggevend argument werd aangevoerd: "de steeds toenemende tendens onder de jongeren om het sexen onderscheid vaarwel te zeggen." Maar er zat meer achter. Het ledenbestand van het U.S.C. hield geen gelijke tred met de sterke aanwas van nieuwe studenten, maar liep daarentegen terug. Met het teruglopen van het ledenbestand stegen de kosten voor het onderhoud van het gebouw P.H.R.M., het sociëteitsgebouw van de Corpsstudenten. Had Utrecht in 1946 nog maar 5000 studenten, in 1970 bedroeg dit aantal maar liefst 20.000. De animo om lid van een studentenvereniging te worden was echter niet groot. In 1970 en 1971 leverden de voor- en tegenstanders van de fusie heel wat kopij voor het studentenblad Vox Studiosorum. Na langdurig intern beraad besloot het U.S.C. in maart 1972 af te zien van een fusie met de U.V.S.V. Men gaf toch maar de voorkeur aan de ongemengdheid. In 1973/74 kwam een andere fusie ter sprake, en wel tussen de U.V.S.V. en de N.V.V.S.U. De nieuwe vereniging telde in 1969 450 leden, terwijl de U.V.S.V. er nog steeds 1200 had. In 1974 was het aantal leden van beide verenigingen echter schrikbarend teruggelopen tot 270 N.V.V.S.U.-leden en 580 U.V.S.V.-leden. Een gezamenlijke fusiecommissie (FUCO) werd in het leven geroepen. Er speelden heel wat factoren mee om tot een fusie over te gaan, zoals de concurrentie van andere instellingen en stijgende personeels- en exploitatiekosten. In het bestuursjaar 1974/75 werkten de besturen van de U.V.S.V. en N.V.V.S.U. nauw met elkaar samen om tot een praktische uitvoering van de fusie te komen. De N.V.V.S.U. zou haar clubgebouw aan de Plompetorengracht 7 moeten verkopen en moeten verhuizen naar het ruimere pand aan de Drift 19. Wekelijks kwam de FUCO bij elkaar. Er ging veel tijd zitten in onderhandelingen met de notaris. De statuten en het huishoudelijk reglement moesten worden herzien. Op commissieniveau waren de contacten uitstekend. De besturen en de actieve leden moesten weer het voortouw nemen. Een enquête onder de leden met de vraag hoe er over de fusie werd gedacht, kreeg lauwe reacties. Kortom: tot uitwisseling van gedachten en meningen kwam het niet op ledenniveau. Op 15 maart 1975 was de fusie juridisch een feit toen de elf bestuursleden van de U.V.S.V. en N.V.V.S.U. haar handtekening onder de fusie-akte zetten. Er was afgesproken dat de beide besturen de eerste acht maanden in het bestuursjaar 1974/75 onafhankelijk van elkaar zouden functioneren en dat de resterende vier maanden beide besturen gezamenlijk het bewind zouden voeren tot juni 1975. Eind maart 1974 had de U.V.S.V. als aparte vereniging haar 15e en laatste lustrum gevierd. Het motto was "A thirty mind", een toespeling op de crisistijd in de jaren dertig. Op 24 maart 1974 vond de eerste van een zestal opvoeringen plaats van "Kleiner Mann, was nun?", een revue naar de gelijknamige roman van Hans Fallada. Vanaf 1 juni 1975 droeg de vereniging de naam Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging/Nieuwe Vereniging van Vrouwelijke Studenten te Utrecht, kortweg aangeduid als: U.V.S.V./N.V.V.S.U. Het clubgebouw aan de Drift 19 werd nu vernoemd naar de godin van de huiselijke haard: Hestia. Nog steeds stelde de vereniging zich het volgende ten doel: a. de behartiging van de studie- en maatschappelijke belangen van de vrouwelijke studenten te Utrecht en b. de bevordering van de onderlinge kennismaking, omgang en ontwikkeling van haar leden. NVVSU De Nieuwe Vereniging van Vrouwelijke Studenten in Utrecht (N.V.V.S.U.) is op 11 mei 1960 door en uit de U.V.S.V. ontstaan. De U.V.S.V. telde toen 1200 leden en kon de grote toeloop van nieuwe studentes niet meer aan. De M.O.-studentes werden daarom in de gelegenheid gesteld lid van de N.V.V.S.U. te worden. Het clubgebouw was vanaf 1960 gevestigd op het adres Lange Nieuwstraat 52 en vanaf 1 november 1968 op het adres Plompetorengracht 7. Het is niet verwonderlijk dat de statuten en het huishoudelijk reglement van de N.V.V.S.U. veel overeenkomsten vertoonden met die van de U.V.S.V. De vereniging stelde zich ten doel: de behartiging van de studie- en maatschappelijke belangen van haar leden en de bevordering van het onderling contact van haar leden. De vereniging kende gewone leden, voorlopige leden, reünisten, belangstellende leden, ereleden en donatrices. Er bestonden twee soorten vergaderingen: jaarvergaderingen en algemene (leden)vergaderingen. Tijdens de jaarvergadering werden de jaarverslagen van de abactis en de fiscus voorgelezen en werd het nieuwe bestuur geïnstalleerd. De statuten van 1960 werden in 1974 voor het laatst gewijzigd. Het huishoudelijk reglement van 1961 werd in 1969 voor het laatst met wijzigingen en aanvullingen uitgegeven. In 1961 bestond het bestuur uit vier leden: de praeses, abactis, fiscus en assessor. In 1969 werd de assessor vervangen door een vice-praeses en een vice-abactis. De werkzaamheden van de bestuursleden waren identiek aan die van de gelijknamige bestuursleden van de U.V.S.V. In plaats van een Huishoudelijke Commissie kende de N.V.V.S.U. een Interne Commissie met dezelfde bevoegdheden. Andere commissies van de N.V.V.S.U. waren: de Novitiaats Commissie, de Culturele Commissie, de Sport Commissie, de Tuin Commissie en de Lustrum Commissie. Ook had de N.V.V.S.U. een eigen almanakredactie. De Culturele Commissie van de jaren 1960/67 was bijzonder actief, wanneer men afgaat op de bewaard gebleven correspondentie. Het was een grote verrassing toen de cabaretgroep Patati Patata van de N.V.V.S.U. na een zeer korte periode van inwerken en repeteren tijdens een op 26/27 oktober 1966 in Delft georganiseerd cabaretconcours voor studenten de derde prijs in de wacht sleepte. De N.V.V.S.U. fuseerde op 15 maart 1975 met de U.V.S.V. Bond van Vrouwelijke Studenten Verenigingen (BVSV) In oktober 1926 vond de oprichting plaats van de Bond van Vrouwelijke Studenten Verenigingen (B.V.S.V.). De Bond diende om de vrouwelijke studenten bij nationale en internationale aangelegenheden te vertegenwoordigen. De Bond werkte samen met de Algemene Senaten Vergadering, het overkoepelend orgaan voor de herenstudenten. De secretariaten van beide instellingen waren te Leiden gevestigd. De samenwerking had tot doel om van Nederland een "membre titulaire" i.p.v. een "membre libre" (= zonder rechten) binnen de Confédération Internationale des Etudiants (C.I.E.) te maken. Dit werd inderdaad bereikt. De Algemene Senaten Vergadering stapte echter in 1931 weer uit de C.I.E., omdat er binnen de C.I.E. te veel poltiek werd bedreven. De B.V.S.V. organiseerde sinds 1932 interacademiale sportwedstrijden. Gelukkig kon de U.V.S.V. beschikken over deelneemsters, die lid van "Hup-Hup" waren. Tijdens de interacademiale spelen van 19 tot 24 mei 1947 te Groningen slaagde de U.V.S.V. er voor de eerste keer in de B.V.S.V.-beker te winnen.
1. Lijst met de namen van bestuursleden van de UVSV over 1919-1959 1919 M. Dijkstra: Preses M.A. van Haeften: Abactis A.Ch. Ruys: Quaestrix A.J.R.W. Schuil: Vice Preses E.D. van Elk: Vice Abactis 1922-1923 C.C. Beversluis: Preses J.M. Jolles: Abactis M. Simon Thomas: Quaestrix E. Schreuder: Vice Preses L.F. Nix: Vice Abactis 1923-1924 J.M. Quispel: Preses L.C. Pont: Abactis J.L.G. Kraal: Quaestrix A.C. de Jong van Beek en Donk: Vice Preses R.J. Bolten: Vice Abactis 1924-1925 H.C.C.A.A. Vos: Preses M. de Waard: Abactis F.A.G. Wilbrink Hoitsema: Vice Preses J.B. Fabius: Quaestrix C. Bouma: Vice Abactis 1925-1926 R.J. Bolten: Preses P.C.C. van Lier: Abactis H.J. Schmidt: Quaestrix C.J. Gorter: Vice Preses G.M. Themann: Vice Abactis 1926-1927 J.M. Drooglever Fortuyn: Preses A.E. du Marchie Servaas: Abactis C.A.L. Felix: Quaestrix L. Haverkorn van Rysewyck: Vice Preses T. Bennema: Vice Abactis 1927-1928 A.J.M. van der Voort van Zijp: Preses A. Korthals van Schooten: Abactis M.K. Kruisinga: Quaestrix E.R. de Cock: Vice Preses Jvr. S.M. van Citters: Vice Abactis 1928-1929 Th. Haverkorn van Rijsewijk: Preses H.A. Snellen: Abactis D.A. Gabriëlse: Quaestrix G.E. Smitt: Vice Preses L.W. Gouverne: Vice Abactis 1929-1930 Jvr. S.M van Citters: Preses L. Roelofsen: Abactis Jvr. M.E. de Ranitz: Quaestrix A.A.C. Reysenbach: Vice Preses M.l.S. ten Cate: Vice Abactis 1930-1931 J.J. Gerritsen: Preses J.W.F. Gerhardt: Abactis H.M. van Stolk: Quaestrix N. Lotsy: Vice Preses H.W. Bunschoten: Vice Abactis 1931-1932 A.M. Fehmers: Preses J.G. Hunik: Abactis W.M. Sesseler: Quaestrix C. Wiersum: Vice Preses A.W. Klopper: Vice Abactis 1932-1933 M.C. Schoch: Preses M. van Rijckevorsel: Abactis J.M. Eberson: Quaestrix E.A.E.M. van Diemen Arbeiter: Vice Preses H.L. Reysenbach: Vice Abactis 1933-1934 J.A. Sirag: Preses M.A.W. van Asch van Wijck: Abactis H. François: Quaestrix A. Röntgen: Vice Preses S.J. Reitsma: Vice Abactis 1934-1935 W.W.M. van Lanschot: Preses J.E. Hijmans van den Bergh: Abactis M.A. Groothof: Quaestrix A.W. Waller: Vice Preses A.H. Ulbrich: Vice Abactis 1935-1936 J.H.J. Lichtenbelt: Preses M.E.G. Backer: Abactis W.Ch.E. Kruyt: Quaestrix E. de Looze: Vice Preses A.B. Terpstra: Vice Abactis 1936-1937 C. s' Jacob: Preses W.M. Brand: Abactis C.E. Wind: Quaestrix M.C. Barbas: Vice Preses M. Kasteleyn: Vice Abactis 1938-1939 N.B. Dit bestuur werd op 2 december 1938 geïnstalleerd. E.J. van Rijckevorsel: Preses M.A.M.G.W. Charbon: Abactis C. Minderhoud: Ouaestrix A.P.H.H. van Woelderen: Vice Preses H. Reysenbach: Vice Abactis Op 26 oktober 1939 was er een bestuurswisseling. N.B. Dit bestuur werd op 2 december 1939 geïnstalleerd. N.C. Pondman: Preses C.C. Nolen: Abactis A.P. Rutten: Quaestrix A.P. Schwartz: Vice Preses H.H. Brückmann: Vice Abactis 1939-1940 L. de Langen: Preses E. Verloop: Abactis J.M. Meyering: Quaestrix M.M. Hein: Vice Preses M.H.C. Spoon: Vice Abactis 1940-1941 M. Verloop: Preses O. Hudig: Abactis C.E. Giltay: Quaestrix Jvr. C. de Vos van Steenwijk: Vice Preses H. Vôute: Vice Abactis 1941-1942 L.M. Vreede: Preses Th. A. Smit: Abactis M.C. van Hardenbroek van Ammerstol: Quaestrix A.E. Fraser: Vice Preses R. Bertrand: Vice Abactis 1942-1943 Er werd een bestuur gekozen, maar dit werd vanwege de oorlogsomstandigheden nooit geïnstalleerd. 1945 UVSV-bestuur: N.B. Dit was het eerste bestuur dat na de oorlog op 5 september 1945 aantrad. Ook S.M. Ferman en E.C.Mees waren Abactis in 1945/1946, en M. Bense was Abactis in 1946/1947. G. Tamminga: Preses A. de Waard: Abactis C. Lokker: Quaestrix A.E. van Lennep J.G.J. Qtten: Vice Preses C.E. Hudig: Vice Abactis 1946-1947 N.B. Dit bestuur werd op 4 november 1946 geïnstalleerd. E. Talsma: Preses D. Breedveld: Abactis H.J. Offerhaus: Quaestrix C.J. de Munck Keizer: Vice Preses C.M. Bakuizen van den Brink: Vice Abactis 1947-1948 S.C. Bartlema: Preses C.J.E. van Asselt: Abactis G.G. Wolvius: Quaestrix M.N.W. van Haaften: Vice Preses M.W.J. van der Lande: Vice Abactis 1948-1949 L. Boone: Preses E.L. Spijkerboer: Abactis Jvr. L.C. Twiss Quarles van Ufford: Quaestrix A.M. Sinninge: Vice Preses A.D. Top: Vice Abactis 1950-1951 A.M.E. Collette: Preses R.J.W. Carstens: Abactis R. de Frémery: Quaestrix R. Koster: Vice Preses C.G. Koets: Vice Abactis 1951-1952 J. C Bijlsma: Preses W.C. Grolle: Abactis G.M Julius: Quaestrix J. Spiele: Vice Preses A.M. Jansen: Vice Abactis 1952-1953 Ch. Voogd: Preses A.J.F. van Rhijn: Abactis R. Dippel: Quaestrix D.W. Plugge: Vice Preses C. Ledeboer: Vice Abactis 1953-1954 E.M. Nijenhuis: Preses H. Beversluis: Abactis A.F. Vleugels Schutter: Quaestrix A.M. van den Berg: Vice Preses G. Menalda: Vice Abactis 1954-1955 U.A. van der Meer: Preses A.H. Burger: Abactis Ch.F. Nieuwenhuysen: Quaestrix J.E.H. Royaards: Vice Preses M. Ronk: Vice Abactis 1955-1956 E. Arissen: Preses A. Worries: Abactis J.A. Bijlsma: Quaestrix H.M. de Ru: Vice Preses E.J. de Visser: Vice Abactis 1956-1957 N.B. Na 3 juni nam T. van Eendenburg de plaats in van M.E. Mulder en E.L. Kettlitz nam het Vice Abactiaat over. Jvr. J.H.W. Storm van ’s Gravenzande: Preses M.E. Mulder: Abactis C.E. Oudemans: Quaestrix G. Bijleveld: Vice Preses T.P. van Eendenburg: Vice Abactis 1957-1958 T. Alma: Preses M.H. Scholten: Abactis A.F.S. Schepel: Quaestrix G.D. Kieft: Vice Preses J.M. de Langen: Vice Abactis 1958/1959 N.H. Verloop: Preses F.E. Pannekoek: Abactis J.T.A. Boland: Quaestrix S.A. Kemper: Vice Preses E. Pull ter Gunne: Vice Abactis
Literatuur Album Promotorum der Rijksuniversiteit 1815-1936 en Album Promotorum der Veeartsenijkundige Hoogeschool 1918-1925. Leiden, 1963. GAU bibl.sign: LIII B 42 Album Promotorum september 1936-maart 1966. Verzorgd door het Universiteitsmuseum. Utrecht, s.a. GAU bibl.sign: L C 16 Almanak der Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging, na 1975: Almanak der Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging / Nieuwe vereniging van Vrouwelijke Studenten te Utrecht, 1923-1941, 1946-1980. Utrecht, 1923-1980. GAU bibl.sign: VV 170 Gerritsen, Janelle, Drift 19 doorgelicht. Utrecht, 1984. GAU bibl.sign: III D 44 Lustrumboek U.V.S.V. 1899-1914. Utrecht, s.a. GAU bibl.sign: XVI D 11 Suys-Reitsma, S.J., U.V.S.V. 1899-1949. Een poging tot verantwoording van vijftig jaar vrouwenstudie. Utrecht, s.a. GAU bibl.sign: LIX B 24 Het Utrechtsch Studentenleven 1636-1936. Onder redactie van: J. Bierens de Haan, A.J. de Beaufort, H.E. Boeke, E.A. Liefrinck, W. Oorthuis, G.C.D. Rutgers van Rozenburg. Utrecht, 1936. GAU bibl.sign: XXXIX D 10 Het Utrechtsch Studenten Corps, 1936-1986. Onder redactie van: H.M. Blankenberg, C.R. ten Kate, H.M. Klijn, J.P.C. Obbink, J.W. Steketee, N. Tasselaar. Utrecht, 1986. GAU bibl.sign: IV E 55 Vox Studiosorum, 1912-1952. Utrecht, 1912-1952. GAU bibl.sign: L 75 I F-I H Vox Studiosorum. Lustrumnummer U.V.S.V., 1899-1929. Utrecht, 1929. Inv.nr. 949
Archieven Toen de zolder van het clubgebouw aan de Drift ontruimd moest worden in verband met een verbouwing, heeft de archiefcommissie 1967/68 van de U.V.S.V. het archief, dat in acht kasten op zolder lag, in grote zakken gestopt en meegegeven aan medewerkers van het Universiteitsmuseum, "die er gelukkig dolblij mee waren." Inv.nr. 800 In het Universiteitsmuseum aan de Trans bleef het archief op zolder liggen, totdat het museum naar Biltstraat 166 verhuisde. Het archief werd enigszins geordend en beschreven onder toezicht van mevr. J.C. de Waard-Bijlsma, een honorair-bestuurslid en sinds 1977 erelid van de U.V.S.V./ N.V.V.S.U. Vervolgens werd het op 5 september 1975 aan de Gemeentelijke Archiefdienst in bewaring gegeven. Van 1977 tot 1987 kwamen er nog aanvullingen op het archief. De totale omvang van het archief (1902-1980) werd ca. 57 m1. Daarvan kwam 16 m1 (voornamelijk financiële bijlagen) voor vernietiging in aanmerking. Ongeveer 22 m1 bestond uit series correspondentie van praeses, abactis, quaestrix etc, in ordners rubrieksgewijs opgeborgen. Die series zijn uit de ordners gehaald, hetgeen een ruimtebesparing van ca.4 m1 gaf. De rubrieksgewijze volgorde bleef gehandhaafd. De indeling van het archief van het Utrechtsch Studenten Corps is als voorbeeld gebruikt. Uit de bibliotheek van de Gemeentelijke Archiefdienst zijn programma's van concert- en toneeluitvoeringen van de subverenigingen van de U.V.S.V. in het archief opgenomen. Na beschrijving van de archivalia werd geconstateerd dat bijvoorbeeld de notulen van de algemene ledenvergaderingen over de jaren 1899-1941 ontbraken. Deze notulen en ander belangrijk archiefmateriaal bleken nog te berusten bij het Universiteitsmuseum. In oktober 1991 werd ook deze aanvulling (1 m1) over de jaren 1899-1969 aan de Gemeentelijke Archiefdienst overgedragen. Het archief van de N.V.V.S.U. (13 m1) over de jaren 1960-1975 is eveneens in 1975 in bewaring gegeven. Hiervan kwam 3 œ m1 (voornamelijk financiële bijlagen) voor vernietiging in aanmerking. Omdat deze vereniging in 1975 is samengegaan met de U.V.S.V., is het archief in deze gezamenlijke inventaris beschreven. Het archief van de Kring voor sociaal werk van vrouwelijke studenten te Utrecht, die op 1 juni 1911 is ontstaan en vermoedelijk omstreeks 1918 is opgeheven, is in het archief van de U.V.S.V. aangetroffen. De Kring werd door U.V.S.V.-studentes in het leven geroepen, maar stond open voor iedere vrouwelijke student te Utrecht. De bedoeling was om bij de leden belangstelling voor sociale problemen te ontwikkelen. Er werd ook praktisch werk verricht, zoals het bezighouden van kinderen in het Kinderziekenhuis. Omdat de Utrechtse Vrouwelijke Juristenwerkvereniging "Portia" geen subvereniging van de U.V.S.V. is, is het archief apart beschreven. Het archief van de Bond van Vrouwelijke Studenten Verenigingen (B.V.S.V.) is vermoedelijk midden jaren zestig bij de U.V.S.V. gedeponeerd. De goedgekeurde notulen van vergaderingen en de correspondentie lopen door tot 1967. Ook is hierbij het archief van de Gecombineerde Besturen Vergaderingen, de voorgangster van de B.V.S.V., over de jaren 1904-1926 gevoegd. Tenslotte zijn ook nog kleine archieven van het Landelijk College van Vrouwelijke Studenten en van de Landelijke Sociale Commissie beschreven. De totale omvang van de geïnventariseerde archieven bedraagt 39 m1. Voor raadpleging van archivalia jonger dan 25 jaar is de schriftelijke toestemming van het bestuur van de U.V.S.V./N.V.V.S.U. nodig. maart 1992 A.B.R. du Croo de Vries
Datum
1 januari 1899 - 1 januari 1980
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media